Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI4240

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2009
Datum publicatie
18-05-2009
Zaaknummer
200.005.458/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid ex artikel 99 lid 12 Wna.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 12 mei 2009 in de zaak onder nummer 200.005.458/01 NOT van:

1. P. [X]-[Y],

wonende te [plaats],

2. J. [Z]-[Y],

wonende te [plaats],

3. J.W. [Y],

wonende te [plaats],

APPELLANTEN,

gemachtigde: mr. K. van Overloop, advocaat te Goes,

tegen

MR. J. [A],

oud-notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigde: mr. B. van Leeuwen, advocaat te Goes.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Namens appellanten, verder te noemen klagers, is bij verzoekschrift per fax ingekomen ter griffie van het hof op 7 mei 2008 tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg, verder te noemen de kamer, van 10 april 2008, waarbij hun klacht tegen geïntimeerde, verder ook te noemen de notaris, niet-ontvankelijk is verklaard.

1.2. Van de zijde van de notaris is op 10 juni 2008 per fax een verweerschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van klagers zijn per fax op 10 juli 2008 en 19 maart 2009 aanvullende verzoekschriften met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen.

1.4. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 maart 2009. Klagers en hun gemachtigde zijn daar verschenen en hebben het woord gevoerd, de gemachtigde onder meer aan de hand van een pleitnota. De notaris en zijn gemachtigde zijn eveneens verschenen en ook zij hebben het woord gevoerd, de gemachtigde onder meer aan de hand van een pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing onder 2. heeft vastgesteld met dien verstande dat het hof met betrekking tot het door de kamer onder 2.4. en 2.5. genoemde vervreemdingswinstbeding, hierna te noemen verrekenbeding, nader preciseert dat door klaagster sub 1 in haar brief van 20 december 1996 is verzocht alsnog in de akte van verdeling op te nemen dan wel in een aparte akte vast te leggen dat “tijdens de familiebespreking is overeengekomen dat indien mijn broer Adriaan [Y] de door hem via deze akte van mijn vader verkregen gronden verkoopt, de boekwinst over deze gronden gelijkelijk over de vier kinderen ( …. ) verdeeld wordt”.

4. De klachten en het standpunt van klagers

Klagers hebben bij brief , ingekomen bij de kamer op 13 december 2007, de volgende klachten ter beoordeling voorgelegd:

4.1. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld door niet met klagers te overleggen over het door hem in de akte van verdeling van 30 december 1996 opgenomen verrekenbeding. De notaris heeft daardoor de belangen van klagers onvoldoende behartigd.

4.2. De notaris heeft onzorgvuldig gehandeld door niet te onderzoeken of de gevolmachtigde van klaagster sub 1 bij het passeren van de akte handelde binnen de grenzen van de hem verleende volmacht.

4.3. De notaris is tekort geschoten in zijn informatieplicht jegens klagers door klagers niet op de hoogte te stellen van de definitieve inhoud van de akte van verdeling alvorens de akte te passeren.

4.4. De notaris heeft klagers geen afschrift van de akte van verdeling gezonden.

4.5. Door het opnemen in de akte van een verrekenbeding afwijkend van de regeling waarover partijen overeenstemming hadden bereikt heeft de notaris niet de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen op onpartijdige wijze behartigd.

4.6. Het vertrouwen dat deelnemers aan het rechtsverkeer, onder wie klagers, in een notariële akte moeten kunnen stellen is door het handelen van de notaris beschaamd.

4.7. Door niet te controleren of klaagster sub 1 kon instemmen met het in de akte van verdeling opgenomen verrekenbeding heeft de notaris niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris stelt zich allereerst op het standpunt dat klagers niet ontvankelijk zijn in hun klachten ingevolge het bepaalde bij artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt (Stb. 1999, 190), verder te noemen Wna 1999, omdat zij reeds langer dan drie jaren vóór de indiening van de klachten van het hem verweten handelen en nalaten op de hoogte zijn. Klagers hebben immers na het verlijden van de akte een afschrift daarvan ontvangen, zoals dat op zijn kantoor gebruikelijk was.

5.2. Voorts is de notaris van mening dat klagers niet in hun klachten ontvangen kunnen worden omdat zij misbruik maken van hun klachtrecht nu zij met de onderhavige procedure kennelijk en, zo begrijpt het hof het verweer van de notaris, uitsluitend beogen versterking te krijgen van de door hen benodigde argumentatie ter onderbouwing van hun civiele claim. Het tuchtrecht dient er niet toe, zo betoogt de notaris, om versterking te verkrijgen van de argumentatie in een civiele procedure tegen de notaris. Het klachtrecht moet nadrukkelijk op zichzelf in de eigen context van het tuchtrecht worden gezien en gebruik van het tuchtrecht buiten deze context dient te worden aangemerkt als misbruik.

5.3. Voor het geval het hof van oordeel zou zijn dat klagers in hun klachten kunnen worden ontvangen verweert de notaris zich tegen de klachten als volgt:

5.3.1. Met betrekking tot de klachten bedoeld onder 4.1., 4.2. en 4.7. stelt de notaris dat de wensen van klaagster sub 1 als geformuleerd in haar brief van 20 december 1996 nog “juridisch gepolijst" moesten worden en dat klaagster sub 1 geen specifieke voorwaarden aan het verrekenbeding had gesteld, zodat hij met de behandelende kandidaat-notaris mocht aannemen dat zij een standaard verrekenbeding opgenomen wilde zien. De accountant van de familie is met de tekst van het beding en de naar analogie van artikel 56i van de Pachtwet, zoals dat destijds luidde, gekozen gebruikelijke termijn van 10 jaar akkoord gegaan. De notaris heeft zorgvuldig gehandeld en voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

5.3.2. Ten aanzien van de klacht onder 4.3. wijst de notaris er op dat er zeer veel spoed diende te worden betracht omdat de transactie (om fiscale redenen) nog in 1996 diende plaats te vinden. Om die reden was er geen tijd meer om herziene concepten rond te sturen. Daarom is het herziene concept met het verrekenbeding door de behandelende kandidaat-notaris besproken met de accountant die namens de familie de opdracht had gegeven.

5.3.3. De notaris bestrijdt de klacht verwoord onder 4.4. Zoals reeds eerder aangegeven stelt de notaris zich op het standpunt dat klagers na het verlijden van de akte een afschrift daarvan hebben ontvangen.

5.3.4. De notaris bestrijdt eveneens de klacht bedoeld onder 4.5. dat hij de belangen van alle bij de rechtshandeling betrokken partijen niet op onpartijdige wijze heeft behartigd. De notaris mocht immers op grond van uitlatingen van de accountant ervan uitgaan dat het opgenomen verrekenbeding de instemming had van alle partijen.

5.3.5. Met betrekking tot het verwijt onder 4.6. dat hij het vertrouwen van klagers heeft beschaamd merkt de notaris op dat hij naar eer en geweten heeft gehandeld en heeft voldaan aan zijn zorgplicht.

6. De beoordeling van de ontvankelijkheid

6.1. Nu het aan de notaris verweten handelen en nalaten weliswaar heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de Wna 1999 maar de klachten eerst in 2007 zijn ingediend, is voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van klagers in hun klachten allereerst artikel 99 lid 12 van die wet van belang. Dit artikel bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

Klagers stellen dat zij voor het eerst kennis hebben genomen van het handelen en nalaten van de notaris waarop hun klachten betrekking hebben, na ontvangst op 16 november 2005 van hun door de opvolger van de notaris toegezonden afschriften van de akte van 30 december 1996, zodat zij hun klachten hebben ingediend binnen de termijn van drie jaren en zij derhalve in hun klachten ontvankelijk zijn.

De notaris is met de kamer van mening dat het niet aannemelijk is dat klagers niet eerder van het hem verweten handelen en nalaten kennis hebben gehad. Het was op zijn kantoor gebruikelijk om spoedig na het passeren van een akte afschriften te verzenden met een voorgedrukte begeleidende brief waarvan geen kopie werd gehouden. Op het dossier staat aangetekend dat afschriften zijn verzonden. Klagers hebben destijds ook nimmer om toezending van afschriften gevraagd, hetgeen op hun weg gelegen zou hebben als ze geen afschrift hadden ontvangen. Ook de accountant van de familie heeft aan de notaris verklaard rondom het verlijden van de akte met de familie, onder wie één van de klagers, over het verrekenbeding te hebben gesproken.

Naar het oordeel van het hof is niet voldoende aannemelijk geworden dat klagers vóór 13 december 2004 kennis hebben gedragen van het handelen en nalaten van de notaris waarvan zij hem thans een verwijt maken. Immers, de notaris heeft ter zitting verklaard dat uit de aantekening op het dossier wel blijkt dat afschriften zijn verzonden, maar niet hoeveel en aan wie. Aan de verklaring van de accountant jegens de notaris gaat het hof voorbij, reeds omdat daaruit niet blijkt met wie van de klagers de accountant gesproken heeft en wanneer die bespreking heeft plaatsgehad: vóór of na het passeren van de akte. Ook al zou het op de weg van klagers hebben gelegen, zoals de notaris stelt, om hem eerder om toezending van afschriften te verzoeken indien zij die niet gekregen hadden, dan betekent zulks niet dat zij geacht moeten worden eerder kennis te hebben gekregen van het aan de notaris verweten handelen en nalaten.

Nu het hof van oordeel is dat de klachten zijn ingediend binnen de bij artikel 99 lid 12 Wna 1999 gestelde termijn dient het hof te onderzoeken of de notaris door het verloop van tijd, bijna 11 jaar van het moment van het verweten handelen en nalaten tot het moment van indiening van de klachten, onredelijk in (de mogelijkheden van) zijn verdediging is geschaad. Het hof is van oordeel dat zulks niet het geval is nu is gebleken dat de notaris zich aan de hand van het dossier en met behulp van de kandidaat-notaris die destijds de zaak behandelde tegen de klachten heeft kunnen verweren.

6.2. Aan de notaris kan worden toegegeven dat het tuchtrecht andere doeleinden dient dan het civiele recht. Dit brengt weliswaar mee dat klachten door de tuchtrechter dienen te worden beoordeeld in het licht van de doeleinden van het tuchtrecht, maar niet dat ook de motieven van klagers om tot het indienen van klachten over te gaan in dat licht moeten worden beoordeeld. Het hof gaat derhalve voorbij aan de stelling van de notaris dat het oogmerk van klagers om middels de tuchtprocedure hun civiele claim jegens de notaris te versterken misbruik van tuchtrecht oplevert en dat klagers op die grond niet ontvankelijk in hun klachten moeten worden verklaard.

6.3. Ambtshalve heeft het hof overwogen dat alleen klaagster sub 1 onder de door haar afgegeven volmacht een voorbehoud heeft gemaakt onder verwijzing naar haar brief van 20 december 1996, en dat de andere klagers hun volmacht zonder voorbehoud hebben afgegeven. Dit zou mee kunnen brengen dat de klagers sub 2 en 3 niet bij alle klachten een te respecteren belang hebben.

De klagers sub 2 en 3 hebben echter onbetwist gesteld dat zij het voorbehoud niet uitdrukkelijk hebben gemaakt omdat klagers hadden afgesproken dat klaagster sub 1 dat zou doen. Het hof zal daarom voor wat betreft de ontvankelijkheid geen onderscheid tussen klagers maken.

6.4. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat klagers in hun klachten kunnen worden ontvangen.

7. De beoordeling van de klachten

7.1. Het aan de notaris verweten handelen en nalaten dateert van 1996, zodat het moet worden getoetst aan de normen zoals die destijds golden onder de vigeur van de Wet van 9 juli 1842 op het Notarisambt, verder te noemen de WNa 1842 .

Het hof zal derhalve ingevolge artikel 50c van de WNa 1842, zoals dat artikel in 1996 luidde en werd geïnterpreteerd, beoordelen of de klachten gegrond zijn wegens enig handelen of nalaten van de notaris in strijd met de zorg die hij jegens klagers had te betrachten, dan wel anderszins heeft gehandeld in afwijking van hetgeen in zijn ambt betaamt.

7.2. De klachten verwoord onder 4.1., 4.2., 4.3. en 4.7. komen alle neer op het verwijt dat de notaris in het traject uitmondend in het passeren van de akte van verdeling en levering op 30 december 1996 niet voldoende zorg heeft betracht jegens klagers, zodat uiteindelijk een ander verrekenbeding in de akte is opgenomen dan door klagers beoogd. Het hof zal deze klachten gezamenlijk behandelen.

De notaris heeft betoogd dat het door klaagster sub 1 in de door haar afgegeven volmacht gemaakte voorbehoud een standaard verrekenbeding betrof en dat haar wensen “juridisch gepolijst” dienden te worden. Het hof constateert echter dat het in de akte van 30 december 1996 opgenomen beding materieel op belangrijke punten afwijkt van en aanvullingen inhoudt op hetgeen blijkens de brief van klaagster sub 1 van 20 december 1996 door partijen is afgesproken en het juridisch polijsten te buiten gaat. Het had dan ook op de weg van de notaris gelegen om met klagers nader te overleggen over hetgeen precies was afgesproken en hun het nieuwe concept van de akte voor te leggen. Dat de tijd daarvoor ontbroken zou hebben, zoals de notaris stelt, wegens het spoedeisend karakter van de zaak wordt reeds weersproken door het feit dat aan de vader en de broer van klagers en aan de accountant op 24 december 1996 het nieuwe concept wel werd toegezonden. Niet in te zien valt waarom dit concept ook niet aan klagers had kunnen worden toegezonden. Het verweer van de notaris dat hij er op mocht vertrouwen dat klagers met het opgenomen beding akkoord waren omdat de accountant die de opdracht namens de familie had verstrekt en contactpersoon van de familie was zich daarmee akkoord had verklaard, faalt omdat tegenover de gemotiveerde betwisting van klagers niet is komen vast te staan dat de accountant namens klagers kon spreken, noch dat klagers dat vertrouwen bij de notaris hadden gewekt.

Het hof acht deze klachten derhalve gegrond.

7.3. Met betrekking tot de klacht onder 4.4. overweegt het hof dat noch de WNa 1842 noch de daarop geënte in 1996 van kracht zijnde Beroeps- en Gedragsregels van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie een regel inhielden dat de notaris gehouden was na het passeren van een akte ongevraagd aan alle partijen een afschrift daarvan toe te zenden.

Het hof acht deze klacht ongegrond.

7.4. De klacht onder 4.5. behelst dat de notaris niet de belangen van alle betrokkenen op onpartijdige wijze heeft behartigd. Hoewel het hof van oordeel is, zoals vooroverwogen, dat de notaris niet voldoende zorg heeft betracht is niet aannemelijk geworden dat de notaris het verwijt treft partijdig te zijn opgetreden. Het hof constateert in dit verband dat het door de notaris opgenomen verrekenbeding niet alleen afwijkingen kent ten nadele van klagers, maar ook te hunnen voordele.

Het hof acht deze klacht ongegrond.

7.5. Tenslotte acht het hof de klacht onder 4.6. dat de notaris het vertrouwen van klagers, en daarmee ook van het publiek, heeft beschaamd ongegrond. Immers, indien het vertrouwen wordt beschaamd is dat een gevolg van klachtwaardig handelen of nalaten, maar niet een handelen of nalaten van de notaris dat zich voor een zelfstandige beoordeling leent.

Het hof acht deze klacht ongegrond.

8. Slotsom

8.1. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet terzake dienend buiten beschouwing blijven.

8.2. Nu het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven.

8.3. In aanmerking nemend de ernst van de gegrond bevonden klachten zal het hof aan de notaris de maatregel van waarschuwing opleggen.

8.4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing:

9. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing van de kamer;

- verklaart klagers ontvankelijk in hun klachten;

- verklaart de klachten deels gegrond en deels ongegrond als vooroverwogen;

- legt aan de notaris de maatregel van waarschuwing op;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, F.A.A. Duynstee en

C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2009 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE MIDDELBURG

Beslissing van 10 april 2008 in de zaak van

KvT 9/2007

1. P. [X]-[Y],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

2. J. [Z]-[Y],

wonende te [plaats],

3. J.W. [Y],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

klagers,

gemachtigde mr. K. van Overloop,

tegen:

mr. J. [A],

oud-notaris te [naam],

verweerder,

in persoon.

1. Het verloop van de procedure

Partijen worden verder aangeduid als klagers respectievelijk de oud-notaris.

Klagers hebben zich bij brief, ingekomen op 13 december 2007, gewend tot de Kamer van Toezicht te Middelburg, hierna de Kamer, met een klacht tegen de oud-notaris.

De oud-notaris heeft bij brief, ingekomen op 16 januari 2008, op de klacht gereageerd. Een afschrift van deze brief is verzonden aan klagers. Door de voorzitter is de klacht ter kennis van de Kamer gebracht. De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden ter openbare vergadering van de Kamer van 26 februari 2008. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

2. De feiten

2.1. Tussen de heren A. [Y] sr. en A. [Y] jr., respectievelijk vader en broer van klagers, bestond een landbouwmaatschap. A. [Y] sr. wenste zijn bedrijf over te dragen aan A. [Y] jr. In verband met het feit dat de echtgenote van A. [Y] sr., met wie hij in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, was overleden, was voor de verdeling van het maatschapsvermogen de medewerking van de overige kinderen, klagers, vereist.

2.2. Op 18 december 1996 is aan alle betrokkenen een conceptakte van verdeling toegezonden, waarbij aan klagers tevens een volmacht is toegezonden.

2.3. Klagers sub 2 en 3 hebben de volmacht ondertekend, zonder commentaar teruggezonden.

2.4. Klaagster sub 1 heeft de door haar ondertekende volmacht bij brief van 20 december 1996 retour gezonden. Op de door haar ondertekende volmacht vermeldt zij:

“zie voorbehoud bijgaande brief”. In de brief van 20 december 1996 heeft zij ondermeer verzocht een vervreemdingswinstbeding in de overeenkomst op te nemen.

2.5. De akte van verdeling is bij volmacht van klagers verleden op 30 december 1996. In deze akte is, naar aanleiding van voornoemde brief van klaagster sub 1, een vervreemdingswinstbeding opgenomen, waarbij anders dan c.q. in aanvulling op hetgeen klaagster sub 1 had verzocht ondermeer een tijdslimiet van 10 jaar is gesteld.

2.6. In 2005 heeft A. [Y] twee percelen, waarop de akte van verdeling betrekking had, verkocht aan de gemeente [naam].

3. De klacht en het verweer van de notaris

3.1.1. Klagers stellen dat de oud-notaris heeft gehandeld c.q. nagelaten in strijd met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten. Zij verwijten de oud-notaris onzorgvuldig optreden bij (de voorbereiding van) het opmaken en verlijden van een akte van verdeling.

3.1.2. De uit zeven onderdelen bestaande klacht van klagers komt er - kort gezegd - op neer dat er in de akte van verdeling een vervreemdingswinstbeding is opgenomen dat veel nadeliger is voor klagers dan partijen onderling waren overeengekomen. Klagers zijn hiervan niet op de hoogte gesteld. Zij hebben pas jaren later de definitieve akte op eigen verzoek ontvangen, nadat zij uit de krant hadden vernomen dat A. [Y] jr. twee percelen waarop de akte betrekking heeft aan de gemeente [naam] had verkocht.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid stellen klagers dat zij pas op 16 november 2005 kennis hebben genomen van de definitieve tekst van de akte. Zij behoefden niet te twijfelen aan de uiteindelijke tekst van het vervreemdingswinstbeding. Zij waren niet aanwezig bij het verlijden van de akte. Aangezien klaagster sub 1 een uitdrukkelijk voorbehoud had gemaakt via de volmacht, mochten klagers ervan uitgaan dat de definitieve akte daarop werd aangepast. A. [Y] heeft klagers nooit op de hoogte gesteld van de definitieve tekst. Pas jaren later werd het voor klagers bekend dat er een ander vervreemdingswinstbeding was opgenomen dan zij tijdens de familiebespreking van 29 september 1996 onderling waren overeengekomen.

3.2. De oud-notaris voert verweer. Hij stelt primair dat klagers ingevolge artikel 99 lid 12 van de Wet op het notarisambt niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun klachten. Een klacht kan slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen. De oud-notaris betwist dat klagers pas op 16 november 2005 kennis hebben genomen van de definitieve tekst van de akte van verdeling. Hij bestrijdt gemotiveerd dat zij destijds niet op de hoogte zouden zijn gesteld van de inhoud van de akte. Daarbij komt dat klagers na het passeren van de akte nooit bezwaar hebben gemaakt, bijvoorbeeld in die zin dat zij geen akte zouden hebben ontvangen. Dit zou voor de hand hebben gelegen, temeer nu klagers zich terzake kundig opstelden en om opname van een beding als het onderhavige verzochten.

Voorzover de Kamer klagers toch ontvankelijk acht in hun klachten, betwist de oud-notaris deze klachten inhoudelijk gemotiveerd.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de klacht tegen de oud-notaris gezien het tijdstip van indiening ontvankelijk is. De ontvankelijkheid van de klacht dient beoordeeld te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 99 lid 12 van de Wet op het Notarisambt (WNA).

Ingevolge artikel 99 lid 12 WNA kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

4.2. Ter griffie is op 13 december 2007 de klacht van klagers ingekomen, die betrekking heeft op het handelen of nalaten van de oud-notaris bij het passeren van de akte van verdeling d.d. 30 december 1996.

De Kamer is van oordeel dat klagers alleen kunnen worden ontvangen in hun klacht indien zij redelijkerwijze drie jaren voorafgaand aan het indienen van de klacht, dus vóór 13 december 2004 geen kennis hebben gehad van het handelen of nalaten van de oud-notaris. De Kamer acht dit niet aannemelijk.

Ter zitting is duidelijk geworden dat klagers ermee bekend waren dat de akte vóór 31 december 1996 moest worden verleden. Klagers hadden er belang bij om kennis te nemen van de inhoud van de akte, temeer daar klaagster sub 1 een voorbehoud had gemaakt bij het verlenen van de volmacht. Toen klagers, zoals zij thans stellen, geen afschrift van de definitieve akte ontvingen, had het op hun weg gelegen daarna te informeren. Nu zij dit hebben nagelaten, dient het voor hun eigen rekening en risico te blijven dat zij niet eerder kennis hebben genomen van de inhoud van de akte.

4.3. De hiervoor sub 4.2. genoemde termijn van drie jaren wordt dan ook geacht te zijn aangevangen op een eerder moment dan 13 december 2004, zodat klagers hun klacht te laat hebben ingediend.

4.4. Op grond van het voorgaande is de klacht niet ontvankelijk.

5. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Middelburg:

- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L.A.M. van Dijke, voorzitter, mrs. C. Kool, H. Quispel, J. van den Berg en D. Oostinga, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.A.C.M. Maandag-Leussink, secretaris, en uitgesproken op 10 april 2008.

Hoger beroep tegen vorenstaande beslissing is mogelijk door indiening van een verzoekschrift bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam (Prinsengracht 436, correspondentieadres Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen dertig dagen na dagtekening van de aangetekende brief waarbij deze beslissing aan u is toegezonden.