Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI6139

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
03-06-2009
Zaaknummer
23-005707-06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN0040, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN0040
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waarschijnlijkheidsoordelen, gissingen, vermoedens en meningen van verbalisanten kunnen in beginsel niet voor het bewijs worden gebruikt.

Geen schending artikel 126aa van het Wetboek van Strafrecht. Gesprekken met geheimhouders zijn niet inhoudelijk uitgewerkt. Door het verzuim is verdachte niet in zijn belangen geschaad.

Deelname aan een criminele organisatie. Schending redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 140
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 126a
Wetboek van Strafvordering 339
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2009/216
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005707-06

datum uitspraak: 24 maart 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 27 november 2006 in de strafzaak onder parketnummer 15-094160-03 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres],

thans verblijvende in [detentieadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 3 juli 2006, 18 september 2006, 7 november 2006 en 13 november 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 18 juli 2008, 28 oktober 2008, 18 november 2008, 2 februari 2009, 3 februari 2009 en 10 maart 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 november 2006 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

algemeen

Door de verdediging is betoogd dat waarschijnlijkheidsoordelen, gissingen, vermoedens en meningen van verbalisanten niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt en dat om die reden de verschillende processen-verbaal van relaas van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof is het met de verdediging eens dat waarschijnlijkheidsoordelen, gissingen, vermoedens en meningen van verbalisanten in beginsel niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof zal dan ook terughoudend zijn in het gebruik van dergelijke processen-verbaal voor het bewijs en deze slechts in samenhang met andere bewijsmiddelen gebruiken. Voorzover het hof daarbij een waarschijnlijkheidsoordeel van een verbalisant als bewijsmiddel zal hanteren, dan zal dit afzonderlijk gemotiveerd worden.

ten aanzien van feit 4 primair en subsidiair

Uit de stukken, met name de telefoongesprekken in zaaksdossier 50, kan worden afgeleid dat [verdachte] contacten had met personen die mogelijk betrokken waren bij de levering van 38 dan wel 1,5 kilo heroïne in september 2005. Evenwel is daadwerkelijke betrokkenheid van [verdachte] bij de levering van deze heroïne niet uit het zaaksdossier gebleken. Het hof is met de rechtbank, advocaat-generaal en de verdediging evenzeer van oordeel dat, nu wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, de verdachte voor het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Bespreking van de verweren

ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat [verdachte] ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe voert hij aan dat de bewezenverklaring in belangrijke mate op de verklaring van [medeverdachte S] steunt (het hof begrijpt het videoverhoor van [medeverdachte S] op 25 november 2005 om 11.00 uur). De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze verklaring van [medeverdachte S] omtrent het persen van heroïne in zijn garage niet voor het bewijs kan worden gebezigd, nu [medeverdachte S] de naam van de verdachte in verband brengt met de pers, doch bij een fotoconfrontatie van de verdachte aangeeft hem niet te kennen.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Naast de verklaring van [medeverdachte S] afgelegd in het videoverhoor op 25 november 2005 dat [verdachte] en [medeverdachte I] in de tenlastegelegde periode in zijn garage zijn geweest om daar de door hen zelf meegebrachte heroïne te persen, acht het hof het volgende relevant.

Op 13 juni 2005 wordt door het observatieteam gezien dat [verdachte] en [medeverdachte I] een pers bij het perceel [adres] hebben afgeleverd. In het verhoor van 5 december 2005 zegt [medeverdachte I] dat hij de pers naar de [adres] heeft gebracht. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep (proces-verbaal 2 februari 2009) verklaard dat hij de pers zou meenemen naar het huis van zijn schoonzus. Op 12 juli 2005 is door de politie tijdens een zogenaamde inkijkoperatie in het perceel [adres] op de pers een poederlaag aangetroffen. De pers is bemonsterd. Vervolgens heeft het NFI vastgesteld dat de monsters heroïne bevatten. Op 19 november 2005 is middels een vaste camera geregistreerd dat [verdachte] met twee onbekende mannen de pers uit het perceel [adres] weghaalt. Bij de doorzoeking van de woning van [verdachte] is op 22 november 2005 een tas met onder meer twee zakken versnijdingsmiddelen aangetroffen. Hieromtrent heeft [verdachte] in een verhoor van 23 november 2005 verklaard dat hij over de sleutel van de woning [adres] beschikt, hij iemand heeft geholpen bij het mixen en schoonmaken, hij voor de mix 75 à 100 euro per kilo zou krijgen en hij wel eens wat zware spullen uit de [adres] heeft gehaald. Na de inbeslagneming van de tas met goederen heeft een deskundige onderzoek gedaan naar de perssporen. Uit dit onderzoek is gebleken dat het indrukspoor in het blokhout (aangetroffen in de woning van [verdachte]) is veroorzaakt door de persstempel van de pers (aangetroffen bij bedrijf [naam]). Voorts heeft [getuige Z] op 22 november 2005 verklaard dat zij [medeverdachte I] en [verdachte] tweemaal samen de woning [adres] heeft zien binnengaan.

Het hof leidt uit de combinatie van bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, af dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] samen met anderen gebruik heeft gemaakt van de pers (in het perceel [adres] en de ‘eigen’ pers van [medeverdachte S] in zijn garage te Amsterdam) voor het persen van heroïne.

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat [medeverdachte S] [verdachte] niet zou kennen, merkt het hof op dat [medeverdachte S] in zijn verhoor op 20 november 2005, als hij geconfronteerd wordt met een foto waarop [verdachte] staat, slechts verklaart hierover niets te kunnen verklaren en dat [medeverdachte S] bij de rechter-commissaris (verhoor rechter-commissaris rechtbank Haarlem op 28 september 2006) heeft verklaard dat hij [verdachte] kent. ‘Ik ken[verdachte], ik heb hem regelmatig met [medeverdachte I] bij mijn zaak gezien. Ook als ik met [getuige I] contact had bij het koffiehuis zag ik hem wel eens.’ [verdachte] zelf heeft eveneens verklaard [medeverdachte S] te kennen. Hij heeft in het verhoor van 2 december 2005 over de garagehouder uit Amsterdam-Noord verklaard: ‘Die man heet [medeverdachte S]). Iedereen kent die man.’ Dit verweer vindt zijn weerlegging in voormelde verklaringen.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

ten aanzien van feit 3

Door de verdediging is betoogd dat de verklaring van [medeverdachte S], afgelegd bij de politie op 22 november 2005, het dragende bewijsmiddel in de bewijsconstructie van de rechtbank betreft en het enige bewijsmiddel waaruit de relatie van [medeverdachte S] tot [verdachte] zou zijn af te leiden. Bij deze stand van zaken meent de verdediging dat [verdachte] behoort te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het bewijs steunt naast het NFI-rapport inderdaad in belangrijke mate op de verklaring van [medeverdachte S] afgelegd op 22 november 2005. Hierin verklaart [medeverdachte S] dat hij heroïne in de woning op het adres [adres] heeft neergelegd in opdracht van een man wiens naam hij niet wil noemen. Op de vraag of deze man [verdachte] heet, antwoordt [medeverdachte S]: ‘Als u dit weet, waarom vraagt u het mij dan? Ik kan u zeggen dat ik bang ben om zijn naam te noemen.’ Als hem vervolgens een foto van [verdachte] wordt getoond, verklaart [medeverdachte S]: ‘Ik weet dat de man op de foto [verdachte] is. U vraagt mij of dit de man is waar ik zo bang voor ben. Ik ben bang om dit te zeggen. Ik durf dit niet te zeggen.’ En voorts: ‘U vraagt mij of ik de boekhouding van hem moest doen.’ Opmerking verbalisant: verbalisant zag dat de verdachte knikte. Bovendien heeft [medeverdachte S] in dit verhoor verklaard dat hij van [verdachte] heroïne kreeg geleverd en deze heroïne moest doorverkopen. Soms kreeg hij ook opdracht om monsters heroïne te laten testen. In het verhoor van 13 december 2005 heeft [medeverdachte S] verklaard dat hij voor [verdachte] werkte.

Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte S] geloofwaardig en gebruikt deze dan ook voor het bewijs. De lezing van [medeverdachte S] vindt namelijk steun in na te noemen verklaringen en bevindingen uit het onderzoek.

De getuige [getuige J] heeft op 6 december 2005 tegenover de politie verklaard dat hij via [verdachte] in contact is gekomen met [medeverdachte S]. Immers, [verdachte] verkocht de heroïne niet meer rechtstreeks, maar [medeverdachte S] deed dat voor hem. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij heroïne heeft verhandeld aan [getuige J] (proces-verbaal 2 februari 2009). [medeverdachte S] heeft op dit punt verklaard dat hij de namen van sommige van zijn klanten van [verdachte] heeft gekregen (verhoor van 23 november 2005 om 11.11 uur). Deze verklaring vindt steun in het feit dat in de gsm-toestellen van [medeverdachte S] en [verdachte], alsmede in de in de woning van [verdachte] inbeslaggenomen papieren lijst, een aantal overeenkomsten in namen en nummers zijn gevonden. [medeverdachte S] heeft in diverse verklaringen gezegd dat hij [verdachte] waarnam tijdens diens vakantie, hetgeen ook kan worden afgeleid uit het tapgesprek van 14 augustus 2005 om 22.45 uur. Deze verklaring wordt ondersteund door een zogenaamd kasboek, wat [medeverdachte S] heeft bijgehouden in de periode dat [verdachte] met vakantie was (verhoor van 23 november 2005 om 11.11 uur).

ten aanzien van feit 5

Door de raadsman is bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie. Hij voert hiertoe aan dat slechts aannemelijk is dat de verdachte behoorde tot een netwerk van personen die in drugs handelen en die in wisselende samenstellingen ‘losstaande projecten’ uitvoeren waarbij ieder persoonlijk winst najaagt en dat verdachtes deelname aan een dergelijk netwerk onvoldoende is om het bestaan van een (gestructureerde en duurzame) organisatie bewezen te achten.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt het volgende.

Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht dient er sprake te zijn van deelname aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband van twee of meer personen dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Om iemand te kunnen aanmerken als deelnemer dient hij of zij tenminste een aandeel te hebben in dan wel ondersteuning te verlenen aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de betreffende organisatie.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een dergelijk duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de verdachte en zijn medeverdachten, waarbij de organisatie en daarmee de verdachte en zijn medeverdachten tot oogmerk hadden de handel in verdovende middelen, in het bijzonder heroïne, en de door het begaan van strafbare feiten verkregen gelden wit te wassen. De verdachten vervulden in de tenlastegelegde periode of een deel daarvan, ieder een eigen rol ten aanzien van de verschillende doelstellingen van de organisatie. Dit volgt naar het oordeel van het hof uit het navolgende.

Samenwerkingsverband

Tijdens het onderzoek is gebleken dat voor leden van de organisatie na aanhouding door de politie wordt gezorgd in de zin van juridische bijstand, maar ook voor ‘zakgeld’ bij het vrijkomen uit detentie. Deze nazorg acht het hof mede redengevend om gedragingen die in de tijd daarvoor hebben plaatsgevonden in bepaalde zin te verstaan ter adstructie van het voordien reeds bestaande samenwerkingsverband. Naar aanleiding van iemand die is aangehouden vanwege een verkeersboete, zegt [medeverdachte O] dat als iemand vrij komt hij ook zakgeld moet hebben (tapgesprek 9 juni 2005 om 1.16 uur). Een ander voorbeeld is het tapgesprek van 17 juli 2005 om 17.15 uur, waarin [verdachte] tegen [medeverdachte I] zegt dat hij [getuige J] moet helpen: ‘Je moet dus wel iets geven, hij is voor ons een heel goed persoon.’ Uit hetzelfde telefoongesprek kan worden afgeleid dat [medeverdachte I] in de periode dat [verdachte] zich in Turkije bevond diens ‘handelstelefoon’ bij zich had. Ook het feit dat de handel van [medeverdachte I] en [verdachte] wordt waargenomen door [medeverdachte S] duidt op een professionele organisatie (tapgesprek van 14 augustus 2005 om 22.45 uur). Dat er sprake is van samenwerkingsverband komt naar voren in de tapgesprekken waarin gesproken wordt over ‘ons’. Een voorbeeld hiervan vormt een gesprek van 30 april 2005 om 1.33 uur , waarin [medeverdachte K] tegen zijn vriendin [getuige G] zegt: ‘Binnen ons is er een dief’, ‘Er zit een gemene tussen ons.’ In het gesprek van 25 augustus 2005 om 20.29 uur zegt [getuige G] tegen [medeverdachte K] dat er eentje tussen de vrienden/mannen van [medeverdachte K] zit die niet te vertrouwen is, die persoon is een spion. [medeverdachte K] moet zelf te weten komen wie het is. Bovendien is er de verklaring van [medeverdachte S] (verhoor 22 november 2005 om 6.57 uur), waarin hij zegt ‘Wij hadden per twee maanden een omzet van niet minder dan 150.000 euro en niet meer dan 225.000 euro. Met ‘we’ bedoel ik de hele organisatie.’

Duur

Wat betreft de duurzaamheid zijn er in het dossier aanwijzingen te vinden dat de organisatie rondom [medeverdachte K] al geruime tijd (15 à 20 jaar) bestaat. Vanwege het ontbreken van onderzoeksgegevens van vóór 1 januari 2005 kunnen de aanwijzingen niet door enig bewijsmiddel worden gestaafd, zodat het hof 1 januari 2005 als begindatum zal aanhouden.

Strafbare feiten

Uit het onderzoek is gebleken dat de criminele organisatie voornamelijk gericht was op de invoer, bewerking en doorlevering van met name heroïne in Nederland en de uitvoer ervan naar Groot-Brittannië en Zwitserland. De feiten waarvoor de verdachten bij de rechtbank en ook in hoger beroep zijn veroordeeld betreffen onder meer de handel in harddrugs (heroïne) en het voorhanden hebben van wapens en munitie. Uit de tapgesprekken en verklaringen van getuigen, die voor de organisatie heroïne testten, wordt duidelijk dat de handel grote hoeveelheden heroïne omvatte.

Rolverdeling verdachten

Uit de tap- en OVC-gesprekken en afgelegde verklaringen is gebleken dat binnen de organisatie sprake was van een duidelijke rolverdeling. [medeverdachte K] had een leidinggevende rol binnen de organisatie. Hij wordt door anderen geregeld aangesproken met ‘baas’. Hij stuurde zijn mensen aan bij de uitvoering van strafbare feiten, in het bijzonder de handel in verdovende middelen. Dat hij mensen onder zich heeft werken blijkt onder meer uit een telefoongesprek van 26 april 2005 om 19.39 uur, waarin hij zegt dat [medeverdachte M] onder zijn leiding staat. In een ander gesprek op dezelfde dag zegt [medeverdachte K] dat hij een chauffeur heeft. Ook uit de tapgesprekken kan worden afgeleid hoe belangrijk en verantwoordelijk [medeverdachte K] zich voelt jegens anderen. Tegen zijn vriendin [getuige G] klaagt [medeverdachte K] dat hij al 20 jaar de ‘abi’ was (tapgesprek 25 mei 2005 om 22.24 uur). Als vrienden geld nodig hebben, dan leent hij ze grote bedragen (tapgesprek 25 mei 2005 om 22.44 uur: ‘40, 50, 60, 100.000’, ‘Ik ging vandaag naar iemand, ik had 35.000 te vorderen…, als die man mij ziet dan trillen zijn benen’).

Direct onder [medeverdachte K] bevonden zich zijn broer [medeverdachte I], [verdachte] en [medeverdachte O]. Zij stuurden de loopjongens en stashers, zoals [medeverdachte S] aan (tapgesprek van 15 april 2005 om 17.50 uur: [verdachte] zegt tegen [medeverdachte S]: ‘Als ik zeg dat je naar buiten moet dan ga je’). Voorts hielden ze zich bezig met het bewerken van heroïne en zorgden er vervolgens voor dat de partijen heroïne werden getest.

[medeverdachte S] hield de administratie bij en beheerde de (kleine) kas. In een gesprek van 7 juli 2005 om 14.16 uur zegt [medeverdachte I] tegen [medeverdachte S]: ‘Hij geeft 30.000 lira, je moet het tellen.’ [medeverdachte S] antwoordt: ‘oke.’ [medeverdachte I] zegt: ‘Het hoeft niet in het boekje geschreven te worden, het is al geschreven, je kan het daarheen brengen, ok?’. In het verhoor van 22 november 2005 om 6.57 uur heeft [medeverdachte S] verklaard dat hij sinds een jaar de administratie bijhield. In hetzelfde verhoor heeft [medeverdachte S] voorts verklaard dat hij heroïne in het huis van zijn moeder aan de [adres] heeft neergelegd in opdracht van een man wiens naam hij niet wil noemen. Op de vraag of die persoon [verdachte] heet antwoordt [medeverdachte S] dat als de politie dit weet waarom zij het hem vragen. Hij is bang om zijn naam te noemen. Tevens nam [medeverdachte S] de handel van [medeverdachte I] en [verdachte] waar tijdens hun vakantie.

[medeverdachte C] werkte als chauffeur en boodschapper direct voor [medeverdachte K], [medeverdachte I] en [verdachte] (tapgesprek 12 juli 2005 om 1.21 uur, waarin [medeverdachte K] naar [medeverdachte C] belt en zegt: ‘Bel [getuige M] op en zeg dat hij jou 5000 lira moet geven en jij moet het bij de broer van Rambo brengen.’).

[medeverdachte S], als zelfstandig ondernemer, heeft de organisatie gelegenheid gegeven tot het plegen van strafbare feiten in zijn garage. Hij prepareerde auto’s en accu’s (videoverhoor van 25 november 2005 en verhoor van 1 december 2005 om 9.56 uur).

Opbrengsten

Het is een feit van algemene bekendheid dat met de handel in verdovende middelen, met name heroïne, grote winsten kunnen worden geboekt. Ook binnen de organisatie van verdachten zijn tijdens de doorzoekingen in verschillende woningen en bij enkele verdachten aanzienlijke geldbedragen aangetroffen (in de woning van [medeverdachte S] is bijvoorbeeld 7575 euro, in coupures van 50 euro of kleiner, aangetroffen). Bovendien spreken de verdachten in verschillende gesprekken over hun bezittingen, te weten woningen, horecagelegenheden, luxe auto’s en investeringen in onroerend goed in Turkije, en wordt door hen over verschillende grote bedragen gesproken. Op 3 juli 2005 om 13.53 uur vraagt [medeverdachte I] aan [verdachte], die in Turkije is hoe het met de situatie van de bouw is. [verdachte] zegt dat zijn vriend een mooi stuk grond heeft gekocht voor 250 miljard. Tenslotte zegt [verdachte] dat als hij dat samen met [medeverdachte I] kan kopen er 24 appartementen op kunnen. Bij dit alles dient te worden opgemerkt dat het geld niet verklaarbaar is op basis van de legale inkomsten van de verdachten, aangezien het merendeel geen baan heeft en een uitkering ontvangt. Hierbij is opvallend dat zij vooral gebruik maken van contante geldstromen. Immers, bijschrijvingen en stortingen op bankrekeningen zouden nooit kunnen worden verklaard.

Afscherming

Uit het onderzoek is ook duidelijk geworden dat de verdachten zich zeer bewust waren van de opsporingsrisico’s. De verdachten wisselden zeer vaak van telefoon en telefoonnummer. In het telefoongesprek van 11 februari 2005 om 16.11 uur zegt [medeverdachte K] dat hij wel 40 nummers heeft gehad. Ook maakte men regelmatig gebruik van telefooncellen en zogenaamde belhuizen. Zoals [medeverdachte K] die veelvuldig gebruik maakte van telefooncellen terwijl hij op dat moment meerdere gsm-toestellen bij zich had (bijvoorbeeld tapgesprek 27 april 2005 om 21.06 uur).

In de telefoongesprekken onderling werd veelal in versluierde taal gesproken (proces-verbaal versluierd taalgebruik van 20 februari 2006). In bijvoorbeeld het telefoongesprek van 24 mei 2005 om 18.12 uur wordt gesproken over vrienden die gekomen zijn en of [verdachte] naar ze gekeken heeft. [verdachte] antwoordt dat het uitmuntend is. Vervolgens hebben ze het over 9/10 die genomen is en dat er nu een 10/10 komt. ‘Voortaan zal het steeds 9/10 worden.’ Gelet op de context kan uit de gesprekken waarin versluierd wordt gesproken worden afgeleid dat ze het over verdovende middelen, transporten, hoeveelheden, gewicht, bedragen en ontmoetingsplaatsen hebben. Soms hadden zelfs de gesprekpartners grote moeite om elkaar te begrijpen, waardoor -eveneens in versluierde taal- meer moest worden uitgelegd. Als voorbeeld dient het gesprek van 18 maart 2005 om 23.20 uur tussen [verdachte], [medeverdachte Z] en [medeverdachte O], waarin [medeverdachte O] aan [medeverdachte Z] vraagt welke [medeverdachte M] hij bedoelt en zegt ‘Ik begrijp het niet. Wacht, vertel het aan [verdachte] abi.’

Bovendien valt uit de gesprekken op te maken dat leden van de organisatie ‘opereerden’ onder bijnamen. Tester [getuige E] bijvoorbeeld kende [verdachte] als A, [medeverdachte C] als H, [medeverdachte I] als M. en [medeverdachte S] als T. (verhoor van 21 maart 2006 om 13.29 uur).

Geweld en intimidatie

Binnen de organisatie heerste een sfeer van intimidatie en angst. Dit blijkt uit de diverse telefoongesprekken die duiden op intimiderend gedrag tussen de leden van de organisatie onderling. In een verhoor bij de politie van 29 november 2005 verklaart [getuige G] dat zij weet dat er respect voor [medeverdachte K] was. In het restaurant [naam] maakten de obers meteen een tafel voor hem vrij. Dat de intimiderende sfeer serieus te noemen was wordt aannemelijk nadat bij de aanhoudingen en doorzoekingen bij meerdere verdachten (vuur)wapens en munitie waren aangetroffen. Ook uit verklaringen van sommige verdachten en getuigen is gebleken dat er angst bestond een verklaring af te leggen. Bang dat henzelf of hun familie iets zou worden aangedaan (verhoor [medeverdachte S] van 20 maart 2006: ‘Als ik namen noem, word ik hierop afgerekend als ik vrijkom’).

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat sprake is van een criminele organisatie rond [medeverdachte K] waaraan [verdachte] heeft deelgenomen.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 01 januari 2005 tot en met 22 november 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

Primair

hij in de periode van 01 juni 2005 tot en met 22 november 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 22 november 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad in perceel [adres] ongeveer 4.252 gram van een materiaal bevattende heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2005 tot en met 22 november 2005 te Zaandam, gemeente Zaanstad, en/of te Amsterdam en/of te Turkije en/of te Groot-Brittannië en/of te Zwitserland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van heroïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of

- het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of

- het opzettelijk bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of

- witwassen.

Hetgeen onder 1, 2 primair, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Strafmaatverweer

De raadsman heeft bij pleidooi betoogd dat artikel 126aa van het Wetboek van Strafrecht is geschonden. Hij voert hiertoe aan dat de verdediging in de onderhavige zaak de beschikking heeft gekregen over een Cd-rom met tapgesprekken. Op deze Cd-rom bevinden zich twaalf gesprekken met geheimhouders die ten onrechte niet zijn vernietigd. De schending van het vertrouwensbeginsel dient tot gevolg te hebben dat dit onherstelbare vormverzuim wordt gecompenseerd door strafvermindering.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de -aan het schriftelijk pleidooi gehechte- bijlagen is gebleken dat de telefoongesprekken met geheimhouders niet inhoudelijk zijn uitgewerkt. Voorts kan uit de zeer beknopte (informatieve) omschrijving van enkele tapgesprekken worden afgeleid dat niet [verdachte] maar zijn broer contact heeft gehad met het advocatenkantoor van mr. Hagenaars. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat door het verzuim van het openbaar ministerie enkele gesprekken met geheimhouders niet te vernietigen [verdachte] niet in zijn belangen is geschaad. Voorts is geen sprake van een zodanig verzuim dat deze tot toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering zouden moeten leiden. Het verweer faalt derhalve.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1, 2 primair, 3 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd met toepassing van een korting van 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Het hof is van oordeel dat verdachte tenminste gedurende een periode van bijna een jaar een (prominente) rol gespeeld in een (internationaal opererende) criminele organisatie die zich bezighield met het handelen in verdovende middelen en het witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden. Hij stuurde andere leden van de organisatie aan bij de leveringen van heroïne en de betaling daarvan. Voorts hield hij zich bezig met het laten testen van heroïne en het afzetten van heroïne aan dealers. Juist deze coördinerende functie geeft de belangrijke rol van de verdachte weer, hetgeen het hof hem zwaar aanrekent. Door zijn optreden heeft verdachte er blijk van gegeven bereid te zijn een substantiële bijdrage te leveren aan de instandhouding van het criminele drugscircuit in ons land. Hij heeft -naar het hof aannemelijk acht- uit winstbejag en aanzien gehandeld.

Gelet op de (bij medeverdachten) aangetroffen hoeveelheden heroïne en de hoeveelheid heroïne waarover werd gesproken over de telefoon was deze voor verdere verspreiding bestemd. De internationale handel in harddrugs leidt niet alleen tot een ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het drugsgebruik te bestrijden, maar heeft bovenal een negatieve uitwerking op de reeds bestaande maatschappelijke problematiek die is verbonden aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Handelingen die mede tot doel hebben illegaal drugs op de markt te brengen dienen daarom streng te worden bestraft.

Voorts heeft verdachte zich tezamen met anderen schuldig gemaakt aan het bewerken/verwerken van heroïne. Heroïne die vanuit Nederland wordt geëxporteerd naar het buitenland is over het algemeen versneden. Het versnijden van heroïne met bijvoorbeeld een mengsel van paracetamol en coffeïne zorgt ervoor dat de hoeveelheid stof wordt vergroot, hetgeen economisch voordeel voor de verdachte oplevert.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van heroïne. In de woning van de moeder van een lid van de organisatie is heroïne aangetroffen, waartoe verdachte opdracht heeft gegeven.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 januari 2009 is verdachte eerder veroordeeld.

Voorts stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. Uit de stukken van het dossier is gebleken dat de termijn van de hoger beroepsfase met ruim 11 maanden is overschreden. Het hof laat meewegen dat de onderhavige zaak deelt uit maakt van een zeer omvangrijk doch niet heel ingewikkeld megadossier. Niettemin heeft de verdediging geen handelingen verricht die het proces hebben doen vertragen. Het hof zal derhalve bij de oplegging van de straf rekening houden met deze vastgestelde schending.

Naar het oordeel van het hof doet de eis van de advocaat-generaal onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Het hof heeft overwogen een gevangenisstraf van 7,5 jaren op te leggen. Alles afwegende, acht het hof een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 primair, 3 en 5 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2 primair, 3 en 5 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het onder 1, 2 primair, 3 en 5 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.A. Schimmel, mr. J.D.L. Nuis en mr. H.P. Wooldrik, in tegenwoordigheid van mr. J. Ineke, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 maart 2009.

mr. H.P. Wooldrik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.