Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1694

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
23-000299-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0697, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omvang hoger beroep. Tenlastegelegd: medeplegen afpersing. Gemotiveerde vrijspraak.

Wetsverwijzingen: 317 Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer 23-000299-08

datum uitspraak 3 juli 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door het openbaar ministerie tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 21 december 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15/750006-04 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1956],

niet op een adres in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven

en zonder adres van een feitelijke verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18 juli 2006, 6 oktober 2006, 4 januari 2007, 2, 3, 5, 12 en 16 april 2007, 7 mei 2007, 27 september 2007, 1, 2, 4, 8, 9, 11, 22, 23, 25, 29 en 30 oktober 2007, 1, 5, 8, 9, 12, 15 en 22 november 2007 en 7 december 2007, en de terechtzittingen in hoger beroep van 28 en 29 augustus 2008, 19 september 2008, 10 november 2008, 10, 11, 17 en 18 december 2008, 14, 16, 21 en 22 januari 2009, 4, 6, 11, 18, 20, 23, 25 en 27 februari 2009, 4, 13, 16, 23 en 27 maart 2009, 8 en 20 april 2009, 4, 6, 7, 12, 20, 25 en 27 mei 2009 en 19 juni 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 augustus 2008 niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep terzake het onder 1 tenlastegelegde feit bepleit. Hij heeft hiertoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de grieven van het openbaar ministerie tegen het vonnis van de rechtbank van 21 december 2007 voor zover dit betrekking heeft op het onder 1 tenlastegelegde feit, blijkens de zijdens het openbaar ministerie ingediende schriftuur van 14 januari 2008, niet zozeer gericht zijn tegen de beslissing van de rechtbank tot vrijspraak, maar tegen de daaraan ten grondslag liggende motivering. Dit levert, aldus de raadsman, geen rechtens te respecteren belang op van het openbaar ministerie bij de handhaving van het ingestelde hoger beroep terzake voornoemd feit, te minder nu tot op heden niet gebleken is van enige aanvulling van het dossier van de verdachte met nader bewijs voor het bestaan van een criminele organisatie en voor deelneming van de verdachte aan die organisatie, zoals bedoeld in de schriftuur van 14 januari 2008.

Op de terechtzittingen van 28 en 29 augustus 2008 is een reactie van het openbaar ministerie op dit verweer uitgebleven.

Het hof heeft hieromtrent ter terechtzitting van 19 september 2008 als volgt overwogen en beslist, zoals neergelegd in het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 september 2008.

Bij vonnis van 21 december 2007 is de verdachte, nadat het openbaar ministerie dienaangaande tot vrijspraak had gerequireerd, door de rechtbank Haarlem vrijgesproken - voor zover thans van belang - van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De officier van justitie heeft op 4 januari 2008 hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 21 december 2007. Uit de akte rechtsmiddel blijkt niet van een beperking van het appel.

Op 15 januari 2008 heeft de officier van justitie een appelschriftuur (gedateerd 14 januari 2008) ingediend. Deze houdt in, voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven, dat het openbaar ministerie zich niet kan verenigen met de vrijspraak van de rechtbank terzake het onder 1 tenlastegelegde feit, nu die vrijspraak berust op het oordeel van de rechtbank dat geen sprake kon zijn van een organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht; het openbaar ministerie, dat de criminele organisatie wél bewezen achtte, had vrijspraak gevorderd omdat vanuit het onderzoek ten aanzien van de verdachte geen deelneming in de zin van dat artikel aan de criminele organisatie kon worden vastgesteld. De appelschriftuur houdt voorts in dat het openbaar ministerie niet uitsluit dat nader onderzoek tot (en met) de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen een andere verdachte in hetzelfde feitencomplex, [medeverdachte 1], nader bewijs aan het licht zal brengen voor het bestaan van de in het onder 1 tenlastegelegde feit bedoelde criminele organisatie alsmede voor deelneming daaraan van de verdachte.

Gelet op het feit dat de officier van justitie blijkens zijn appelschriftuur van mening was dat er destijds nog onvoldoende bewijs voor deelneming van de verdachte aan de bedoelde criminele organisatie voorhanden was en niet uitsloot dat verder onderzoek nader bewijs voor het bestaan van die organisatie en voor deelneming van de verdachte aan die organisatie aan het licht zou brengen, had van het openbaar ministerie in redelijkheid verwacht mogen worden dat in de huidige fase van het proces, op de terechtzittingen van 28 en 29 augustus 2008, waarop de inhoudelijke behandeling is aangevangen, hetzij reeds concreet nader bewijs als in de appelschriftuur bedoeld aan het dossier van de verdachte zou zijn toegevoegd, hetzij zou zijn aangekondigd dat dit binnen een aanvaardbare termijn nog te verwachten valt.

Weliswaar heeft het openbaar ministerie, overeenkomstig zijn brief van 8 augustus 2008, op de terechtzittingen van 28 en 29 augustus 2008 aangekondigd voornemens te zijn zo mogelijk in oktober 2008 enige, niet nader aangeduide, stukken uit of in verband met het Enclave-onderzoek aan het Kolbakdossier te zullen toevoegen, maar deze aankondiging is, in het licht van voornoemde feiten en omstandigheden, niet voldoende concreet en toegesneden op het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde feit.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie niet langer een rechtens te respecteren belang heeft bij handhaving van het hoger beroep voor zover dit het onder 1 tenlastegelegde feit betreft. Van bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is niet gebleken. Op grond van dit oordeel wordt het door de verdediging gevoerde verweer gehonoreerd en zal het hof te zijner tijd, bij de einduitspraak, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep van het vonnis ten aanzien van dit feit.

Bij brief van 3 oktober 2008 heeft het openbaar ministerie, voor zover thans van belang, medegedeeld dat het zich kon vinden in de voormelde, op 19 september 2008 aangekondigde uitspraak van het hof. Het heeft dienovereenkomstig gerequireerd.

Het hof ziet geen aanleiding op dit punt thans anders te oordelen en zal het openbaar ministerie derhalve niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na toelating van de nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 april 2007, ten laste gelegd, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, dat:

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, te weten:

1. op of omstreeks 24 december 2002: (ongeveer) € 1.200.000,- en/of (ongeveer)

€ 1.300.000,- en/of

2. op of omstreeks 30 december 2002: (ongeveer) € 3.176.461,50, en/of

3. in of omstreeks de periode van 09 tot en met 10 januari 2003: (ongeveer) € 1.361.340,60, en/of

4. in of omstreeks de periode van 28 februari tot en met 01 maart 2003: (ongeveer)

€ 3.400.000,-, en/of

5. in of omstreeks de periode van 12 tot en met 14 maart 2003: (ongeveer) € 1.500.000,-, en/of

6. op of omstreeks 2 april 2003: (ongeveer) € 900.000,-, en/of

7. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 23 april 2003: (ongeveer) € 450.000,-, en/of

8. op of omstreeks 27 april 2003: (ongeveer) € 250.000,-, en/of

9. in of omstreeks de periode van 26 tot en met 28 mei 2003: (ongeveer) € 1.499.920,28, en/of

10. in of omstreeks de periode van 24 tot en met 26 juni 2003: (ongeveer) € 2.800.000,-, en/of

11. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 21 juli 2003: (ongeveer) € 400.000,-, en/of

12. in of omstreeks de periode van 24 december 2003 tot en met 07 januari 2004: (ongeveer) USD 2.000.000,-, en/of

13. in de periode 2002 tot en met 2004: (ongeveer) € 50.000,-,

in ieder geval (telkens) enig geldbedrag, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in ieder geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s):

- meermalen, althans eenmaal, tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij, [slachtoffer], werd bedreigd door, althans geweld en/of bedreiging met geweld had te duchten van één of meer (al dan niet hem, [slachtoffer], onbekende) derde(n), waartegen hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) hem, [slachtoffer], zou(den) kunnen beschermen tegen betaling van geld, waardoor die [slachtoffer] (al dan niet in toenemende mate) bang werd gemaakt en/of gehouden, en/of in een (min of meer) afhankelijke positie van hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) werd gebracht en/of gehouden, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij en/of één of meer van zijn gezins- en/of familieleden zou(den) worden gedood als hij niet en/of niet meer en/of niet binnen een gestelde termijn zou betalen, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest betalen en anders niet meer hoefde te betalen en/of anders niet meer mocht betalen, en/of dat hij, verdachte, altijd heel snel te weten kon komen waar die [slachtoffer] zich bevond, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze zich heeft opgehouden vóór of bij de woning en/of vóór of bij een locatie waar die [slachtoffer] op dat moment aanwezig was, althans in de nabijheid van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] thuis heeft/hebben opgezocht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze een (vuur)wapen, in ieder geval een voor bedreiging geschikt voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze die [slachtoffer] bij een oor heeft/hebben gepakt en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd of laten doorschemeren dat een bepaalde (met name genoemde) persoon (op al dan niet korte termijn) zou worden geliquideerd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, gewelddadig tegen het hoofd en/of/althans het lichaam heeft/hebben geslagen en/of geduwd, en/of

- (door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die [slachtoffer] heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer] voor geweld van de zijde van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) gerechtvaardigd was.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voorzover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en het vonnis van de rechtbank zal bevestigen ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Vrijspraak

Als onderdeel van de als feit 2 tenlastegelegde afpersing of deelneming daaraan, is een aantal vormen van geweld en bedreiging met geweld jegens [slachtoffer] omschreven. Van dit aantal is er blijkens het dossier slechts één bedreiging met geweld waarbij de verdachte mogelijk betrokken is; voor zijn betrokkenheid bij de andere geweldshandelingen of bedreigingen bestaan geen aanwijzingen. De bedreiging met geweld waarbij de verdachte mogelijk betrokken is, betreft een incident dat zich op het kantoor van mr. [naam 1] te Amsterdam heeft voorgedaan.

Op grond van het in deze zaak voorhanden bewijsmateriaal is het volgende voldoende komen vast te staan. In december 2002 is [slachtoffer] op het kantoor van mr. [naam 1] door een aantal personen, onder wie [medeverdachte 1], bedreigd met geweld en mede daardoor is [slachtoffer] ertoe gedwongen in elk geval eind december 2002 en in januari 2003 tezamen ruim 4,5 miljoen euro af te geven. De bedreiging werd kracht bijgezet doordat één van de aanwezigen een vuurwapen op [slachtoffer] richtte. De bedreiging vond plaats in de kamer van mr. [naam 1], op diens kantoor, maar zonder dat mr. [naam 1] of een andere advocaat daarbij aanwezig was.

Tot de bewijsmiddelen waaruit volgt dat dit incident zich heeft voorgedaan, behoren vooreerst uitlatingen van [slachtoffer] zelf, zoals gedaan tijdens de zogenaamde achterbankgesprekken. [slachtoffer] heeft daarin ook gezegd dat de verdachte bij het incident aanwezig was maar geen wapen had; [slachtoffer] heeft zich niet expliciet uitgelaten over het aandeel van de verdachte in de bedreiging.

Daarbij komen verklaringen of uitlatingen van een groot aantal personen aan wie [slachtoffer] mededelingen over dit incident heeft gedaan. Enkelen van die personen hebben bovendien zelf waargenomen dat [slachtoffer] bij die mededelingen emotioneel was of dat [slachtoffer] er anderszins blijk van gaf dat het incident grote indruk op hem had gemaakt. De personen die van [slachtoffer] over het incident hadden gehoord, hebben onder de aanwezigen bij het incident veelal niet uitdrukkelijk de verdachte genoemd; sommigen spraken over “Joego’s”. [getuige 1] heeft de verdachte wel als aanwezige genoemd.

Een getuige die haar wetenschap niet aan [slachtoffer] heeft ontleend, is mevrouw [getuige 2], destijds secretaresse op het kantoor van mr. [naam 1]. Haar verklaringen, die in zoverre betrouwbaar zijn te achten, houden het volgende in. Tussen 15 november 2002 en een moment in 2003 heeft een bijeenkomst op het kantoor van mr. [naam 1], in de kamer van mr. [naam 1], plaatsgevonden waarbij [slachtoffer], [medeverdachte 1], de verdachte en mogelijk een of meer andere personen aanwezig waren, zonder dat mr. [naam 1] of een andere advocaat erbij was. Een dergelijke bijeenkomst zonder advocaat kwam op dit kantoor alleen voor als [medeverdachte 1] erbij betrokken was en [getuige 2] vond zo’n bijeenkomst onplezierig omdat er dan iets vervelends of vreemds aan de hand was. De getuige heeft niet verklaard nog iets anders te hebben waargenomen waaruit kan volgen dat [slachtoffer] toen bedreigd is.

Tot de stukken van het geding behoort mede een proces-verbaal van 27 januari 2006 waarin het volgende is vastgelegd. Op 1 december 2003 heeft mr. [naam 1] een gesprek gehad met inspecteur van politie [verbalisant] en officier van justitie mr. Van Straelen. [verbalisant] heeft toen binnengekomen informatie ter sprake gebracht, die inhield dat personen door of vanwege mr. [naam 1] op zijn kantoor waren ontboden en daar op ernstige wijze, met vuurwapens, waren bedreigd door onder anderen [medeverdachte 1] en de verdachte. Mr. [naam 1] heeft daarop toegegeven dat een incident als door [verbalisant] omschreven één maal had plaatsgevonden, bij welke gelegenheid [medeverdachte 1] door middel van de secretaresse van mr. [naam 1] personen had ontboden en die personen vervolgens had bedreigd.

Aan de betrouwbaarheid van dit proces-verbaal doet geenszins af dat mr. [naam 1], blijkens zijn brief van 3 februari 2006 die in het dossier is opgenomen, slechts gezegd wilde hebben dat hij het verhaal over de bedreiging op zijn kantoor eerder had gehoord en heeft ontkend te hebben toegegeven dat zodanig incident zich één maal had voorgedaan. [verbalisant] heeft de in het proces-verbaal neergelegde lezing bij gelegenheid van zijn verhoor bij de rechter-commissaris, waarbij hij ook door mr. [naam 1] is ondervraagd, (ook) op het punt waarop het hier aankomt ten volle bevestigd en nog toegevoegd dat mr. [naam 1] had gezegd: “Maar meneer [verbalisant], het is maar één keer gebeurd.”

Dat de wetenschap van dit incident bij mr. [naam 1] uiteindelijk mede aan een andere bron of bronnen dan [slachtoffer] is ontleend, bijvoorbeeld mevrouw [getuige 2] of andere personen, al dan niet werkzaam op zijn kantoor, is echter niet buiten twijfel komen vast te staan. Als vaststaand moet wél worden aangenomen dat [slachtoffer] in de loop van 2003 met mr. [naam 1] over het incident heeft gesproken.

De verdachte heeft zelf bij zijn verhoren bij de politie op 30 en 31 januari 2006 verklaard : Ik heb op het kantoor van [naam 1] nooit in een kamertje gezeten zonder dat [naam 1] of een andere advocaat erbij was en ik heb [slachtoffer] nooit ontmoet op dat kantoor. Hij is daarvan nadien niet teruggekomen. Blijkens het voorgaande is deze verklaring niet waarachtig.

Wat daarvan evenwel zij, nu slechts één van de getuigen die over de aanwezigheid van de verdachte bij het incident hebben verklaard, haar wetenschap daarover buiten twijfel niet aan [slachtoffer] heeft ontleend en, behalve haar bevinding dat er in het geval van een bijeenkomst zonder advocaat erbij iets vreemds of vervelends aan de hand was, niet heeft verklaard nog iets anders te hebben waargenomen waaruit kan volgen dat [slachtoffer] toen door de verdachte (al dan niet met een ander of anderen) bedreigd is, acht het hof het onderhavige onderdeel van de tenlastelegging niet wettig en overtuigend bewezen. Dat brengt mee dat de verdachte van het onder 2 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover nog aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

2 1.00 STK Diverse, Afluisterapparatuur;

3 1.00 STK Zendapparatuur.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.M.J. Chorus, L.A.J. Dun en A.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van mrs. B. van der Werf en M.B. de Wit, griffiers en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2009.