Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI8234

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
16-06-2009
Zaaknummer
200.021.398-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwikkeling huwelijkse voorwaarden, niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 96
JPF 2009/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 12 mei 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.021.398/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANTE,

advocaat: mr. M.G.J.L. van Scherpenzeel te Den Haag,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE,

advocaten: mr. L. Laus te Haarlem,

mr. H. Alacali Çiblak te Haarlem.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 23 december 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 september 2008 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk 120926/2006-265 en 130507/2006-4054.

1.3. De man heeft op 18 februari 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 8 april 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door mr. Alacali Çiblak.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1999 op huwelijkse voorwaarden inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd. De huwelijkse voorwaarden bevatten een periodiek verrekenbeding dat tijdens het huwelijk niet is nagekomen. Hun huwelijk is [in] 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van […] 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. In de tussen partijen bij akte van […] 1999 overeengekomen huwelijkse voorwaarden is - voor zover thans van belang - het navolgende vermeld:

“Verrekening van inkomsten

Artikel 6

1. De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun netto-inkomen in de zin van artikel 4 onverteerd is na aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding en de premies en koopsommen van levensverzekeringen en derdenbedingen.

2. De verdeling heeft plaats doordat de ene echtgenoot aan de andere een bedrag uitkeert zo dat ieder van hen de helft geniet van de door samenvoeging ontstane som. De echtgenoten kunnen andere wijzen van verdeling overeenkomen.

(…)

4. Geen verdeling als bedoeld in lid 1 behoeft plaats te vinden over het kalenderjaar waarin het netto inkomen van een echtgenoot in de zin van artikel 4, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de kosten van de huishouding, tengevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is, alsmede over de volgende kalenderjaren zolang dit verlies niet is ingehaald.”

2.3. Het aanvangsvermogen van de man en de vrouw bedroeg respectievelijk € 135.254,- en € 119.633,-. Het vermogen van de man en de vrouw bedroeg op de tussen partijen overeengekomen peildatum, 1 januari 2006, respectievelijk € 300.959,- en € 21.239,-.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 82.852,50 verschuldigd is, waarop de door de vrouw reeds ontvangen voorschotten in mindering komen. Verder is ten aanzien van de verdeling van de inboedel - voor zover thans van belang - bepaald dat de vrouw de in haar bezit zijnde laptop aan de man zal teruggeven of de man ter vervanging € 1.000,- zal voldoen.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de man terzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aan haar een bedrag van € 105.980,- zal voldoen, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, en dat met het te betalen bedrag de waarde van de laptop, die de vrouw wenst te behouden, ad € 1.000,- kan worden verrekend.

Ter zitting heeft zij verzocht te bepalen dat de man haar terzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, na aftrek van de reeds door haar ontvangen voorschotten, een bedrag van € 82.250,50 zal voldoen, met wijziging van haar verzoek in zoverre.

3.3. De man verzoekt het door de vrouw verzochte ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met dien verstande dat de man zich niet verweert tegen het verzoek van de vrouw met betrekking tot de laptop. Ter zitting heeft hij verzocht de vrouw te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Partijen zijn het er over eens, dat tussen hen nog moet worden verrekend conform artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden, maar zij verschillen van mening over de vraag op welke wijze verrekend dient te worden. Partijen verschillen niet van mening over de hoogte van hun respectieve begin- en eindvermogens.

De vraag is of - zoals de vrouw voorstaat - verrekend moet worden in die zin, dat van de totale eindvermogens van partijen de opgetelde beginvermogens van partijen moeten worden afgetrokken en dat iedere echtgenoot vervolgens recht heeft op een waarde gelijk aan de helft van het aldus gevonden bedrag vermeerderd met zijn beginvermogen.

De man sluit zich aan bij de bestreden beschikking voor de wijze van verrekening.

4.2. Uitgangspunt is, dat partijen zijn gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, hetgeen betekent, dat ieder van de echtgenoten zijn privé vermogen heeft en houdt.

Omdat partijen een periodiek verrekenbeding zijn overeengekomen en de vermogens van partijen privé zijn en blijven moet aan het eind van de werking van de huwelijkse voorwaarden worden vastgesteld welk deel van ieders vermogen voor verrekening in aanmerking komt op grond van artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden en artikel 1:141 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Een verrekening als door de vrouw bepleit zou met zich brengen dat de man niet alleen zijn niet verteerd inkomen met de vrouw moet delen, maar dat hij ook de helft van het door haar gelden verlies zou moeten dragen. Gelet op de tekst van voormelde bepalingen komen verliezen niet voor verrekening in aanmerking, maar alleen niet verteerd inkomen, de beleggingen daarvan of de vruchten van die beleggingen. Partijen zijn het erover eens, dat de vermogensgroei van de man wordt gevormd door niet verteerd inkomen en dat die groei voor verrekening in aanmerking komt. Het vermogen van de vrouw heeft geen groei laten zien, maar daarop heeft zij verlies geleden, onder andere ten gevolge van investeringen in haar onderneming die niet in haar eindvermogen zijn geactiveerd. De rechtbank heeft derhalve met juistheid vastgesteld, dat de man aan de vrouw verschuldigd is de helft van het verschil tussen zijn eindvermogen (€ 300.959,-) en zijn beginvermogen (

€ 165.705,-) is gelijk € 82.852,50 en dat er aan de zijde van de vrouw geen voor verrekening vatbaar vermogen aanwezig is.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat de bestreden beschikking bekrachtigd moet worden.

Ten overvloede merkt het hof op dat het niet kan volgen de stelling van de vrouw dat de door de rechtbank vastgestelde verrekening tot gevolg heeft dat de waarde van de door haar ten huwelijk aangebrachte woning, die tot haar beginvermogen behoorde, aanwast bij de man: na verkoop van die woning heeft de vrouw immers de opbrengst daarvan gestort op een gemeenschappelijke rekening bij Spaarbeleg van haar en de man, op welke rekening de man eveneens stortingen tot een ongeveer gelijk bedrag heeft gedaan; de aldus op die rekening gestorte bedragen zijn door de echtgenoten aangewend voor de aankoop van een nieuwe woning op beider naam, waarvan inmiddels de netto opbrengst na verkoop door partijen buiten de onderhavige verrekening om bij helfte is gedeeld.

4.3. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat het bedrag van de waarde van de laptop van € 1.000,- tussen partijen kan worden verrekend, zal als onweersproken worden toegewezen.

Het hof gaat voorbij aan hetgeen de vrouw ten aanzien van het aan haar betaalde voorschot heeft aangevoerd. Dit betreft een executiegeschil, dat het kader van de onderhavige procedure te buiten gaat.

4.4. Er is onvoldoende aanleiding de vrouw te veroordelen in de kosten van het hoger beroep, zoals door de man is verzocht.

4.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat de man de waarde van de laptop van € 1.000,- met het door hem aan de vrouw verschuldigde mag verrekenen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.M.A. Gerritzen Gunst en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van

mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2009.