Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ3144

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
08/00699
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN8049, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Na instellen beroep is belanghebbende niet meer verplicht taxateur toegang tot woning te verlenen. Normale regels bewijslastverdeling blijven echter gelden zodat belanghebbende - nu hij taxateur toegang weigert - inpandige waardeverminderende factoren aannemelijk moet maken.Op grond van jurisprudentie Hoge Raad (burgerlijke kamer) naast heffings/invorderingsrente geen grond voor schadevergoeding bestaande uit (wettelijke) rente over bedrag waarmee aanslagen worden verminderd of voor vergoeding van rente over het griffierecht."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2009, 1724
FutD 2009-1584
Belastingblad 2009/1465

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 08/00699

16 juli 2009

uitspraak van de zevende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X, te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerknummer 06/2398 van de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 8 mei 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Bergen,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking ingevolge artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 31 maart 2006 de waarde van de onroerende zaak bekend als A-laan 1 te Z (hierna: de woning) voor het tijdvak dat aanvangt op 1 januari 2006 en naar de waardepeildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 663.000.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak, gedagtekend 18 augustus 2006, het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2008, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de waarde van de woning vastgesteld op € 604.000. De rechtbank heeft geen kosten- of schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof ingekomen op 27 juni 2008, aangevuld bij brief van 14 juli 2008. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend met dagtekening 9 september 2008, dat op 11 september 2008 bij het Hof is ingekomen.

Belanghebbende heeft bij brief van 6 mei 2009 nadere stukken ingediend. Afschriften daarvan zijn aan de wederpartij gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

Belanghebbende, die bij aangetekende brief van 25 maart 2009 verzonden aan A-Laan 1, is uitgenodigd voor de zitting, is niet verschenen. De griffier heeft door raadpleging van de ‘track and trace’ gegevens van TNT-post waargenomen dat de aangetekende brief is aangeboden.

2.Feiten

2.1 Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning. De woning heeft een inhoud van circa 589 m3 en een grondoppervlakte van 1200 m2. Bouwjaar van de woning is ca. 1972.

2.2. Ter staving van de door hem verdedigde waarde heeft de heffingsambtenaar bij het verweerschrift een na het instellen van beroep opgemaakt taxatierapport overgelegd opgesteld door taxateur R. Schoon. In dat rapport wordt geconcludeerd tot een waarde in het economisch verkeer van € 604.000. De taxateur heeft zijn standpunt met betrekking tot de waarde van de woning onderbouwd met de volgende marktgegevens:

adres bouwjaar Inhoud Grondoppervlakte verkoopprijs datum

A-laan 2 1980 760 m3 1925 m2 € 680.670 22-6-2001

B-weg 3 1977 510 m3 710 m2 € 485.545 9-1-2002

C-straat 4 1974 627 m3 997 m2 € 657.981 1-5-2001

2.3. Ten aanzien van de woning is in de taxatie uitgegaan van een normale staat van onderhoud gerelateerd aan het bouwjaar. De exacte staat van onderhoud heeft de taxateur niet kunnen beoordelen. Ten behoeve van de taxatie is de woning uitsluitend uitpanding opgenomen nu, volgens het taxatierapport, belanghebbende geen toestemming heeft verleend voor een inpandige opname. De woning is ook overigens door of vanwege de heffingsambtenaar nimmer inpandig opgenomen.

3. Geschil in hoger beroep

Tussen partijen is in geschil of de vastgestelde waarde juist is. Voorts verdedigt belanghebbende dat hem ten onrechte geen kosten- en schadevergoeding is toegekend.

3.1 Standpunten van partijen

Belanghebbende is van mening dat de waarde te hoog is vastgesteld. De heffingsambtenaar is van mening dat de waarde juist is vastgesteld. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken. Daaraan is mondeling toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting. Belanghebbende verzoekt in hoger beroep de vastgestelde waarde te verminderen met 10% en om toekenning van kostenvergoeding (voor bijstand en reiskosten) en van wettelijke rente over het griffierecht en over – naar het Hof verstaat – de vermindering van belastingaanslagen die voortvloeit uit de vermindering van de vastgestelde WOZ-waarde. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende heeft er in eerste aanleg over geklaagd dat hij in de bezwaarfase niet door de heffingsambtenaar is gehoord. Deze klacht faalt omdat ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen een belanghebbende wordt gehoord op zijn verzoek en een dergelijk verzoek door of namens belanghebbende niet is gedaan.

4.2. De omstandigheid dat de uitspraak op bezwaar niet is ondertekend “door een bij name genoemde natuurlijke persoon”, maakt die uitspraak niet nietig en geeft voorts geen reden die uitspraak te vernietigen.

4.3. Het betoog van belanghebbende inhoudende dat reeds een ondeugdelijke motivering van de uitspraak van de rechtbank moet leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep is onjuist nu het Hof de uitspraak van de rechtbank kan bevestigen met verbetering van gronden.

4.4. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de woning worden bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt als waardepeildatum 1 januari 2003. Van belanghebbendes woning is geen op of rond peildatum gerealiseerde verkoopprijs bekend.

4.5. Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat hij de waarde van € 604.000 juist acht bij een normale staat van onderhoud, maar dat die waarde met 10% moet worden verminderd in verband met een mindere of slechte inpandige staat van onderhoud (‘inpandige mankementen’, ‘interne waardeverminderende omstandigheden’).

4.6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1988, nr. 23 925, BNB 1988/160, was belanghebbende nadat beroep is ingesteld niet langer verplicht de heffingsambtenaar of door hem aangewezen deskundigen op de voet van artikel 30 van de Wet WOZ in verbinding met artikel 50 van de AWR toegang tot de woning te verlenen.

4.7. Het onder 4.6. overwogene doet er echter niet aan af dat in de procedure voor de belastingrechter de bewijslast naar redelijkheid dient te worden verdeeld. Die redelijke bewijslastverdeling brengt mee dat de bewijslast van de juistheid van de vastgestelde waarde in beginsel op de heffingsambtenaar ligt maar dat in een geval als het onderhavige waarin een belastingplichtige de taxateur toegang tot de woning weigert het aan die belastingplichtige is om waardeverminderende feiten en omstandigheden die alleen bij inpandige opname kunnen worden waargenomen aannemelijk te maken. Hieraan doet niet af dat de heffingsambtenaar in een eerdere fase (namelijk vóór het instellen van beroep) belanghebbende had kunnen verplichten inpandige opname toe te staan.

4.8. Omtrent de inpandige staat van belanghebbendes woning heeft hij niets concreets aangevoerd. Met hetgeen hij heeft aangevoerd maakt belanghebbende dan ook op geen enkele wijze aannemelijk dat de inpandige staat van onderhoud minder is dan dat bij een woning zoals die van hem met als bouwjaar ca. 1972 als normaal mag worden beschouwd.

Belanghebbende heeft, met andere woorden, niet aannemelijk gemaakt dat de taxateur bij zijn taxatie is uitgegaan van een onjuiste staat van onderhoud.

4.9. Anders dan belanghebbende kennelijk meent is het in een belastingprocedure wel degelijk mogelijk dat een bestuursorgaan terugkomt op eerdere erkenning van bepaalde feiten, zulks nog daargelaten of die omstandigheid zich in dezen voordoet. Het Hof vermag niet in te zien waarom de omstandigheid dat in de uitspraak op bezwaar is vermeld “dat er voldoende rekening is gehouden met de diverse mankementen aan uw object” (zonder dat de woning inpandig was opgenomen) mee zou moeten brengen dat de waarde van de woning wegens gestelde inpandige gebreken moet worden verminderd overeenkomstig het standpunt van belanghebbende en dat het achterwege blijven van een dergelijke vermindering strijd zou opleveren met het vertrouwensbeginsel.

4.10. Belanghebbende heeft aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de zogenaamde ‘Opnamekaart Taxatie Woningen’ niet is overgelegd. Het Hof merkt op dat indien een dergelijke kaart is opgemaakt deze tot de op het geding betrekking hebbende stukken behoort en deze (in kopie) door de heffingsambtenaar had moeten worden overgelegd. Belanghebbende wordt echter door het ontbreken van een dergelijk stuk niet in zijn belangen geschaad omdat de heffingsambtenaar erkent niets te weten van de inpandige staat van de woning en belanghebbende de (tot € 604.000 verminderde) waarde van de woning los van die inpandige staat niet betwist. Het Hof ziet dan ook, bij gebreke van enig redelijk belang, geen grond de zaak aan te houden om de heffingsambtenaar te vragen zodanige kaart – indien deze bestaat – toe te voegen aan de stukken.

4.11. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.4. tot 4.10. ziet het Hof geen aanleiding de vastgestelde waarde van de woning verder te verminderen.

4.12. Het maken van onderscheid bij de toekenning van proceskostenvergoeding tussen bijstand die al dan niet beroepsmatig wordt verleend, levert geen verboden discriminatie op. De beperking ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht van de vergoeding van de kosten van verleende rechtsbijstand tot kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, is dan ook niet in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (in het bijzonder is daarbij geen sprake van discriminatie bij het aanbieden van werk) of enige andere regel van nationaal of internationaal recht.

4.13. Belanghebbende betoogt dat het niet toekennen van een proceskostenvergoeding strijd oplevert met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten omdat – naar het Hof begrijpt – leden van de Koninklijke familie die kosten niet hoeven te maken omdat zij door de overheid zouden worden betaald. Dit betoog faalt. Indien een lid van de Koninklijke familie een belastingprocedure voert, is het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht onverkort van toepassing. Dit brengt onder andere mee dat geen aanspraak bestaat op kostenvergoeding indien door de betrokken belastingplichtige geen kosten zijn gemaakt of het maken van kosten redelijkerwijs niet nodig was.

4.14. Belanghebbende betoogt echter (nu hij niet in aanmerking komt voor vergoeding van kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand) en hij ter zitting van de rechtbank wel is vertegenwoordigd, terecht dat wel recht bestaat op vergoeding van de reiskosten. Het Hof zal een vergoeding voor die kosten alsnog toekennen.

4.15. In zijn arrest van 2 september 2005, nr. C04/104HR, LJN AT2884, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:

“3.8.3 Mede in het licht van de wetsgeschiedenis, strekt de regeling van de vergoeding van de heffings- en invorderingsrente in Iw 1845 - en Iw 1990 - ertoe een algemene en wederkerige regeling te bieden voor verschuldigde schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van de (terug)betaling van een belastingbedrag en beoogt deze een eenvoudig, doelmatig en praktisch uitvoerbaar systeem van gefixeerde compensatie van deswege door de fiscus of de contribuabele geleden renteschade in het leven te roepen. Deze regeling betreft tevens vermindering van een aanslag als gevolg van vernietiging van de aanslag en omvat dus ook gevallen waarin sprake is van een onrechtmatige daad van de fiscus. Art. 18 lid 2 Iw 1845 moet daarom aldus worden uitgelegd dat het een uitputtende regeling bevat van de vergoeding van de onderhavige renteschade en dat daarnaast geen plaats is voor op het burgerlijk recht gebaseerde (aanvullende) vergoeding van compensatoire interessen, ook niet in het geval het betreft teruggaven van belasting wegens een naderhand door de belastingrechter vernietigde aanslag en de Staat deswege uit onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte renteschade”.

Voor schadevergoeding bestaande uit toekenning van (wettelijke) rente over de vermindering van belastingaanslagen die voortvloeit uit de vermindering van de vastgestelde WOZ-waarde bestaat dan ook geen grond.

4.16. Voor vergoeding van rente over het door belanghebbende betaalde griffierecht bestaat evenmin aanleiding. In zijn arrest van 17 december 2004, nr. C03/114, LJN AQ3810, heeft de Hoge Raad overwogen:

“(…)Aangenomen moet immers worden dat bij het bestaan van een op de wet gebaseerde forfaitaire regeling van de proceskosten, (…), slechts in zeer bijzondere gevallen grond bestaat de partij die in een procedure in het ongelijk is gesteld, op grond van onrechtmatige daad te veroordelen tot vergoeding van de gehele schade die de wederpartij als gevolg van het voeren van die procedure heeft geleden”,

en van ‘zeer bijzondere omstandigheden’ is in deze zaak naar het oordeel van het Hof geen sprake.

5 Slotsom en proceskosten

Het hoger beroep is slechts in zoverre gegrond dat de rechtbank heeft verzuimd een reiskostenvergoeding toe te kennen en voorts niet expliciet heeft beslist over het verzoek tot schadevergoeding. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank daarom vernietigen en doen wat de rechtbank had behoren te doen.

In hoger beroep is niet gebleken van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbendes voor vergoeding door de heffingsambtenaar in aanmerking komende proceskosten in eerste aanleg zijn op grond van artikel 1 onderdeel c van Besluit proceskosten bestuursrecht te stellen op € 4 zijnde de reiskosten (per openbaar vervoer tweede klasse) voor het bijwonen van de zitting van de rechtbank. Tevens heeft belanghebbende recht op vergoeding van het griffierecht in beide instanties.

6. Beslissing

Het Hof:

• vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

• verklaart het beroep gegrond;

• vernietigt de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar;

• vermindert de vastgestelde waarde van de woning voor het jaar 2006 tot € 604.000;

• wijst het verzoek tot schadevergoeding af;

• bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht van € 38 (rechtbank) en €107 (gerechtshof) vergoedt;

• veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor een bedrag van € 4.

De uitspraak is gedaan door mr.drs. F.J.P.M. Haas, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S.E.S. Snoey Kiewit, als griffier. De beslissing is op 16 juli 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.