Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3261

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
08/00602
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL3623, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof bepaalt ingevolge artikel 21, eerste lid, Successiewet de waarde ten sterfdage in het economisch verkeer in verbrande staat van de woning van erflaatster en komt tot de conclusie dat de inspecteur de aanslag niet tot een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009/1740
FutD 2009-1570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/00602

zeventiende enkelvoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 06/6472, van de Rechtbank Haarlem tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond, kantoor Rotterdam, de inspecteur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2009.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

1.1. Op 5 maart 2003 is mevrouw [A] (hierna: erflaatster), de moeder van belanghebbende, om het leven gekomen tijdens een brand in haar flatwoning, gelegen aan de [A-straat 1] te [Y] (hierna: de woning).

1.2. De verzekeringsuitkering wegens brandschade van € 99.509 is geheel aangewend voor het herstel van de woning (hierna: de verzekeringsuitkering).

1.3. Na dit herstel in augustus 2003 heeft belanghebbende de woning aanvullend uit eigen middelen gerenoveerd.

1.4. Belanghebbende heeft de woning op 20 april 2004 verkocht voor € 377.500.

1.5. Buiten geschil is dat de waarde van de woning onmiddellijk vóór de brand € 287.000 heeft bedragen.

1.6. Belanghebbende heeft op 27 juli 2004 aangifte voor het recht van successie gedaan naar een saldo van de nalatenschap van € 211.480. Daarbij is belanghebbende voor de woning uitgegaan van een waarde van € 204.400. Dit bedrag heeft belanghebbende, zo blijkt uit de specificatie bij diens aangifte, gebaseerd op een berekende restantwaarde van de woning van € 104.891, verhoogd met de verzekeringsuitkering van € 99.509. De overige verkrijgingen hadden per saldo een waarde van € 7.080.

1.7. De inspecteur heeft belanghebbende op 30 augustus 2005 een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van € 227.080 en daarbij de waarde van de woning bepaald op € 220.000.

2. Belanghebbende heeft ter zitting genoemd dat erflaatster gedurende de bezettingsjaren een verblijf in een reeks Duitse concentratiekampen heeft doorstaan en dat het in dat licht bijzonder wrang is dat zij nu bij een brand in haar woning het leven heeft moeten laten.

3.1. Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) geldt als maatstaf met betrekking tot de waardebepaling van de woning de waarde welke daaraan op het tijdstip van de verkrijging in het economische verkeer kan worden toegekend, kort gezegd: de waarde in het economische verkeer.

3.2. Naar vaste rechtspraak is de waarde in het economische verkeer voor de toepassing van de Wet de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor de onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding op de dag van het overlijden van de erflaatster door de meestbiedende gegadigde besteed zou zijn. Slechts de waarde die ook anderen dan de belastingplichtige aan een onroerende zaak zouden toekennen komt in aanmerking, waarbij aandacht dient te worden geschonken aan alle op het tijdstip van verkrijging van belang zijnde economische factoren. Tot die factoren behoort de fysieke staat waarin een onroerende zaak zich bevindt.

Daarnaast moet een verzekeringsuitkering, waarop een eigenaar op het tijdstip van verkrijging recht heeft, in aanmerking worden genomen.

In gevallen als hier aan de orde zal in het algemeen de waarde van een uitgebrande woning verhoogd met een toereikende verzekeringsuitkering waarop de eigenaar van de woning recht heeft met het oog op herstel, overeenkomen met de waarde in het economische verkeer van die woning onmiddellijk voor de brand.

3.3. Ook bij de waardering van de verkregen woning geldt dat de waarde in het economische verkeer bepaald moet worden op de waarde bij een aanbieding ten verkoop van die woning op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding. Het feit dat ten tijde van de brand geen verkoopovereenkomst zal worden gesloten is op zich onvoldoende om de waarde op nihil te stellen nu aannemelijk is dat kort na de brand wel maatregelen konden worden genomen om tot aanbieding van de woning over te gaan.

3.4. Aannemelijk is dat de waarde van de woning ten sterfdage is gedrukt vanwege de onbewoonbaarheid als gevolg van de brandschade. Hetzelfde geldt voor de appreciatie voor de woning op de woningmarkt en het aantal biedende gegadigden. Tegelijkertijd evenwel was op het moment van de brand, dat wil zeggen op het tijdstip van de verkrijging, al voorzienbaar dat de verzekeringsmaatschappij een bedrag zou uitkeren waarmee de woning zou kunnen worden hersteld. Belanghebbende heeft niet gesteld dat het uit te keren bedrag daartoe onvoldoende zou zijn. Onder deze omstandigheden ziet het Hof geen reden de waarde van het verkregene, zijnde in dezen het samenstel van de waarde van de uitgebrande woning en het recht op de verzekeringsuitkering, op een substantieel lager bedrag te waarderen dan de waarde in het economische verkeer van de woning kort voor het overlijden van erflaatster. Nu de inspecteur bij de berekening van de waarde van de verkrijging de woning gewaardeerd heeft op € 220.000, aanzienlijk lager dan de waarde kort voor dat overlijden, is daarmee voldoende rekening gehouden met mogelijke belemmeringen van potentiële kopers om tot koop van de woning over te gaan.

Het feit dat de woning na verdere aanpassing in april 2004 voor een prijs van € 377.500 is verkocht, is geen aanleiding tot een lagere waardering dan € 220.000 over te gaan nu belanghebbende niet heeft gesteld, laat staan onderbouwd, dat de meerwaarde tot het verschil van € 90.000 (€ 377.500 minus € 287.500) is gerealiseerd door handelingen of marktfactoren met waardegevolgen na de overlijdensdatum van erflaatster.

Slotsom

3.5. De slotsom is dat de inspecteur de waarde in het economisch verkeer van de woning niet te hoog heeft vastgesteld, dat daarom het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

4. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

De mondelinge uitspraak is gedaan op 18 juni 2009 door mr. dr. W.M.G. Visser, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland als griffier. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door het lid van de belastingkamer en de griffier.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.