Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI3658

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
106.009.425/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen vervangende toestemming tot erkenning, belangenafweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 20 januari 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 106.009.425/01 (rekestnummer 856/06) van:

[DE VROUW],

wonende te [woonplaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam,

t e g e n

[DE MAN],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. E. Schoneveld te Amsterdam.

1. Het verdere geding in hoger beroep

1.1. Het hof verwijst naar en neemt hier over hetgeen omtrent het geding in hoger beroep, de feiten en het geschil in hoger beroep is vermeld in de beschikkingen van het hof van 5 juli 2007 en 13 september 2007.

1.2. Het hof heeft op 13 september 2007 een tussenbeschikking gegeven en daarbij, in afwijking van de tussenbeschikking van 5 juli 2007, de Raad voor de Kinderbescherming vestiging Amsterdam (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of het in [het] belang [van het kind] is als de man hem erkent, waarbij gepoogd dient te worden een inschatting te maken van de psychische draagkracht van de moeder in de situatie dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend tot erkenning van [het kind] en waarbij, indien de vraag niet beantwoord kan worden, door de Raad alsnog besloten kan worden een FORA onderzoek voor ouder en kind aan te vragen. Het hof heeft de Raad verzocht vóór 11 januari 2008 omtrent de resultaten van dit onder¬zoek schriftelijk rapport uit te brengen en heeft de behandeling tot die datum pro forma aangehouden.

1.3. De Raad heeft over de resultaten van dit onderzoek op 23 mei 2008 rapport uitgebracht en dit rapport bij brief van 26 mei 2008 aan het hof gezonden.

1.4. Bij twee brieven, gedateerd 17 juni 2008 en 3 juli 2008 heeft de advocaat van de vrouw gereageerd op dit rapport.

1.5. De advocaat van de man heeft bij brief van 25 juni 2008 op de eerste brief van de advocaat van de vrouw gereageerd en daarbij verzocht om aanhouding teneinde de vrouw in de gelegenheid te stellen contra-expertise te verrichten.

1.6. Bij brieven van 15 juli 2008 heeft de griffier namens het hof de advocaten van partijen medegedeeld dat op het verzoek van de advocaat van de vrouw ter terechtzitting zal worden beslist.

1.7. Het hof heeft bij de mondelinge behandeling van 28 juli 2008 de moeder in de gelegenheid gesteld om door een ter zake deskundige een persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten naar haar psychische draagkracht in de situatie dat aan de man vervangende toestemming wordt verleend tot erkenning van [het kind], met het verzoek om over de resultaten van dit onderzoek door de deskundige schriftelijk rapport te laten uitbrengen. Het hof heeft de behandeling van de zaak daartoe pro forma aangehouden tot 12 oktober 2008 en de moeder verzocht om vóór die datum het rapport van de deskundige aan de griffie van het hof toe te sturen, met afschrift daarvan aan de advocaat van de man, de bijzonder curator en de Raad.

1.8. De moeder heeft op 10 oktober 2008 het deskundigenrapport aan het hof gezonden.

1.9. De man heeft op 20 november 2008 een schriftelijke reactie op het deskundigenrapport aan het hof gezonden.

1.10. De moeder heeft op 24 november 2008 een brief aan het hof gezonden.

1.11. De advocaat-generaal, mr. C.A. van Beuningen, heeft op 25 november 2008 een brief aan het hof gezonden.

1.12. De zaak is op 4 december 2008 nader ter terechtzitting behandeld.

1.13. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw T. Noordermeer, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Amsterdam;

- mr. M.J. Westhoff, bijzonder curator.

2. Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1. Het hof overweegt dat bij een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning door de rechter in de zin van artikel 1:204 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) uitgangspunt is dat de verwekker en het kind er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang en de aanspraak van de man op erkenning moeten worden afgewogen tegen de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind en de belangen van het kind. Van schade aan de belangen van het kind in de zin van dit artikel is slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het belemmerd wordt in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat dit onder meer het geval zou kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft.

De Raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep een nadere toelichting gegeven op de conclusie, zoals geformuleerd in zijn rapport van 23 mei 2008. Het advies van de Raad moet worden gezien in het kader van de taak van de moeder om [het kind] in te lichten over zijn biologische vader. Het hof erkent met de Raad en de bijzonder curator, dat het in het belang van [het kind] is om binnen afzienbare tijd op de hoogte te worden gebracht van het bestaan van zijn biologische vader. De moeder heeft verklaard [het kind] hiervan op de hoogte te zullen brengen na hem hierop uitgebreid te hebben voorbereid. De Raad heeft verder ter terechtzitting geconcludeerd dat het thans niet in het belang van [het kind] is om door de man te worden erkend.

De advocaat-generaal heeft bij zijn brief zoals genoemd onder 1.11. verklaard zijn standpunt dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, niet te hebben gewijzigd.

Het deskundigenrapport zoals genoemd onder 1.8. is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de deskundigen dr. De Greeff en dr. Schopman, respectievelijk psychiater en psychiater in opleiding en beiden verbonden aan de instelling voor geestelijke gezondheidszorg De Geestgronden te Amstelveen. De man heeft zijn stelling dat de deskundigen gebruik hebben gemaakt van een ondeugdelijke onderzoeksmethode niet aannemelijk kunnen maken. Het hof ziet ook verder geen aanleiding de validiteit van het onderzoek in twijfel te trekken en de resultaten van dit onderzoek niet mee te nemen in de beoordeling van het onderhavige geschil.

In de conclusie van het rapport wordt onder andere geconstateerd dat bij de moeder sprake is van angst- en paniekklachten. De biologische vader wil erkenning terwijl hij de moeder gedurende haar zwangerschap heeft mishandeld en daarna voortdurend heeft bedreigd en in eerste instantie niets van het kind wilde weten. De moeder heeft daardoor angsten ontwikkeld met nachtmerries en paniek. De moeder vertoont toenemend controlegedrag, uit angst dat de biologische vader van [het kind] meer in beeld komt of dreigt te komen. Dat gedrag kan beperkend zijn voor de ontwikkeling van het kind. [Het kind] kan angsten ontwikkelen en zich minder vrij ontplooien. De biologische vader is door zijn gedrag bepalend voor het welbevinden van het gezin als geheel. Er is sprake van een chronische aanpassingsstoornis met angst bij een voortschrijdend trauma, waarbij gelet moet worden dat de moeder geen depressie of posttraumatische stressstoornis ontwikkelt.

Het hof acht gelet op de inhoud van bovengenoemd rapport de kans onaanvaardbaar groot dat de moeder ten gevolge van de erkenning door de biologische vader in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is [het kind] het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. Uit het Raadsrapport blijkt dat partijen niet erin slagen met elkaar te communiceren. Beide partijen hebben hulpverlening gehad waarin problematiek van het omgaan met de ex-partner aan bod is geweest, wat bij beiden tot onvoldoende resultaat heeft geleid. De bijzonder curator heeft dienaangaande ter terechtzitting verklaard dat er tussen partijen sprake is van een strijd, die al voor de geboorte van [het kind] is begonnen en zeer waarschijnlijk zou voortduren indien de man toestemming krijgt om [het kind] te erkennen. Erkenning van [het kind] door de man zou volgens de bijzonder curator daarom in strijd zijn met de belangen van [het kind].

Het hof oordeelt met de Raad dat het van groot belang is dat het huidige gezinsleven van [het kind], waarin de moeder en de heer […] verantwoordelijk zijn voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van [het kind] en zijn halfbroertje, ongestoord blijft. Gelet op voorgaande overwegingen oordeelt het hof dat de belangen van de moeder en [het kind] zich verzetten tegen het verlenen van toestemming aan de man tot erkenning van [het kind] en in de belangenafweging zwaarder dienen te wegen dan het belang dat de man heeft bij erkenning. Het hof gaat daarom voorbij aan het standpunt van de advocaat-generaal en zal de bestreden beschikking vernietigen en het inleidend verzoek van de man alsnog afwijzen.

2.2. Dit leidt tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het inleidend verzoek van de man alsnog af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, M.M.A. Gerritzen-Gunst en P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. K.W. van Mourik als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2009.