Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ0720

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-03-2009
Datum publicatie
23-07-2009
Zaaknummer
200.016.176/01 en 200.017.019/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor en voorlopig deskundigenonderzoek afgewezen. In eerste aanleg is inmiddels vonnis gevraagd. Verzoeken overigens in zodanig algemene bewoordingen gesteld dat onvoldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren ze zijn toegesneden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 186
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 202
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

BESCHIKKING

in de zaak van:

[naam appellant],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos te Wassenaar,

t e g e n

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. G. de Leeuw te Zaandam.

1. Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna appellant en geïntimeerden genoemd.

in de zaak met nummer 200.016.176/01:

Appellant is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 oktober 2008, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 7 augustus 2008, onder zaak- en rekestnummer 99454 / HA RK 07-94 gegeven tussen appellant als verzoeker en geïntimeerden als verweerders.

Het beroepschrift strekt ertoe, kort gezegd, dat het hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog een voorlopig getuigenverhoor zal gelasten, met hoofdelijke veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

Appellant heeft voorts desgevraagd nog enkele stukken van de eerste aanleg toegezonden, welke door het hof zijn ontvangen op 7 november 2008.

Op 17 december 2008 is ter griffie van het hof een verweer-schrift met producties van geïntimeerden ingekomen, dat zowel op deze procedure als op de hierna te noemen procedure betrekking heeft. Daarin wordt geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep, met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure in beide instanties.

in de zaak met nummer 200.017.019/01:

Appellant is bij beroepschrift met producties, ontvangen ter griffie van dit hof op 15 oktober 2008, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te Alkmaar van 7 augustus 2008, onder zaak- en rekestnummer 99453 / HA RK 07-93 gegeven tussen appellant als verzoeker en geïntimeerden als verweerders.

Het beroepschrift strekt ertoe, kort gezegd, dat het hof de beschikking waarvan beroep zal vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog een voorlopig deskundigenonderzoek zal gelasten, met hoofdelijke veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

Appellant heeft voorts desgevraagd nog enkele stukken van de eerste aanleg toegezonden, welke door het hof zijn ontvangen op 7 november 2008.

Op 17 december 2008 is ter griffie van het hof eerdergenoemd verweerschrift met producties van geïntimeerden ingekomen. Daarin wordt geconcludeerd, zakelijk weergegeven, tot bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep, met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure in beide instanties.

in beide zaken:

Op 29 januari 2009 heeft de mondelinge behandeling van beide hoger beroepen plaatsgevonden. Bij die gelegenheid heeft appellant de beroepschriften en hebben geïntimeerden hun verweerschrift nader mondeling doen toelichten, ieder door hun eigen raadslieden, voornoemd.

Vervolgens is de behandeling van beide zaken gesloten en is meegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan.

2. De beoordeling

in beide zaken:

2.1. Bij de rechtbank te Alkmaar is tussen partijen een dagvaardingsprocedure aanhangig, waarbij door geïntimeerden in conventie en door appellant c.s. in reconventie enkele vorderingen zijn ingesteld met betrekking tot, kort gezegd, de afwikkeling van de nalatenschap van de op 1 maart 1996 overleden erflater, alsmede de nalatenschap van de op 20 juli 2005 overleden erflaatster, de (tweede) echtgenote van erflater.

2.2. Hangende voormelde bodemprocedure en in verband daarmee heeft appellant twee verzoeken gedaan, één verzoek strekkende tot het doen houden van een voorlopig getuigenverhoor en het tweede verzoek strekkende tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek. Appellant wenst daarmee inzicht te krijgen in de opzet, bedoelingen en wil van erflaatster de (tweede) echtgenote van erflater, alsook in de diverse betalingen die erflater heeft gedaan aan geïntimeerden. Verder wenst appellant een cijfermatige reconstructie op fiscaal en juridisch gebied.

2.3. De rechtbank heeft beide verzoeken afgewezen wegens strijd met een goede procesorde. Van deze afwijzende beslissingen is appellant in hoger beroep gekomen. Gelet op de samenhang tussen beide beroepschriften, hetgeen ook tot uitdrukking komt in de (nagenoeg) identieke processtukken in beide procedures, zal het hof een en ander gezamenlijk beoordelen.

2.4. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de toewijsbaarheid van de in eerste aanleg gedane verzoeken moet worden beoordeeld aan de hand van de huidige stand van het geding van de in eerste aanleg aanhangige bodemprocedure. Ten behoeve van dat geding wenst appellant immers het door hem voorgestane voorlopige getuigenverhoor en deskundigenonderzoek te doen plaatsvinden.

2.5. In dit verband is het volgende van belang. De rechtbank te Alkmaar heeft op 25 juni 2008 in de tussen partijen aanhangige hoofdzaak een tussenvonnis gewezen, waarbij partijen ten aanzien van enkele punten in de gelegenheid zijn gesteld zich nader bij akte uit te laten. Die aktewisseling heeft plaatsgevonden en vervolgens hebben partijen (wederom) vonnis gevraagd. Uitspraak is (nader) bepaald op 4 maart 2009, zo hebben partijen bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep meegedeeld.

2.6. Gelet op het stadium waarin de bodemprocedure zich thans bevindt, is het hof van oordeel dat appellant geen (voldoende) belang heeft bij het verzochte voorlopige getuigenverhoor en deskundigenonderzoek. Nu partijen in die bodemprocedure vonnis hebben gevraagd, kunnen in eerste aanleg geen nieuwe stellingen worden ontwikkeld en kan de uitkomst van het getuigenverhoor en het deskundigenbericht niet meer ten dienste staan van dat geding. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de verzoeken terecht heeft afgewezen.

2.7. Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Ook overigens zouden de onderhavige verzoeken tot voorlopige bewijslevering niet toewijsbaar zijn. De door appellant geformuleerde verzoeken zijn in zodanig algemene bewoordingen gesteld dat onvoldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren de verzoeken zijn toegesneden. Dit brengt mee dat de verzoeken niet beantwoorden aan de eisen die de wet daaraan stelt.

2.8. Het voorgaande leidt ertoe dat de beschikkingen waarvan beroep moeten worden bekrachtigd. Appellant zal in de kosten van de procedure in beide instanties worden veroordeeld. Daarbij wordt het salaris advocaat aan de zijde van geïntimeerden voor beide zaken tezamen begroot op € 452,- voor de eerste aanleg en voor het hoger beroep begroot op € 1.788,- gezien het gecombineerde verweerschrift en de gelijktijdige mondelinge behandeling in beide zaken.

3. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen waarvan beroep;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerden tot op heden in eerste aanleg begroot op € 251,- aan griffierecht en € 452,- aan salaris en in hoger beroep begroot op € 606,- aan griffierecht en € 1.788,- aan salaris.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.L. Broekhuijsen-Molenaar, G.C. Makkink en C.C.W. Lange en is op 10 maart 2009 door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken.