Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1691

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2009
Datum publicatie
06-07-2009
Zaaknummer
23-000298-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:BC0708, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweer met betrekking tot geldigheid dagvaarding verworpen. Tenlastegelegd 1) criminele organisatie, 2) medeplegen/medeplichtigheid afpersing medeplichtigheid en 3) Gemotiveerde vrijspraak.

Wetsverwijzingen: 140, 285, 420bis Sr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer 23-000298-08

datum uitspraak 3 juli 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld door de verdachte en het openbaar ministerie tegen het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 21 december 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15/751610-06 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1958],

wonende te [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18 juli 2006, 6 oktober 2006, 2, 3, 5, 12 en 16 april 2007, 7 mei 2007, 27 september 2007, 1, 2, 4, 8, 9, 11, 22, 23, 25, 29 en 30 oktober 2007, 1, 5, 8, 9, 12, 16, 19, 22 en 23 november 2007 en 7 december 2007, en de terechtzittingen in hoger beroep van 28 en 29 augustus 2008, 19 september 2008, 10, 11, 17 en 18 december 2008, 14, 16, 21 en 22 januari 2009, 4, 6, 11, 18, 20, 23, 25 en 27 februari 2009, 4, 13, 16, 23 en 27 maart 2009, 8 en 20 april 2009, 4, 6, 7, 12, 20, 25 en 27 mei 2009 en 19 juni 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na toelating van de nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg van 2 april 2007 en na toelating van de wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 10 december 2008, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4]l en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- afpersing van [slachtoffer] (artikel 317 Wetboek van Strafrecht), en/of

- bedreiging van die [slachtoffer] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of

met zware mishandeling (artikel 285 Wetboek van Strafrecht), en/of

- mishandeling van die [slachtoffer] (artikel 300 Wetboek van Strafrecht), en/of

- valsheid in geschrift (artikel 225 Wetboek van Strafrecht), en/of

- witwassen van vermogensbestanddelen, afkomstig van (afpersing van, althans enig misdrijf ten nadele van) die [slachtoffer] en/of één of meer aan hem gelieerd(e) bedrijf/bedrijven (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht), en/of - handelen in strijd met artikel 26, eerste lid Wet wapens en munitie (artikel

55 Wet wapens en munitie);

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldbedragen, te weten:

1. op of omstreeks 24 december 2002: (ongeveer) € 1.200.000,- en/of (ongeveer)

€ 1.300.000,-, en/of

2. op of omstreeks 30 december 2002: (ongeveer) € 3.176.461,50, en/of

3. in of omstreeks de periode van 09 tot en met 10 januari 2003: (ongeveer) € 1.361.340,60, en/of

4. in of omstreeks de periode van 28 februari tot en met 01 maart 2003: (ongeveer)

€ 3.400.000,-, en/of

5. in of omstreeks de periode van 12 tot en met 14 maart 2003: (ongeveer) € 1.500.000,- , en/of

6. op of omstreeks 2 april 2003: (ongeveer) € 900.000,-, en/of

7. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 23 april 2003: (ongeveer) € 450.000,-, en/of

8. op of omstreeks 27 april 2003: (ongeveer) € 250.000,-, en/of

9. in of omstreeks de periode van 26 tot en met 28 mei 2003: (ongeveer) € 1.499.920,28, en/of

10. in of omstreeks de periode van 24 tot en met 26 juni 2003: (ongeveer) € 2.800.000,-, en/of

11. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 21 juli 2003: (ongeveer) € 400.000,-, en/of

12. in of omstreeks de periode van 24 december 2003 tot en met 07 januari 2004: (ongeveer) USD 2.000.000,-, en/of

13. in de periode 2002 tot en met 2004: (ongeveer) € 50.000,-,

in ieder geval (telkens) enig geldbedrag, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in ieder geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s)

- meermalen, althans eenmaal, tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij, [slachtoffer], werd bedreigd door, althans geweld en/of bedreiging met geweld had te duchten van één of meer (al dan niet hem, [slachtoffer], onbekende) derde(n), waartegen hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) hem, [slachtoffer], zou(den) kunnen beschermen tegen betaling van geld, waardoor die [slachtoffer] (al dan niet in toenemende mate) bang werd gemaakt en/of gehouden, en/of in een (min of meer) afhankelijke positie van hem, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s) werd gebracht en/of gehouden, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij en/of één of meer van zijn gezins- en/of familieleden zou(den) worden gedood als hij niet en/of niet meer en/of niet binnen een gestelde termijn zou betalen, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest betalen en anders niet meer hoefde te betalen en/of anders niet meer mocht betalen, en/of dat hij, verdachte, altijd heel snel te weten kon komen waar die [slachtoffer] zich bevond, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze zich heeft opgehouden vóór of bij de woning en/of vóór of bij een locatie waar die [slachtoffer] op dat moment aanwezig was, althans in de nabijheid van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] thuis heeft/hebben opgezocht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze een (vuur)wapen, in ieder geval een voor bedreiging geschikt voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze die [slachtoffer] bij een oor heeft/hebben gepakt en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd of laten doorschemeren dat een bepaalde (met name genoemde) persoon (op al dan niet korte termijn) zou worden geliquideerd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, gewelddadig tegen het hoofd en/of/althans het lichaam heeft/hebben geslagen en/of geduwd, en/of

- (door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die [slachtoffer] heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer] voor geweld van de zijde van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) gerechtvaardigd was;

2. subsidiair

dat [medeverdachte 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, te Amsterdam en/of/althans (elders) in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen,

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en), te weten:

1. op of omstreeks 24 december 2002: (ongeveer) € 1.200.000,- en/of (ongeveer)

€ 1.300.000,-, en/of

2. op of omstreeks 30 december 2002: (ongeveer) € 3.176.461,50, en/of

3. in of omstreeks de periode van 09 tot en met 10 januari 2003: (ongeveer) € 1.361.340,60,

en/of

4. in of omstreeks de periode van 28 februari tot en met 01 maart 2003: (ongeveer)

€ 3.400.000,- en/of

5. in of omstreeks de periode van 12 tot en met 14 maart 2003: (ongeveer) € 1.500.000,-,

en/of

6. op of omstreeks 2 april 2003: (ongeveer) € 900.000,-, en/of

7. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 23 april 2003: (ongeveer) € 450.000,-, en/of

8. op of omstreeks 27 april 2003: (ongeveer) € 250.000,-, en/of

9. in of omstreeks de periode van 26 tot en met 28 mei 2003: (ongeveer) € 1.499.920,28, en/of

10. in of omstreeks de periode van 24 tot en met 26 juni 2003: (ongeveer) € 2.800.000,-, en/of

11. in of omstreeks de periode van 18 tot en met 21 juli 2003: (ongeveer) € 400.000,-, en/of

12. in of omstreeks de periode van 24 december 2003 tot en met 07 januari 2004: (ongeveer)

USD 2.000.000,-, en/of

13. in de periode 2002 tot en met 2004: (ongeveer) € 50.000,-,

in ieder geval (telkens) enig geldbedrag, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in ieder geval aan (een) ander(en) dan aan die [medeverdachte 1] en/of (een van) zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) diens mededader(s)

- meermalen, althans eenmaal, tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij, [slachtoffer], werd bedreigd door, althans geweld en/of bedreiging met geweld had te duchten van één of meer (al dan niet hem, [slachtoffer], onbekende) derde(n), waartegen die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s) hem, [slachtoffer], zou(den) kunnen beschermen tegen betaling van geld, waardoor die [slachtoffer] (al dan niet in toenemende mate) bang werd gemaakt en/of gehouden, en/of in een (min of meer) afhankelijke positie van die [medeverdachte 1], en/of (één of meer van) zijn mededader(s) werd gebracht en/of gehouden, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij en/of één of meer van zijn gezins- en/of familieleden zou(den) worden gedood als hij niet en/of niet meer en/of niet binnen een gestelde termijn zou betalen, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat hij moest betalen en anders niet meer hoefde te betalen en/of anders niet meer mocht betalen, en/of dat die [medeverdachte 1] altijd heel snel te weten kon komen waar die [slachtoffer] zich bevond, althans woorden van een dergelijke dreigende aard en/of strekking, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze zich heeft opgehouden vóór of bij de woning en/of vóór of bij een locatie waar die [slachtoffer] op dat moment aanwezig was, althans in de nabijheid van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] thuis heeft/hebben opgezocht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze een (vuur)wapen, in ieder geval een voor bedreiging geschikt voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft/hebben voorgehouden en/of getoond en/of op die [slachtoffer] heeft/hebben gericht, en/of

- meermalen, althans eenmaal, op een voor die [slachtoffer] dreigende wijze die [slachtoffer] bij een oor heeft/hebben gepakt en/of tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd of laten doorschemeren dat een bepaalde (met name genoemde) persoon (op al dan niet korte termijn) zou worden geliquideerd, en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, gewelddadig tegen het hoofd en/of/althans het lichaam heeft/hebben geslagen en/of geduwd, en/of

- (door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die [slachtoffer] heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer] voor geweld van de zijde die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s) gerechtvaardigd was;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, op/in of omstreeks 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, bestaande dat verschaffen van gelegenheid, en/of die middelen en/of die inlichtingen uit, en/of bestaande die behulpzaamheid daarin, dat daartoe opzettelijk

- verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, op of omstreeks 27 april 2003, althans in (april) 2003, althans in de periode van 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, (namens die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s)) één of meerdere geldbedrag(en), (waaronder) een geldbedrag van (ongeveer) € 250.000,-), in ontvangst heeft genomen van die [slachtoffer], al dan niet door tussenkomst van [slachtoffer] en/of een derde, en/of;

- verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, in (de periode van) 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004, eenmaal of meermalen (namens die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s)) (een) afspra(a)k(en) heeft gemaakt met die [slachtoffer], betreffende (een) ontmoeting(en) met die [medeverdachte 1], althans aan die [slachtoffer] eenmaal of meermalen (namens die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s)) de tijd en/of de plaats heeft doorgegeven van (een) (voorgenomen) ontmoeting(en) van die [medeverdachte 1] met die [slachtoffer], en/of;

- verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, in het jaar 2003, althans in (de periode van) 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 (namens die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s)) eenmaal of meermalen de stukken betreffende de verkoop in (april) 2003 van het World Fashion Center te Amsterdam door (onder meer) die [slachtoffer] en/of vennootschappen van die [slachtoffer] aan een viertal Zwitserse vennootschappen heeft ingezien, en/of;

- verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, in het jaar 2003, althans in (de periode van) 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 (namens die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s)) eenmaal of meermalen aan die [slachtoffer] kenbaar heeft gemaakt dat zou worden gecontroleerd of die [slachtoffer] één of meer betaling(en) had verricht; (en vervolgens)

- verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, in het jaar 2003, althans in (de periode van) 1 januari 2002 tot en met 17 mei 2004 (namens die [medeverdachte 1] en/of (één of meer van) zijn mededader(s)) eenmaal of meermalen, (conform (een) eerder(e) gemaakte afspra(a)k(en) / gegeven instructie(s), heeft gecontroleerd of die [slachtoffer] één of meer betaling(en) had verricht (waaronder een betaling van € 2.800.000,- en een (voorgenomen) betaling van € 700.000,-),

- althans dat verdachte het betalingsbewijs van een betaling van € 2.800.000,- heeft opgehaald, althans heeft ingezien;

- althans dat verdachte het betalingsbewijs van een (voorgenomen) betaling van € 700.000,- heeft opgehaald, althans heeft ingezien, althans dat verdachte aan die [slachtoffer] kenbaar heeft gemaakt dat betalingsbewijs te willen inzien;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 30 januari 2006, te Amsterdam, althans in Nederland en/of in Duitsland en/of in Zwitserland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (één of meer) van zijn mededader(s), op of omstreeks (één of meer van) de navolgende tijdstippen (één of meer) voorwerpen, te weten (één of meer) van de navolgende geldbedragen en/of vermogensrechten en/of onroerend goed, verworven en/of voorhanden gehad:

A. in (april) 2003 een geldbedrag van (ongeveer) € 250.000,- (welk geldbedrag contant door [slachtoffer] namens [slachtoffer] aan verdachte is overhandigd), en/of

B. op of omstreeks 24 december 2002 een geldbedrag van (ongeveer) € 1.200.000,- (op bankrekening [rekeningnummer] ten name van [medeverdachte 3] met als omschrijving 'koopsom aandelen [bedrijf 1]'), en/of

C. op of omstreeks 20 februari 2003 een of meer geldbedragen tot een totaal van (ongeveer) € 4.000.000,- (in de vorm van één of meer overboekingen met als omschrijving (hypothecaire) lening(en) van € 1.750.000,- en/of € 2.250.000,- van [bedrijf 3]. aan [bedrijf 2]), en/of

D. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of

E. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of

F. in 2002 een perceel grond, gelegen aan de [adres] ([kadastrale aanduiding]), en/of

G. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of

H. in 2002 het bedrijfspand (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of

I. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of

J. in 2002 het appartementsrecht (plaatselijk bekend als:) [adres], en/of

K. in 2002 het bedrijfspand met erf (plaatselijk bekend als:) [adres] en [adres],

(telkens) zulks terwijl hij, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit afpersing, in elk geval uit enig misdrijf.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Geldigheid van de dagvaarding

Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig dient te worden verklaard op de gronden dat

- het onder 2 primair, eerste gedachtestreepje, tenlastegelegde, inhoudende dat de verdachte [slachtoffer] in een afhankelijke positie heeft gebracht en/of gehouden door hem mede te delen hem te zullen beschermen tegen geweld en/of bedreiging met geweld door derden, een gedraging betreft die geen geweld of bedreiging met geweld inhoudt en dus niet als afpersing kan worden gekwalificeerd;

- het onder 2 subsidiair, eerste gedachtestreepje, tenlastegelegde, inhoudende dat de verdachte € 250.000,- in ontvangst heeft genomen, een handeling betreft die in de tenlastegelegde afpersing van zo overwegende betekenis is dat deze nooit de kwalificatie medeplichtigheid kan opleveren, maar automatisch medeplegen oplevert.

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat de door de raadsman bedoelde onderdelen van de tenlastelegging niet op zichzelf staan, maar in verband met de overige onder 2 primair en subsidiair genoemde feiten en omstandigheden moeten worden bezien, terwijl die omschrijvingen voldoende duidelijk zijn, zodat het verweer faalt.

Het hof overweegt en beslist als volgt.

Zoals door het openbaar ministerie betoogd, mogen de afzonderlijke gedragingen, opgenomen in het onder 2 primair respectievelijk 2 subsidiair tenlastegelegde, niet geïsoleerd worden beschouwd, maar dienen zij in samenhang met de overige in de onderscheiden feitelijke omschrijvingen genoemde omstandigheden te worden bezien.

Hetgeen de verdachte onder 2 primair, eerste gedachtestreepje, is tenlastegelegd, dat overigens tevens inhoudt dat [slachtoffer] bang werd gemaakt, kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beschrijving van de aanvang van de jegens [slachtoffer] uitgeoefende dwang, die in het vervolg van de tenlastelegging verder wordt omschreven. De door de raadsman bedoelde gedraging behoeft niet reeds op zichzelf geweld of bedreiging met geweld op te leveren.

Het onder 2 subsidiair tenlastegelegde in ontvangst nemen van € 250.000,- maakt deel uit van verschillende aan de verdachte verweten gedragingen waaruit zijn medeplichtigheid aan de gedwongen afgifte van vele geldbedragen door [slachtoffer] zou hebben bestaan. In die samenhang bezien, kan de stelling van de raadsman dat de ontvangst van € 250.000,- alleen medeplegen kan opleveren, niet als juist worden aanvaard.

Het voorgaande brengt mee dat het verweer wordt verworpen.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het onder 1, 2 primair, 2 subsidiair 1 tot en met 7, en 3 sub B en C tenlastegelegde, en de verdachte zal veroordelen voor het onder 2 subsidiair 8 tot en met 12, en 3 sub A en D tot en met K tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Vrijspraak

Het openbaar ministerie acht niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 primair is tenlastegelegd, en heeft terzake vrijspraak gevorderd.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat de verdachte wel zal worden veroordeeld ter zake van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde, te weten medeplichtigheid aan afpersing van [slachtoffer] door [medeverdachte 1], al dan niet met een of meer anderen, zij het slechts met betrekking tot de contante betaling op 27 april 2003 van € 250.000,- (feit 2 subsidiair sub 8) en de betalingen aan [naam A] van € 1.499.920,28 in mei 2003, € 2.800.000,- in juni 2003, € 400.000,- in juli 2003 en USD 2.000.000,- in december 2003/januari 2004 (feit 2 subsidiair sub 9 t/m 12). Voorts heeft het openbaar ministerie gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld ter zake van onder 3 tenlastegelegde, te weten witwassen, al dan niet met een of meer anderen, van door afpersing van [slachtoffer] verkregen vermogensbestanddelen, zij het slechts met betrekking tot voormelde contante betaling en de zogenaamde Wallenpanden (feit 3 sub A respectievelijk D t/m K).

Het hof overweegt als volgt.

Met het openbaar ministerie en de verdediging is het hof van oordeel dat niet is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 primair is tenlastegelegd, noch hetgeen de verdachte onder 2 subsidiair sub 1 t/m 7 en 13 en onder 3 sub B en C is tenlastegelegd.

Ten aanzien van het verder onder 2 subsidiair tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Het openbaar ministerie heeft vooreerst het volgende naar voren gebracht. Het bewijs van de medeplichtigheid aan afpersing vloeit in belangrijke mate voort uit de aard van de relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 1]. Deze relatie is manifest door hun beider betrokkenheid bij bedrijven op de Wallen in de periode tot medio 1996. Hoewel [medeverdachte 1] rond eind 1996 daar uit beeld leek te verdwijnen, bleef hij feitelijk nauw bij enkele van die, intussen aan [slachtoffer] toebehorende, bedrijven betrokken. Dit blijkt uit het gegeven dat hij [slachtoffer] aldaar een baantje heeft aangeboden en uit diverse telefoongesprekken die de verdachte met [medeverdachte 1] heeft gevoerd in de periode tot en met 2001. Daaruit valt af te leiden dat [medeverdachte 1] een belangrijke stem had in de bedrijfsvoering en dat de verdachte [verdachte] zich dienstbaar jegens [medeverdachte 1] opstelde. Voorts verleende de verdachte [medeverdachte 1] bijstand bij diens boekhouding en was hij aandeelhouder in een drietal aan [slachtoffer], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gelieerde vennootschappen, waardoor hij controle kon uitoefenen over transacties binnen die vennootschappen. Ook dit past bij zijn dienstbare rol jegens [medeverdachte 1]. Diverse getuigen hebben de verdachte betiteld als de hulp van [medeverdachte 1], hetgeen er eveneens op wijst dat de verdachte [medeverdachte 1] behulpzaam was bij diverse activiteiten.

Ten aanzien van de handelingen van de verdachte waarmee hij [medeverdachte 1] behulpzaam zou zijn geweest bij diens afpersing van [slachtoffer] heeft het openbaar ministerie voorts gewezen op de omstandigheden dat de verdachte afspraken maakte met [slachtoffer] voor ontmoetingen met [medeverdachte 1], dat hij de betalingsopdracht van het door [slachtoffer] naar [bedrijf 4] overgemaakte geld na de verkoop van het [bedrijf 5] [bedrijf 6][bedrijf 5][bedrijf 6] heeft ingezien en bij een andere gelegenheid een overmakingsbewijs heeft opgehaald, alsmede dat hij een voor [medeverdachte 1] bestemde contante betaling van 250.000 euro heeft opgehaald bij [slachtoffer]. Het openbaar ministerie heeft betoogd dat op grond daarvan bij de verdachte opzet moet worden verondersteld, gericht op het behulpzaam zijn van [medeverdachte 1] bij gedragingen jegens [slachtoffer], waarbij de verdachte zich bewust moet zijn geweest van de reële kans dat het daarbij ging om onder bedreiging gedwongen betalingen.

Het hof oordeelt als volgt. Uit de vorenomschreven karakteristieken van de relatie tussen de verdachte en [medeverdachte 1] tot in 2001 valt op zichzelf geen bewijs te putten voor enige strafbare betrokkenheid van de verdachte bij afpersing door [medeverdachte 1] in de tenlastegelegde periode, te weten vanaf 1 januari 2002. Voorts kan uit geen der verklaringen van de terzake gehoorde getuigen en verdachten in het Kolbakonderzoek worden afgeleid dat de verdachte wetenschap had van afpersing van [slachtoffer]. In dit verband komt gewicht toe aan het feit dat uit de uitlatingen van [slachtoffer] zelf de betrokkenheid van de verdachte bij zodanig misdrijf niet ondubbelzinnig blijkt, dit terwijl [slachtoffer], door zijn omgang met zowel [medeverdachte 1] als de verdachte, geacht mag worden zicht te hebben gehad op de relatie tussen hen. [slachtoffer]'s uitspraak dat de verdachte “een heel keurige nette jongen” was en uit de uitspraak van [getuige 1] dat de verdachte niet op de hoogte was van criminele activiteiten van [medeverdachte 1], vallen eerder aanwijzingen voor verdachtes onwetendheid te ontlenen. Van belang is dat aan [slachtoffer] geen vragen meer kunnen worden gesteld over mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij jegens [slachtoffer] gepleegde misdrijven.

De verdediging heeft het veronderstelde opzet van de verdachte als volgt betwist. Het gegeven dat de verdachte afspraken maakte voor ontmoetingen tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 1], vindt zijn verklaring hierin dat zij elkaar door publicaties in De Telegraaf niet meer op het kantoor van [slachtoffer] wilden treffen. Overigens heeft de verdachte slechts incidenteel afspraken gemaakt; ook anderen maakten dergelijke afspraken. De contante betaling hield verband met een bestaande schuld van [slachtoffer] aan de verdachte dan wel het aan de verdachte gelieerde bedrijf. De inzage in documenten van de transacties in verband met het [bedrijf 5] kwam voort uit de wens van de verdachte de voldoening van de schuld bancair te doen geschieden en zekerheid te krijgen over de liquiditeit van [slachtoffer]. De verdediging heeft daarbij de aandacht gevestigd op door haar ingebrachte bescheiden die het bestaan van de schuld van [slachtoffer] aan de verdachte en de noodzaak van inlossing daarvan met spoed in 2003 zouden aantonen.

Het hof acht de stellingen waarop die betwisting is gebaseerd, niet overtuigend. Zo is niet aannemelijk dat voor de verdachte de noodzaak bestond bij herhaling afspraken tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer] te arrangeren, al helemaal niet nu niet valt in te zien waarom tussen deze twee geen rechtstreekse communicatie mogelijk was. Ook de uitleg over de achtergronden van de ontvangst van de enveloppe met een groot bedrag aan euro's acht het hof niet plausibel. Evenmin is de noodzaak van inzage in documenten van de transacties in verband met het [bedrijf 5] aannemelijk geworden.

Wat daarvan evenwel zij, naar het oordeel van het hof leveren de hier besproken omstandigheden, in het licht van hetgeen hiervóór is overwogen, noch op zichzelf beschouwd noch in samenhang met andere uit het dossier gebleken omstandigheden bezien, het wettig en overtuigend bewijs op dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt, in het bijzonder dat hij (voorwaardelijk) opzet gericht op behulpzaamheid bij afpersing had. Hetgeen door het openbaar ministerie verder nog is gesteld, maakt dat niet anders. De verdachte behoort derhalve van het onder 2 tenlastegelegde feit ook in zoverre te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het verder onder 3 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

Hiervóór is geoordeeld dat het opzet van de verdachte op medeplichtigheid aan afpersing van [slachtoffer] door [medeverdachte 1] (al dan niet met anderen) niet is bewezen. Ook voor de vaststelling dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij gelden of vermogensbestanddelen onder zich had, die uit afpersing afkomstig waren, ontbreekt toereikend bewijs. Dat geldt ook voor de contante betaling van 250.000 euro die in de tenlastelegging onder A is genoemd. Bovendien kan van de vermogensbestanddelen, genoemd in de tenlastelegging onder D tot en met K, niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat deze uit afpersing of enig ander misdrijf afkomstig zijn. Hetgeen het openbaar ministerie verder nog heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. De verdachte behoort derhalve van het onder 3 tenlastegelegde feit ook in zoverre te worden vrijgesproken.

Het hof concludeert dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 primair en subsidiair en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Gelet hierop behoeven de overige door de verdediging naar voren gebrachte verweren en de gedane verzoeken geen bespreking.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair en subsidiair en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.M.J. Chorus, L.A.J. Dun en A.M. van Woensel, in tegenwoordigheid van mrs. B. van der Werf en M.B. de Wit, griffiers en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 juli 2009.