Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI6340

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2009
Datum publicatie
04-06-2009
Zaaknummer
23-000190-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LOVS-richtlijnen. Schipholzaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000190-09

datum uitspraak: 28 mei 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 23 december 2008 in de strafzaak onder parketnummer 15-801791-08 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1955],

adres: [adres en woonplaats],

thans uit anderen hoofde verblijvende in [adres Uitzetcentrum].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 9 december 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 14 mei 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 16 oktober 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Een ter terechtzitting gevoerd bewijsverweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat er geen sprake is van opzet, ook niet in de voorwaardelijke vorm, op de invoer van verdovende middelen, nu de verdachte niet wist dat er cocaïne in zijn koffer zat.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daaromtrent als volgt.

De verdachte heeft zijn koffer meegegeven aan een Creoolse man die hij volgens zijn eigen verklaring enkele malen eerder had ontmoet. De verdachte heeft toegestaan dat deze man iets in zijn koffer stopte, maar hij is niet nagegaan wat dit was. Nu de verdachte, die zelf verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn koffer, heeft nagelaten zijn koffer nader te controleren, en het een feit van algemene bekendheid is dat vanuit Suriname zeer veel cocaïne naar Nederland wordt vervoerd, terwijl er iets was ingestopt door een man die hij nauwelijks kende, heeft hij zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat in zijn koffer een cocaïne bevattende stof was verborgen –zoals ook het geval bleek te zijn- en dat hij deze binnen het grondgebied van Nederland zou brengen. Aldus heeft de verdachte het voorwaardelijk opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een stof bevattende cocaïne.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij arresten van 4 november 2008 heeft het hof bij het bepalen van de straf in zaken waarin sprake is van invoer van verdovende middelen in Nederland via de luchthaven Schiphol (de zogeheten Schipholzaken) om redenen van rechtsgelijkheid besloten met onmiddellijke ingang niet meer uit te gaan van de door de Haarlemse rechtbank met ingang van 1 oktober 2007 gehanteerde richtsnoeren voor straftoemeting inzake drugskoeriers (hierna naar spraakgebruik ook de Haarlemse Schipholrichtlijn genoemd). In plaats daarvan heeft het hof kenbaar gemaakt voortaan uit te gaan van de zogeheten LOVS-oriëntatiepunten straftoemeting inzake drugskoeriers, laatstelijk gewijzigd op 31 oktober 2008 (hierna: de LOVS-oriëntatiepunten), die tot dat moment naar de letter genomen niet op Schipholzaken van toepassing waren. Bij genoemde arresten van 4 november 2008 is geen overgangstermijn bepaald. Bij arrest van 22 december 2008 heeft het hof overwogen dat de LOVS-oriëntatiepunten door het hof worden toegepast op drugskoeriers die op of na 4 november 2008 terechtstaan.

Ter nadere toelichting op deze uitspraken dient het volgende.

1. De LOVS-oriëntatiepunten en de Haarlemse Schipholrichtlijn betreffen wetgeving in formele, noch in materiële zin. Artikel 1 lid 2 Wetboek van Strafrecht leent zich dan ook niet voor (overeenkomstige) toepassing. Bovendien zijn de LOVS-oriëntatiepunten en de Haarlemse Schipholrichtlijn niet afkomstig van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden bij het gebruik van de ruimte die de rechter voor straftoemeting is toebedeeld. Binnen het bestek van het vertrouwensbeginsel is dat niet anders. Dat zowel de LOVS-oriëntatiepunten als de Haarlemse Schipholrichtlijn toegankelijk zijn via de website www.rechtspraak.nl doet aan het voorgaande niet af.

De verdachten in Schipholzaken konden aan de voormalige aanknoping bij de Haarlemse Schipholrichtlijn dan ook geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat deze richtlijn ook in zaken waarin de pleegdatum voorafging aan 4 november 2008 nog immer onverkort zouden worden toegepast.

2. Bij toepassing van de LOVS-oriëntatiepunten zal het hof in beginsel aannemen dat een koerier moet worden geschaard onder de "standaard"-categorie, waarna vervolgens acht wordt geslagen op de hoeveelheid verdovende middelen waarvan is vastgesteld dat zij door de bewuste verdachte al dan niet tezamen en in vereniging is ingevoerd. Zulks neemt niet weg dat bij het bepalen van de straf eveneens in beschouwing dienen te worden genomen de bij de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep aannemelijk geworden omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daartoe kan naar evenredigheid als strafverhogende c.q. strafverminderende factoren mede aansluiting worden gevonden bij kenmerken die worden opgesomd onder de in de LOVS-oriëntatiepunten opgenomen andere categorieën dan de "standaard"-categorie, te weten “pakezel” en “organisatie”. Deze kenmerken en eventueel andere aannemelijk geachte omstandigheden kunnen aanleiding geven tot oplegging van een straf die afwijkt van de in genoemde oriëntatiepunten in de betreffende categorie genoemde bandbreedte wat betreft de op te leggen minimum- en maximumstraf, in het bijzonder indien kenmerken van zowel de ene als de andere categorie om voorrang strijden. De LOVS-oriëntatiepunten zijn derhalve in dit opzicht niets meer en niets minder dan hetgeen de naamgeving reeds tot uitdrukking brengt: oriëntatiepunten, strekkende tot het bewerkstelligen van rechtseenheid hier te lande.

Meer in het bijzonder betreffende deze strafzaak overweegt het hof als volgt.

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en verbeurdverklaring van een aantal voorwerpen.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en verbeurdverklaring van een aantal voorwerpen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van ongeveer 1,2 kilo van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is aannemelijk geworden dat de verdachte aanzienlijke schulden heeft en deel uitmaakt van een gezin dat afhankelijk is van zijn inkomen. Tevens is het hof op grond van zijn waarneming ter zitting van oordeel dat de intellectuele capaciteiten van de verdachte niet hoog kunnen worden ingeschat en voorts dat hij als naïef kan worden aangemerkt. Deze omstandigheden brengen mee dat de verdachte in het kader van de bovengenoemde LOVS-richtlijnen in de categorie ‘pakezel’ dient te worden ingedeeld. Het hof houdt hier ten voordele van de verdachte rekening mee bij de strafoplegging.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 april 2009 is verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een reisschema;

- een instapkaart;

- een claimtag;

- een notitie en memo;

- een bagage-identificatielabel op naam van Kavita Gopal.

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, te weten: een geldbedrag van € 470,-.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. D.J.C. Aben en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 mei 2009.