Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ2761

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-06-2009
Datum publicatie
22-07-2009
Zaaknummer
08/00318
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de toelichting bij het amendement Bos c.s. blijkt dat artikel 3.87, elfde lid, van de Wet IB 2001 bewerkstelligt dat, naast de openbaarvervoer-verklaring die wordt afgegeven door de desbetreffende openbaarvervoersonderneming, ook op andere wijze kan worden aangetoond dat de reisafstand met het openbaar vervoer is afgelegd. Hierbij wordt met name gedacht aan de belastingplichtigen die thans gebruik maken van losse kaarten en hierdoor geen OV-verklaring kunnen overleggen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 107).

Op deze wijze heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat werknemers aan wie door de gebruikte kaartsoort geen openbaarvervoer-verklaring wordt verstrekt geen recht zouden hebben op de reisaftrek. Door de combinatie van de door de inhoudingsplichtige opgemaakte reisverklaring met de plaatsbewijzen kan het (directe) verband worden gelegd tussen het woon-werkverkeer en het daadwerkelijk op bepaalde dagen met het openbaar vervoer afgelegde traject. De plaatsbewijzen vormen derhalve een essentieel onderdeel van het te leveren bewijs.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.87
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/43.11 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1575
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P 08/00318

Datum uitspraak: 18 juni 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

tegen

de uitspraak in de zaak no. AWB 07/4332 van de rechtbank Haarlem van 18 februari 2009 in het geding tussen

J, wonende te U,

belanghebbende,

en

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft op 24 maart 2005 haar aangifte inkomstenbelastingbelasting en premie volksverzekeringen ingediend voor het jaar 2004. Belanghebbende heeft in haar aangifte per saldo een bedrag van € 1.396 als reisaftrek openbaar vervoer in mindering gebracht op haar inkomen uit werk en woning.

1.2. De inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag afgeweken van de aangifte. De inspecteur heeft het door belanghebbende in aftrek gebrachte bedrag in verband met de reisaftrek openbaar vervoer niet geaccepteerd.

1.3. Na daartegen ingesteld bezwaar heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 28 juni 2007, het bezwaar afgewezen.

1.4. Bij uitspraak van 18 februari 2008 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.717 en de Staat der Nederlanden gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden. Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 21 maart 2008.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2009.

2. De feiten

Met inachtneming van hetgeen is vermeld in de uitspraak van de rechtbank, de stukken van het geding en van hetgeen ter zitting is verhandeld stelt het Hof de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende is woonachtig in U, zij werkt drie dagen per week in H.

2.2. Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 een bedrag van € 1.396,- als reisaftrek openbaar vervoer in mindering gebracht op haar inkomen uit werk en woning. Dit bedrag is het saldo van het in artikel 3.87 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) vermelde bedrag verminderd met de van haar werkgever ontvangen reisvergoeding.

2.3. Belanghebbende heeft een reisverklaring van haar werkgever betreffende het jaar 2004 aan de inspecteur doen toekomen. Belanghebbende beschikt niet over plaatsbewijzen..Tot de stukken behoren kopieën van giroafschriften waaruit blijkt dat belanghebbende in 2004 betalingen heeft gedaan aan de Nederlandse Spoorwegen (hierna: NS).

2.4. De inspecteur heeft de reisaftrek niet geaccepteerd.

3. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende voor het jaar 2004 recht heeft op de reisaftrek als bedoeld in artikel 3.87 van de Wet IB 2001.

4. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen, waarbij het Hof de door de rechtbank gebezigde termen “eiser” en “verweerder” heeft vervangen door “belanghebbende” en “inspecteur”.

“7. De rechtbank is van oordeel dat [belanghebbende] ook op een andere dan de door [de inspecteur] gestelde wijze aannemelijk kan maken dat zij met het openbaar vervoer naar haar arbeidsplaats heeft gereisd en daarvoor kosten heeft gemaakt. Hetgeen op dit punt al dan niet is besproken tijdens de parlementaire behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel kan aan de uiteindelijke, eenduidige tekst van artikel 16 van de Uitvoeringsregeling niet afdoen. In dit artikel is niet dwingend voorgeschreven dat uitsluitend het overleggen van plaatsbewijzen tezamen met de reisverklaring kan dienen ter onderbouwing van het recht op reisaftrek. Het derde lid van dit artikel spreekt immers slechts over de bevoegdheid van verweerder om, naast de reisverklaring, om plaatsbewijzen te verzoeken. De geldigheid van de reisverklaring is derhalve niet afhankelijk van de aanwezigheid van plaatsbewijzen.

8. Nu hiervoor is vastgesteld dat [belanghebbende] haar recht op reisaftrek ook op andere wijze aannemelijk kan maken, overweegt de rechtbank ten aanzien van de door [belanghebbende] aan [de inspecteur] overgelegde bewijsmiddelen het volgende.

[Belanghebbende] heeft een reisverklaring overgelegd, waarvan [de inspecteur] ter zitting heeft verklaard dat deze voldoet aan de eisen van de Uitvoeringsregeling. Daarnaast heeft [de inspecteur] ter zitting verklaard dat uit de door [belanghebbende] overgelegde kopieën van giro-afschriften is af te leiden dat zij regelmatig plaatsbewijzen heeft aangeschaft bij de NS-stations Utrecht-Overvecht en Hilversum Sportpark. Hiermee heeft [belanghebbende] naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in 2004 met het openbaar vervoer van haar woning naar de arbeidsplaats heeft gereisd.”

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het procesverbaal van het verhandelde ter zitting, dat aan deze uitspraak is gehecht.

6. Relevante bepalingen

Bij de beoordeling van het geschil heeft het Hof de volgende bepalingen in aanmerking genomen.

Artikel 3.87 Wet IB 2001 regelt de toepassing van de reisaftrek voor die gevallen waarin per openbaar vervoer van de woonplaats naar de arbeidsplaats wordt gereisd. Een van de voorwaarden daarbij is, ingevolge het negende lid van artikel 3.87, dat de belastingplichtige beschikt over een openbaar-vervoerverklaring. In het elfde lid van artikel 3.87 is bepaald dat in afwijking van het negende lid bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld om aan een openbaar-vervoerverklaring gelijk te stellen andere aan de persoon van de belastingplichtige herleidbare verklaringen omtrent het gereisd hebben met openbaar vervoer in die gevallen dat door de gebruikte kaartsoort de openbaar-vervoerverklaring niet kan worden verstrekt.

Artikel 16 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling) bepaalt in dit verband in het tweede en derde lid het volgende:

“2. De verklaring, bedoeld in artikel 3.87, elfde lid, van de wet (de reisverklaring) bevat ten minste de volgende gegevens:

a. naam en adres van de inhoudingsplichtige;

b. naam en adres van de belastingplichtige;

c. een door de inhoudingsplichtige ondertekende verklaring, die vermeldt het aantal dagen per week dat de belastingplichtige met het openbaar vervoer naar de plaats of plaatsen van werkzaamheden heeft gereisd.

3. Op verzoek van de inspecteur doet de belastingplichtige de reisverklaring, alsmede de plaatsbewijzen, aan hem toekomen”

7. Overwegingen

7.1. Belanghebbende erkent dat zij niet beschikt over de in artikel 16, derde lid, van de Uitvoeringsregeling vermelde plaatsbewijzen doch is van mening dat zij met de overgelegde kopieën van giroafschriften en de overgelegde reisverklaring voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met het openbaar vervoer - te weten met de NS - naar de plaats van haar werkzaamheden is gereisd en dat zij derhalve recht heeft op de in artikel 3.87 van de Wet IB 2001 bedoelde reisaftrek.

De inspecteur stelt dat belanghebbende alleen recht heeft op reisaftrek als zij aan haar bewijslast voldoet door aan de hand van de reisverklaring en de plaatsbewijzen aan te tonen dat zij met het openbaar vervoer heeft gereisd. Nu belanghebbende geen (originele) plaatsbewijzen kan tonen is aan belanghebbende terecht, zo stelt de inspecteur, geen reisaftrek verleend.

7.2. Het Hof merkt dienaangaande het volgende op. Uit de toelichting bij het amendement Bos c.s. blijkt dat artikel 3.87, elfde lid, van de Wet IB 2001 bewerkstelligt dat, naast de openbaarvervoer-verklaring die wordt afgegeven door de desbetreffende openbaarvervoersonderneming, ook op andere wijze kan worden aangetoond dat de reisafstand met het openbaar vervoer is afgelegd. Hierbij wordt met name gedacht aan de belastingplichtigen die thans gebruik maken van losse kaarten en hierdoor geen OV-verklaring kunnen overleggen (Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 107).

In artikel 16, tweede en derde lid, van de Uitvoeringsregeling is opgenomen dat alsdan, voor zover hier van belang, een reisverklaring opgemaakt door de inhoudingsplichtige dient te worden overgelegd, welke verklaring het aantal dagen per week vermeldt dat de belastingplichtige met het openbaar vervoer naar de plaats van werkzaamheden heeft gereisd, alsmede de plaatsbewijzen. In de Toelichting bij de Uitvoeringsregeling van 19 december 2000, nr. WDB 2000/959M, Stcrt 2000, 250, is hierover onder meer het volgende opgemerkt:

“Voor de inhoudingsplichtige als persoon die deze verklaring kan verstrekken is gekozen uit doelmatigheidsoverwegingen. De inhoudingsplichtige heeft inzicht in het woon-werkverkeer van de belastingplichtige.

(…)

In het derde lid is bepaald dat de belastingplichtige op verzoek van de inspecteur de reisverklaring en de plaatsbewijzen aan hem moet tonen.”

7.3. Op deze wijze heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat werknemers aan wie door de gebruikte kaartsoort geen openbaarvervoer-verklaring wordt verstrekt geen recht zouden hebben op de reisaftrek. Door de combinatie van de door de inhoudingsplichtige opgemaakte reisverklaring met de plaatsbewijzen kan het (directe) verband worden gelegd tussen het woon-werkverkeer en het daadwerkelijk op bepaalde dagen met het openbaar vervoer afgelegde traject. Naar ’s Hofs oordeel vormen de plaatsbewijzen derhalve een essentieel onderdeel van het te leveren bewijs. Het Hof concludeert dat noch uit de tekst van de desbetreffende artikelen uit de wet en Uitvoeringsregeling, noch uit de wetsgeschiedenis of de toelichting bij de Uitvoeringsregeling blijkt dat dit bewijs op een alternatieve wijze kan worden geleverd.

7.4. Slotsom

Uit al het vorenoverwogene volgt dat het gelijk aan de inspecteur is, zodat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal het Hof het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaren.

8. Kosten

Met betrekking tot de proceskosten geldt dat er geen termen aanwezig zijn voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten.

9. De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank en

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. A. Bijlsma, voorzitter van de belastingkamer, A.P.M. van Rijn en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 18 juni 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.