Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4300

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2009
Datum publicatie
20-05-2009
Zaaknummer
08-01265
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exploitante van een uitvaartonderneming vervoert regelmatig stoffelijk overschotten. Zij schafte een auto aan, verhoogde de laadvloer, verwijderde de achterstoelen, betimmerde de zijkanten en plaatste achter de bijrijderstoel een laag tussenschot van circa 20 cm. Voorts verwijderde belanghebbende een balk van ongeveer 180 kg uit de auto waarin zich de bevestigingspunten met kliksluiting bevonden van de driepuntsgordels van twee achterstoelen. De twee vaste bevestigingspunten (per gordel) in de zijkanten van de auto alsmede de riemen en verstelinrichtingen werden niet verwijderd. Op verzoek BPM terugontvangen.

Van een driepuntsgordel resteert een enkele riem zonder een mogelijkheid deze naar behoren te sluiten. Een dergelijke riem kan, hoewel deze degelijk aan twee punten aan de auto is bevestigd, niet functioneren als veiligheidsgordel. Naar ’s Hofs oordeel kunnen onder deze omstandigheden de delen van de veiligheidsriemen die in de achterruimte van de auto zijn achtergebleven niet worden aangemerkt als veiligheidsgordels in de zin van artikel 9, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit BPM. Terugontvangen BPM (deels) ten onrechte nageheven.

Wetsverwijzingen
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1086
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/01265

14 mei 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap X B.V., gevestigd te Z, belanghebbende,

gemachtigde P.G. Hoogeveen,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 08/2227 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 6 juni 2007 aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting op personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van € 7.898. Tevens is een boete vastgesteld van € 3.949.

De inspecteur heeft het door belanghebbende tijdig ingediende bezwaar bij uitspraak van 7 januari 2008 ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 28 oktober 2008 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de boete, de boetebeschikking vernietigd, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 644 en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aangewezen dit bedrag aan belanghebbende te voldoen en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) gelast het betaalde griffierecht van € 285 te vergoeden.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 28 november 2008, aangevuld bij brief van 1 december 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert een uitvaartonderneming, in het kader waarvan zij regelmatig stoffelijk overschotten vervoert. Voor dit vervoer heeft belanghebbende op 30 oktober 2004 een auto met het kenteken 00-00-00 (hierna: de auto) gekocht. De dagtekening van het kentekenbewijs deel I is 30 april 2004. In de aanschafprijs van de auto was € 7.898 BPM begrepen.

2.2. Belanghebbende heeft de auto na de aanschaf omgebouwd. Zij heeft de laadvloer verhoogd, de achterstoelen verwijderd, de zijkanten betimmerd en een laag tussenschot van circa 20 cm geplaatst, dat zich alleen achter de bijrijderstoel bevindt.

2.3. Belanghebbende heeft voorts uit de auto verwijderd een balk van ongeveer 180 kg waarin zich de bevestigingspunten met kliksluiting bevonden van de driepuntsgordels van twee achterstoelen. De twee vaste bevestigingspunten (per gordel) in de zijkanten van de auto alsmede de riemen en verstelinrichtingen heeft belanghebbende niet verwijderd. De riemen zijn door de betimmering nog slechts gedeeltelijk zichtbaar.

2.4. Belanghebbende heeft op 27 april 2006 op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM) verzocht om teruggaaf van € 7.898 aan BPM. Deze teruggaaf is aan belanghebbende verleend bij beschikking van 7 juni 2006.

2.5. Tijdens een controle op 6 september 2006 is geconstateerd dat het tussenschot in de auto niet aan de daartoe gestelde eisen voldeed en dat de veiligheidsgordels niet volledig verwijderd waren. Belanghebbende heeft direct na deze controle in de auto achter de stoelen van de chauffeur en de bijrijder een wand aangebracht over de gehele breedte van de auto.

2.6. Naar aanleiding van de onder 2.5 vermelde constateringen heeft de inspecteur aan belanghebbende de naheffingsaanslag opgelegd.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende. Artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit schrijft voor dat de achterruimte niet is voorzien van zitplaatsen en veiligheidsgordels. De vraag die partijen in dit kader verdeeld houdt, is of de besluitgever het oog heeft gehad op de afwezigheid van bruikbare veiligheidsgordels, of van veiligheidsgordels als zodanig. Gelet op de strekking van de teruggaafregeling heeft de wetgever bedoeld een teruggaaf van BPM te verlenen voor voertuigen die worden gebruikt voor speciale vormen van vervoer, zoals het vervoer van stoffelijke overschotten. Om dit doel te bereiken, is van belang dat alle elementen die een personenauto geschikt maken voor normaal personenvervoer, zoals een achterbank en de daarbij horende veiligheidsgordels, verwijderd zijn, zodat het voertuig niet op eenvoudige wijze geschikt kan worden gemaakt voor vervoer waarvoor de teruggaafregeling niet is bedoeld. De andersluidende opvatting van eiseres (Hof: belanghebbende) treft daarom geen doel. Het is juist niet de bedoeling van de besluitgever om een voertuig op eenvoudige wijze geschikt te laten maken voor ander vervoer. Artikel 15, vierde lid, van de Wet BPM, waaruit kan worden afgeleid dat de wetgever rekening houdt met de mogelijkheid dat de auto voor andere doeleinden wordt gebruikt, kan mede betrekking hebben op vervoer waarvoor de aanwezigheid van veiligheidsgordels in de laadruimte niet nodig is, zoals goederenvervoer.

(…)

7. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat verweerder (Hof: de inspecteur) de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd. .”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of de auto tijdens de controle voldeed aan de inrichtingseisen van artikel 9, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: het Uitvoeringsbesluit), waarbij, aldus is ter zitting komen vast te staan, het geschil zich toespitst op de het antwoord op de vraag of de achterruimte is voorzien van veiligheidsgordels. Deze vraag beantwoordt de inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend.

Tussen partijen is ter zitting komen vast te staan dat indien het gelijk met betrekking tot deze vraag aan belanghebbende is de naheffingsaanslag dient te worden verminderd tot een bedrag van € 1.974 (25 procent van € 7.898). Indien het gelijk aan de inspecteur is, is de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag opgelegd.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Wet BPM, juncto artikel 9, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit wordt teruggaaf van BPM slechts verleend indien, voor zover hiervan belang, de achterruimte niet is voorzien van veiligheidsgordels.

6.2. De inspecteur voert aan dat de aanwezige riemen die bevestigd zijn aan twee bevestigingspunten aan de zijkant van de auto, als veiligheidsgordels dienen te worden gekwalificeerd zodat belanghebbende ten onrechte teruggaaf van BPM heeft gekregen. Belanghebbende daarentegen stelt dat het restant van de veiligheidsgordels, te weten de riemen die zijn achtergebleven, niet kan worden aangemerkt als een systeem waarmee veiligheid kan worden geboden en daarmee ook niet als veiligheidsgordel is aan te merken.

6.3. Het Hof oordeelt dienaangaande als volgt. Een driepuntsgordel, zoals die oorspronkelijk aanwezig was in de achterruimte van de auto, is een aan twee punten in de auto bevestigde veiligheidsgordel die de passagier zelf kan vastmaken aan een derde punt, dat eveneens in de auto is bevestigd. In casu is de balk waaraan het derde punt is bevestigd volledig uit de auto verwijderd. Dit brengt mee dat er een enkele riem resteert zonder een mogelijkheid deze naar behoren te sluiten. Een dergelijke riem kan, hoewel deze degelijk aan twee punten aan de auto is bevestigd, niet functioneren als veiligheidsgordel. Naar ’s Hofs oordeel kunnen onder deze omstandigheden de delen van de veiligheidsriemen die in de achterruimte van de auto zijn achtergebleven niet worden aangemerkt als veiligheidsgordels in de zin van artikel 9, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit.

Slotsom

6.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en dat de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag moet worden verminderd tot € 1.974.

7. Proceskosten

Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor vergoeding komt in aanmerking 2 (proceshandelingen) x € 322 x 1 (gewicht van de zaak), ofwel € 644.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens voor zover deze de boetebeschikking, de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht betreft;

- verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag;

- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.974;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van € 433 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, J.P.A. Boersma en E.M. Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. Bij verhindering van de voorzitter heeft de oudste raadsheer de uitspraak ondertekend. De beslissing is op 14 mei 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.