Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4461

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
200.011.537-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht partneralimentatie wegens poging doodslag niet verschuldigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 19 mei 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.011.537/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT,

advocaat: mr. M.A. Weenink,

t e g e n

[…],

verblijvende te […],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 12 augustus 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 14 mei 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 344-243/FA RK 06.3581.

1.3. De zaak is op 8 januari 2009 ter terechtzitting behandeld.

1.4. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.5. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn gehuwd [in] 2000.

2.2. De man heeft op 2 juni 2006 een verzoekschrift tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank te Amsterdam. De vrouw heeft in haar verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van 2 augustus 2006 ondermeer verzocht te bepalen dat de man een uitkering tot haar levensonderhoud dient te voldoen van € 3.000,- bruto per maand.

2.3. Op 26 april 2007 heeft de vrouw de man aangevallen met een hakmes, waardoor de man ernstig gewond is geraakt. De vrouw is bij vonnis van 16 augustus 2007 van de rechtbank te Amsterdam veroordeeld voor poging tot moord tot een gevangenisstraf van zes jaren.

De vrouw is aanvankelijk in hoger beroep gegaan, maar zij heeft dit hoger beroep later ingetrokken.

2.4. De man heeft in zijn nader verweerschrift tevens houdende wijziging en aanvulling van zijn verzoeken van 4 september 2007 de rechtbank verzocht voor recht te verklaren dat hij voor nu en in de toekomst geen alimentatieverplichting heeft jegens de vrouw.

2.5. Bij beschikking van 21 november 2007 van de rechtbank te Amsterdam is de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking in maart 2008 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.6. De procureur van de vrouw heeft de rechtbank bij fax van 29 april 2008 gemeld dat de vrouw haar verzoek tot partneralimentatie op basis van de situatie op dat moment wenste in te trekken.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat hij voor nu en de toekomst geen verplichting heeft tot betaling aan de vrouw van enige uitkering tot levensonderhoud.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, voor recht te verklaren dat de man voor nu en de toekomst geen verplichting heeft tot het betalen van enige bijdrage in het levensonderhoud aan de vrouw op grond van het feit dat tussen partijen geen lotsverbondenheid meer bestaat wegens de poging tot moord van de vrouw op de man.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het hof dient allereerst te beoordelen of de man ontvankelijk is in zijn verzoek.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de man niet in zijn verzoek ontvangen kan worden ingevolge artikel 827 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het verzoek van de man niet strekt tot toekenning van een uitkering tot levensonderhoud van hem aan de vrouw en ook niet voldoende samenhang vertoont met zijn verzoek tot echtscheiding in de zin, zoals aangenomen moet worden, door de wetgever is bedoeld.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man een tegenverzoek is op het verzoek van de vrouw in eerste aanleg een door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud vast te stellen. Dat de vrouw haar verzoek later alsnog heeft ingetrokken staat er niet aan in de weg dat er alsnog wordt beslist op het tegenverzoek van de man. De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.

4.2. Ten aanzien van de door de man verzochte verklaring voor recht overweegt het hof als volgt. De rechter kan op grond van artikel 1:157 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) een uitkering toekennen. Grondslag voor de uitkering tot levensonderhoud als bedoeld in artikel 1:157 BW is de verplichting welke berust op de levensverhouding, zoals die door het huwelijk is geschapen en die haar werking -zij het in beperkte omvang- behoudt, ook al wordt de huwelijksband gestaakt. Bij het beantwoorden van de vraag of in een concreet geval aan de gewezen echtgenoot al dan niet een uitkering tot levensonderhoud zou moeten worden toegekend dient rekening gehouden te worden met alle omstandigheden van dat geval.

Het hof stelt vast dat de vrouw onherroepelijk is veroordeeld voor poging tot moord op de man. De man ondervindt nog steeds de fysieke en emotionele gevolgen hiervan. Deze daad van de vrouw heeft een einde gemaakt aan iedere band die door het huwelijk was ontstaan en elk gevoel van lotsverbondenheid van de man jegens haar.

Het hof is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de man gevergd kan worden dat hij in het levensonderhoud van de vrouw bijdraagt.

De man heeft daarnaast belang bij een expliciete verklaring voor recht dat hij geen alimentatieverplichting jegens de vrouw heeft, zodat hij in de toekomst niet wordt geconfronteerd met een nieuw verzoek van de vrouw. Het hof zal het verzoek van de man derhalve toewijzen.

4.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de dat de man geen verplichting heeft tot het betalen van enige bijdrage in het levensonderhoud aan de vrouw.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, C.G. Kleene-Eijk en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van

mr. E.E. Kraan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2009.