Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3205

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-04-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
07/00772 tot en met 07/00774
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omkering en verzwaring van de bewijslast. Naar het oordeel van het Hof is de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen - gebaseerd op de omzetcorrectie - uitgegaan van een redelijke schatting. Het Hof matigt de opgelegde boetes tot 15 procent in verband met de financiële situatie van belanghebbende en vanwege de overschrijding van de redelijke termijn

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1572
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 07/00772 tot en met 07/00774

15 april 2009

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X],

wonende te [Z],

belanghebbende,

gemachtigde mr. A.W. van Steijn (Bergkamp & Van Steijn) te Haarlem,

tegen de uitspraken in de zaken met nummers AWB 05/5689, 05/5700 en 05/5701 van de rechtbank Haarlem van 17 september 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Midden, kantoor Haarlem,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 31.021, alsmede bij afzonderlijke beschikking een vergrijpboete van ƒ 1.861. Voorts is voor dat jaar aan belanghebbende opgelegd een navorderingsaanslag Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (hierna: WAZ) ten bedrage van ƒ 2.781, berekend naar een WAZ-grondslag van ƒ 31.610, alsmede bij afzonderlijke beschikking een vergrijpboete van ƒ 2.666.

De Inspecteur heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV 1999, IB/PVV 2001 en WAZ 2001 en de daarbij opgelegde boetes bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 20 oktober 2005 gehandhaafd.

Belanghebbende heeft tegen bedoelde uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij in één geschrift vervatte uitspraken van 17 september 2007, verzonden op 19 september 2007, heeft de rechtbank het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 1999 ongegrond verklaard, de overige beroepen gegrond verklaard en de desbetreffende uitspraken op bezwaar vernietigd. De rechtbank heeft vervolgens de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.520, de navorderingsaanslag WAZ 2001 verminderd tot een berekend naar een heffingsgrondslag van € 5.786 en de opgelegde boetes verminderd tot 25% van de na te vorderen belasting respectievelijk premie, met in achtneming van de hiervoor vermelde verminderingen.

Tegen deze uitspraak heeft de gemachtigde van belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 8 oktober 2007, bij het Hof ingekomen op dezelfde dag, aangevuld bij brief van 8 november 2007. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2008. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. Aldaar is verschenen M.R. Grégoire namens de inspecteur, tot bijstand vergezeld door P.M. Weijers. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Ter zitting is het onderhavige hoger beroep gezamenlijk behandeld met die van de heer [Y], de echtgenoot van belanghebbende (procedurenummers 07/00766 tot en met 07/00771).

2. Overwegingen

2.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld:

“2.1. [Belanghebbende] drijft sinds juni 2000 een onderneming. De activiteiten van de onderneming bestaan uit exploitatie van een zogenoemd bruin-buurtcafé. De onderneming is tot en met 31 december 2001 in de vorm van een vennootschap onder firma (VOF) gedreven. Firmanten waren [belanghebbende] en haar echtgenoot. De winstverdeling bedroeg 50%-50%. In verband met gezondheidsproblemen van [belanghebbende] is de VOF omgezet in een eenmanszaak en is de onderneming vanaf 1 januari 2002 voor rekening en risico van de echtgenoot van [belanghebbende] gedreven.

2.2. Op 24 augustus 2005 is een boekenonderzoek aangekondigd. Het rapport van het op 16 september 2004 ingestelde onderzoek is gedagtekend 4 april 2005. Een afschrift van het rapport is verzonden aan de adviseur van [belanghebbende].

2.3. In genoemd rapport constateert [de inspecteur] dat de kasadministratie geen betrouwbare basis voor de winstberekening is, dat de uit de administratie blijkende brutowinstpercentages van de jaren 2001 tot en met 2003 onverklaarbaar afwijken ten opzichte van de branchegegevens en dat de uitkomst van de theoretische omzetberekening aan de hand van afnameoverzichten en de door [belanghebbende] gehanteerde verkoopprijzen, onaanvaardbaar afwijkt van de verantwoorde omzet.

Hieraan wordt in het rapport de conclusie verbonden dat de administratie niet kan dienen als betrouwbare grondslag voor de fiscale winstberekening en dat de administratie van de onderneming in de jaren 2001 tot en met 2003 dusdanig ernstige tekortkomingen kent dat de door [belanghebbende] gevoerde administratie verworpen wordt.

2.4. De winst over de jaren 2001 tot en met 2003 heeft [de inspecteur] als volgt herberekend.

2.4.1. Aan de hand van de administratie zijn brutowinstpercentages vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met de volgende uitgangspunten:

- Bij het vaststellen van de inkoopwaarden van de omzet hoog (alcoholische danken) en omzet laag (alcoholvrije dranken) is rekening gehouden met het privé gebruik goederen zoals aangegeven in de jaarstukken in de verhouding 90%-10%.

- De omzet totaal bestaat alleen uit de omzetten hoog en laag tarief (omzet speelautomaten en omzet biljard zijn buiten de berekening gelaten).

2.4.2. Door [de inspecteur] is aan de hand van de afnameoverzichten van [leverancier A] en [leverancier B], gemiddelde aantallen consumpties per liter ingekochte drank en de door [belanghebbende] gehanteerde verkoopprijzen een berekening gemaakt van het gewogen brutowinstpercentage met betrekking tot alcoholische en alcoholvrije dranken.

2.4.3. Met behulp van de aan de hand van de administratie vastgestelde inkoopwaarden (2.4.1) en de berekende brutowinstpercentages (2.4.2) is de theoretische omzet berekend. Het verschil tussen de aldus berekende omzet en de aangegeven omzet is in de winst van [belanghebbende] opgenomen.

2.4.4. Voor wat betreft 2001 heeft [de inspecteur] voorts een bedrag van € 1.972 als niet verantwoorde omzet speelautomaten in de winst opgenomen.

2.4.5. De gecorrigeerde winsten heeft [de inspecteur] op grond van de hiervoor weergegeven berekeningen vastgesteld op € 55.007 (2001), € 56.860 (2002) en € 38.768 (2003).

2.5. De gecorrigeerde winsten vormen de grondslag voor de correcties in de IB/PVV, de WAZ en de ZFW. De gecorrigeerde winst 2001 is in de verhouding 50%-50% over beide vennoten verdeeld. De gecorrigeerde winst 2002 is volledig toegerekend aan de heer [Y]. De navorderingsaanslagen zijn gebaseerd op deze correcties.

2.6. Het bij de aanslag IB/PVV 2001 vastgestelde belastbaar inkomen mondde uit in een verlies en bedroeg € 9.292 negatief. Dit negatieve inkomen is verrekend met het positieve inkomen van eiseres over het jaar 1999 middels een carry-back beschikking. Het belastbaar inkomen 1999 was aldus verminderd van een bedrag van f 9.804 tot een bedrag van f nihil. Omdat de winst uit onderneming over het jaar 2001 is gecorrigeerd, wordt het belastbaar inkomen uit werk en woning over dat jaar positief. Middels de onderhavige navorderingsaanslag IB/PVV 1999 is deze verliesverrekening teruggedraaid.”

Tegen de vaststelling van deze feiten door de rechtbank is in hoger beroep geen bezwaar ingebracht. Het Hof zal eveneens van deze feiten uitgaan.

2.2. In hoger beroep is evenals in eerste aanleg in geschil of de inspecteur terecht is uitgegaan van de omkering van de bewijslast, en of de inspecteur terecht en met de juiste bedragen de aangegeven omzet heeft verhoogd en boetes heeft opgelegd over de nagevorderde bedragen.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de inspecteur bevestigend.

2.3. De rechtbank heeft – kort samengevat weergegeven – geoordeeld dat de inspecteur ten onrechte is uitgegaan van omkering van de bewijslast, heeft de omzetcorrectie (en daarmee de navorderingsaanslagen) verminderd, en heeft het gehanteerde boetepercentage van 25 procent instandgehouden.

Administratieplicht en bewaarplicht

2.4. Artikel 52, eerste en zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luiden:

“1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

(…)

6. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.”

Ten aanzien van de verplichting tot het doen van aangifte en de bewaarplicht van de administratie bepaalt artikel 27e, aanhef en onderdeel b van de AWR (voor zover hier van belang):

“Indien:

(…)

b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 41, tweede lid, 47, 47a, 49, 52 (…)

verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

De vorige zin vindt geen toepassing, voor zover het beroep is gericht tegen een vergrijpboete.”

2.5. Onder verwijzing naar de bevindingen tijdens het ingestelde boekenonderzoek heeft de inspecteur gesteld dat de kasadministratie van belanghebbende niet correct is bijgehouden. Belanghebbende heeft deze stelling niet dan wel onvoldoende bestreden. Het Hof overweegt in dit verband dat het jaarlijkse beginsaldo van het kasboek niet aansluit op de jaarstukken.

Het Hof acht – met de rechtbank (zoals geformuleerd in overweging 4.3 van haar uitspraak, met een verwijzing naar de jaaromzet speelautomaten) – de hiervoor door belanghebbende gegeven verklaring onvoldoende aannemelijk. Bovendien is er in de onderzochte jaren sprake van negatieve kassen. Ook als belanghebbende moet worden gevolgd in zijn daarvoor gegeven verklaring (inhoudende dat zakelijke kosten vanuit privé zijn betaald en de uitgaven wel maar de bijbehorende privé-stortingen niet in de kas zijn verwerkt), houdt deze verklaring in dat erkend wordt dat de kasadministratie niet correct is bijgehouden. Tenslotte heeft de inspecteur gewezen op het in één bedrag en zonder nadere specificatie op de zakelijke bankrekening storten van zowel overtollige kasgelden als de opbrengsten van de speelautomaat (die niet in de het kasboek zijn verwerkt) waardoor controle van de (kas)administratie slechts beperkt mogelijk is.

In een horeca-onderneming zoals die van belanghebbende, waar het merendeel van de transacties per kas wordt verricht, vormt de kasadministratie een essentieel onderdeel van de administratie. Op grond van het bovenstaande is het Hof, met de rechtbank, van oordeel dat de kasadministratie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

2.6. De inspecteur heeft gesteld (verweerschrift in eerste aanleg, bladzijde 3), daarin niet weersproken door belanghebbende, dat de aantekeningen van de dagelijkse omzetten niet zijn bewaard.

Het betreft primaire vastleggingen die onlosmakelijk deel uitmaken van belanghebbendes administratie. Door deze bescheiden niet te bewaren, heeft eiser voor de onderhavige jaren niet voldaan aan de op hem de rustende bewaarplicht van artikel 52, zesde lid, van de AWR.

2.7. Tijdens zijn controle heeft de controlerend ambtenaar een theoretische omzetberekening opgesteld, op basis van de inkopen bij [leverancier A] en [leverancier B] zoals verwerkt in de administratie, de in de branche gebruikelijke schenknormen, en de in het café gehanteerde verkoopprijzen. De uit deze berekening voortvloeiende brutowinstpercentages wijken in betekenende mate af van de door belanghebbende gerealiseerde percentages.

Zo komt de controleur voor het jaar 2001 tot door belanghebbende te realiseren brutowinstpercentages van 292% voor alcoholhoudende dranken (omzet hoog) en 318% voor alcoholvrije dranken (omzet laag), terwijl uit de jaarstukken brutowinstpercentages volgen van respectievelijk 204% en 166%.

Voor het jaar 2002 komt de controleur tot brutowinstpercentages van 288% (omzet hoog) en 272% (omzet laag) terwijl uit de jaarstukken brutowinstpercentages volgen van respectievelijk 197% en 242%.

Ook als gemachtigde moet worden gevolgd in zijn stelling dat na herberekening (door de inkopen te ‘schonen’ van inkopen die niet tot omzet leiden) van de brutowinstpercentages uit de jaarrekening hogere percentages volgen, is naar het oordeel van het Hof nog altijd sprake van aanzienlijke verschillen die door belanghebbende niet of in onvoldoende mate zijn verklaard.

2.8.1. Door de gemachtigde is in dit verband een berekening overgelegd van [C], adviseur van de [branchevereniging]. Op basis van inkopen, schenknormen en verkoopprijzen (en daarmee de methodiek van de controleur volgend) komt [C] tot brutowinstpercentages die weinig verschil vertonen met de percentages die volgen uit de jaarrekeningen. In de rapportage van [C] is onder meer het volgende vermeld:

“[De echtgenoot van belanghebbende] gaf aan hoeveel borrels hij schenkt uit een fles sterke drank van een liter, dat zijn er 21, uit een fles van 70cl 15, uit een fles wijn 5 glazen, uit een liter tankbier 3,5 glazen. Dit zijn voor mij volstrekt normale hoeveelheden. Ik houd daarbij rekening met schenkverlies, breuk, eigen gebruik en weggevertjes.

Door [de controlerend ambtenaar] is een gedetailleerde berekening bijgevoegd bij zij rapport over de in- en verkoop van de verkochte dranken. Hij gaat daarbij uit van verkoopprijzen opgegeven door [de echtgenoot van belanghebbende], maar dit zijn de prijzen van 2003 en golden dus niet in 2001 en 2002.”

2.8.2. Omtrent de wederzijdse berekeningen overweegt het Hof als volgt.

In het door belanghebbende gedreven ‘bruin café’ wordt vooral bier geschonken. Uit de berekeningen van [C] en de controlerend ambtenaar komt naar voren dat zo’n driekwart van de omzet wordt behaald met bier. Het betreft ‘kelderbier’, het bier wordt getapt uit een in de kelder geplaatst vat van 1.000 liter. Bij het in hoger beroep ingediende verweerschrift heeft de inspecteur een bijlage gevoegd waarin informatie is vermeld die afkomstig is van de website van [de branchevereniging].

Met betrekking tot de berekening van het aantal glazen dat uit een fust bier kan worden geschonken is het volgende opgemerkt: “Bij de berekening is 10% verlies (5 à 6 liter per fust van 50 liter) meegenomen. Bij gebruik van een kelderbier installatie of computertap zal dit verlies kleiner zijn.” En voorts: “Verder is bij deze berekening meegenomen 10% verlies (aantap, foutief tappen, reiniging etc. dit is ook weer afhankelijk van veel factoren, bijvoorbeeld lengte van uw bierleidingen). Bij gebruik van kelderbier installatie of computertap zal dit verlies kleiner zijn.”

De controleur is bij zijn theoretische omzetberekening uitgegaan van een tapverlies van 16% op het bier (4 glazen van 21 cl per liter bier) en heeft daarmee, naar het oordeel van het Hof, al een ruime marge gehanteerd.

2.8.3. De schenknorm waarvan [C] in zijn berekening is uitgegaan (26% aan tapverlies, 3,5 glas van 21 cl per liter) wijkt niet alleen af van de norm die de controleur heeft gehanteerd, maar tevens van de norm van zijn eigen organisatie ([de branchevereniging]). Gelet op de door de inspecteur ingebrachte gegevens heeft het op de weg van belanghebbende gelegen de door haar gehanteerde schenknorm voor bier (nader) te onderbouwen. Enige onderbouwing is hiervoor echter niet gegeven. Nu deze onderbouwing is uitgebleven kan het Hof de berekening van de bieromzet van adviseur [C] niet volgen. Gelet op het grote aandeel van de omzet bier in de totale omzet van het bruin café van belanghebbende ziet het Hof hierin aanleiding om de rapportage van [C] geheel buiten beschouwing te laten.

2.8.4. Voorzover belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur in de door haar gevolgde berekening van de omzet niet van de juiste verkoopprijzen is uitgegaan verwerpt het Hof ook deze grief, omdat de controlerend ambtenaar – naar hij heeft gesteld en het Hof aannemelijk acht – is uitgegaan van door belanghebbende verstrekte gegevens, ook waar het betreft de jaarlijkse prijsaanpassing.

Omkering van de bewijslast

2.9. Nu de kasadministratie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen er onverklaarbare verschillen zijn geconstateerd tussen de brutowinstpercentages in de jaarstukken en die in de berekening van de controleur kan van de administratie van belanghebbende niet worden gezegd dat daarin op een betrouwbare wijze verslag is gedaan van het met de onderneming van belanghebbende en haar echtgenoot behaalde resultaat. Op deze grond is het Hof van oordeel dat niet is voldaan aan de administratieplicht van artikel 52, eerste lid, van de AWR. Tevens houdt het overwogene onder 2.6 in dat niet is voldaan aan de bewaarplicht van artikel 52, zesde lid, van de AWR. Op beide gebreken staat als sanctie de zogenoemde omkering van de bewijslast van artikel 27e, aanhef en onderdeel b, van de AWR. Dit betekent dat het Hof het hoger beroep tegen de onderhavige navorderingsaanslagen ongegrond zal verklaren tenzij blijkt dat de uitspraken op de bezwaarschriften onjuist zijn.

Redelijke schatting

2.10. De door de inspecteur aangebrachte correcties zijn gebaseerd op een berekening van de controleur, uitgaande van de inkopen door belanghebbende en genormaliseerde aantallen glazen per fles of liter bier, en rekening houdend met schenkverlies, eigen gebruik en ‘weggevertjes’. De inspecteur heeft aldus, naar het oordeel van het Hof, in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat zijn correcties zijn gebaseerd op een redelijke schatting van de door belanghebbende behaalde omzet.

Hetgeen in dit verband door belanghebbende naar voren is gebracht over het aantal glazen per fles of liter bier, het weggeven van bier aan klanten en de door de controleur gehanteerde prijzen, is hiertegenover onvoldoende om te concluderen dat de inspecteur niet is uitgegaan van een redelijke schatting.

2.11. Nu de bewijslast is verschoven naar belanghebbende en verzwaard, terwijl niet aannemelijk is geworden dat de inspecteur bij de bepaling van de hoogte van de door belanghebbende genoten inkomsten niet is uitgegaan van een redelijke schatting, is het aan belanghebbende om ervan te doen blijken (dat wil zeggen, op overtuigende wijze aantonen) dat de bestreden uitspraak onjuist is.

Hetgeen in dit verband door belanghebbende naar voren is gebracht is onvoldoende om te slagen in de op haar rustende, verzwaarde, bewijslast dat de berekening van de inspecteur te hoog is.

2.12. Het Hof voegt hieraan toe dat als de omkering van de bewijslast achterwege zou zijn gebleven, dit belanghebbende niet had kunnen baten omdat - zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld – de inspecteur met de door hem overgelegde berekeningen in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat door hem terecht omzetcorrecties zijn aangebracht. De rechtbank heeft vervolgens de omvang van de correcties, in goede justitie, teruggebracht tot € 82.000 over de jaren 2001 tot en met 2003 (waarbij de hoogte van de correcties overeenkomt met een eerder aangeboden compromis). In hoger beroep zijn geen nieuwe, concrete argumenten naar voren gebracht op basis waarvan moet worden geoordeeld dat de berekening van de inspecteur onjuist is of tot een hoge correctie leidt.

De inspecteur heeft, vooruitlopend op de behandeling van het hoger beroep, de navorderingsaanslagen reeds ambtshalve teruggebracht overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.

Het Hof ziet, ook indien zou moeten worden uitgegaan van de normale bewijslastverdeling, geen aanleiding tot verdere vermindering.

Boetes

2.13.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat het te laag verantwoord hebben van de omzet door belanghebbende het gevolg is van een ernstige nalatigheid van belanghebbende met betrekking tot de administratie van haar onderneming, zodat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting en premies is geheven. De inspecteur heeft zich in zijn verweerschrift in hoger beroep aan het oordeel van de rechtbank geconformeerd. Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting van het Hof bevestigd dat hij van opvatting is dat bij belanghebbende sprake was van (grove) schuld en dat de boetes derhalve moeten worden opgelegd naar 25% van de nagevorderde bedragen.

Zoals hiervoor overwogen is het Hof van oordeel dat belanghebbende een belangrijk gedeelte van de door haar behaalde omzet niet heeft verantwoord in zijn jaarrekeningen over 2001 en 2002 als gevolg waarvan voor een te laag bedrag aangifte is gedaan. Het Hof acht het aannemelijk dat dit het gevolg is van ernstige nalatigheden van belanghebbende met betrekking tot het voeren van haar administratie. Op deze grond is het Hof van oordeel dat belanghebbende dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven, en dienen in beginsel boetes te worden opgelegd van 25% van de nagevorderde bedragen.

2.13.2. In zijn arrest van 18 januari 2008, nr. 41.832, BNB 2008/165, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in het kader van het oordeel over de vraag of de opgelegde vergrijpboete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan, onder meer en als strafverminderend element rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat met toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast is komen vast te staan dat te weinig belasting is geheven. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval sprake, zij het dat – zoals ook is overwogen in 2.12 – het Hof niet tot een ander oordeel zou zijn gekomen, indien de hoogte van de verschuldigde belasting met toepassing van de normale bewijsregels zou zijn vastgesteld. Het Hof is derhalve van oordeel dat de toepassing van de zogenoemde omkering van de bewijslast in het onderhavige geval niet tot een verdere strafvermindering heeft te leiden.

2.13.3. Het Hof ziet overigens aanleiding de boetes te matigen tot 20% van de nagevorderde bedragen vanwege de financiële situatie van belanghebbende zoals naar voren gebracht in de pleitnota van gemachtigde bij de behandeling van het beroep bij de rechtbank.

2.13.4. Het Hof ziet reden de boetes verder te matigen tot 15% van de nagevorderde bedragen vanwege het tijdsverloop tussen het moment dat belanghebbende op de hoogte is gesteld van het voornemen tot het opleggen van de boetes (uiterlijk bij het uitbrengen van het controlerapport op 16 september 2004) en de uitspraak van de rechtbank.

Conclusie

2.14. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover het de boetes betreft.

Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof in zoverre de uitspraken van de inspecteur vernietigen en de boetes verminderen tot 15% van de belasting respectievelijk premie die verschuldigd is, met in achtneming van de verminderingen van de navorderingsaanslagen IB/PPP 2001 en WAZ 2001 volgens de uitspraak van de rechtbank.

2.15. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het griffierecht en op vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding gesteld op € 483 in hoger beroep (indienen beroepschrift in appel 1 punt maal € 322 maal wegingsfactor 1 maal factor 1,5 wegens samenhangende zaken) wegens verleende rechtsbijstand. Het bedrag wordt voor de helft toegekend aan belanghebbende en voor de andere helft aan haar echtgenoot.

3. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de boetes betreft;

- verklaart in zoverre het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt in zoverre de uitspraken van de inspecteur;

- vermindert de boetes ter zake van de IB/PVV 2001 en de WAZ 2001 tot 15% van het bedrag van de

desbetreffende navorderingsaanslagen zoals deze volgens de uitspraak van de rechtbank zijn

verminderd;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 242 en wijst de

Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden;

- en gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het

hoger beroep betaalde griffierecht van € 106.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en A.M.J.G. van Amsterdam, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 16 april 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.