Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI3639

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
07/00505
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De heffingsamtbenaar kan volstaan met een redelijke schatting op basis van de hem voorhanden gegevens, als belanghebbende willens en wetens niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 50 AWR jo. artikel 30 Wet WOZ op hem rustende wettelijke verplichting toegang tot een gebouw of grond te verschaffen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 50
Wet waardering onroerende zaken 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/890 met annotatie van Redactie
FutD 2009-1054
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P07/00505

Uitspraak: 7 mei 2009

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X],

wonende te [Z],

belanghebbende,

gemachtigde mr. A.D.J. van Ruyven, advocaat te Utrecht,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer SBR 07/10 van de rechtbank Utrecht van 18 juli 2007, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Utrecht,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij twee op één biljet verenigde beschikkingen als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) van 31 oktober 2003 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de door hem als afzonderlijke onroerende zaken aangemerkte objecten, plaatselijk bekend als:

- [R-straat te P], objectnummer [11111], omvattende de begane grond met kelder, en

- [R-straat te P], objectnummer [22222], omvattende de eerste, tweede en derde verdieping,

vastgesteld op respectievelijk € 204.201 en € 410.438 naar waardepeildatum 1 januari 1999. De beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004. Hierna worden beide door de heffingsambtenaar onderscheiden objecten gezamenlijk ook aangeduid als: het gebouw.

1.2. Na tegen de beschikkingen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar van 19 juli 2005 de waarde van het object met objectnummer [11111] verlaagd naar € 190.868 en de waarde van het object met objectnummer [22222] gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep bij de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 augustus 2006 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak (bedoeld is kennelijk: de uitspraken) van de heffingsambtenaar vernietigd en hem opgedragen een nieuwe uitspraak (bedoeld is kennelijk: nieuwe uitspraken) op bezwaar te nemen.

1.4. Bij uitspraken op bezwaar, verzonden op 21 november 2006, heeft de heffingsambtenaar opnieuw de waarde van het object met objectnummer [11111] verlaagd naar € 190.868 en de waarde van het object met objectnummer [22222] gehandhaafd.

1.5. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de heffingsambtenaar opnieuw beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.6. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief van 12 januari 2009 nadere stukken ingezonden. De griffier heeft kopieën daarvan op 12 januari 2009 naar de wederpartij gezonden.

1.8. De mondelinge behandeling van de zaak in hoger beroep heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 23 januari 2009. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgesteld dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom van het gebouw [R-straat te P]. In 1997 heeft belanghebbende het gebouw aangekocht voor ƒ 820.000 (€ 372.099). Ter vaststelling van de waarde op de waardepeildatum 1 januari 1999 heeft de heffingsambtenaar het gebouw afgebakend als twee onroerende zaken zoals omschreven onder 1.1. Belanghebbende beschouwt het gebouw als één onroerende zaak met een waarde op de waardepeildatum 1 januari 1999 van € 372.000.

2.2. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 28 augustus 2006 opgedragen de objectafbakening met betrekking tot het gebouw [R-straat te P] opnieuw te bezien en op grond van de uitkomsten daarvan opnieuw te beoordelen of sprake is van één onroerende zaak dan wel van meer afzonderlijke onroerende zaken.

2.3. Teneinde uitvoering te geven aan de door de rechtbank verstrekte opdracht, heeft de heffings¬ambte¬naar belanghebbende mondeling op 12 september 2006 en bij brief van 13 september 2006 om toegang tot het gebouw verzocht met het doel het inpandig te kunnen opnemen.

2.4. Blijkens de brief van de heffingsambtenaar van 2 oktober 2006 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar die toegang geweigerd.

2.5. Bij brief van 10 oktober 2006 heeft de gemachtigde van belanghebbende de heffings¬ambtenaar meegedeeld dat de indeling van het pand bekend was, zodat bezichtiging niet nodig was. Daarnaast heeft de gemachtigde meegedeeld, dat hij, hoewel hij daartoe geen reden zag, als een bezichtiging dan toch noodzakelijk zou zijn, belanghebbende bereid zou vinden om vanuit zijn woonplaats [S] de gevraagde toegang te komen verlenen tegen vergoeding van kosten van € 200 per uur.

2.6. Ervan uitgaande dat belanghebbende de gevraagde toegang tot het gebouw alsnog heeft willen verlenen, heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 13 oktober 2006 bericht een inpandige opname te willen verrichten zonder vergoeding van kosten, onder verwijzing naar de verplichtingen als bedoeld in de artikelen 50 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en 30 van de Wet WOZ.

2.7. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar op 20 oktober 2006 meegedeeld dat hij op 25 oktober 2006 om 14.00 uur in het gebouw aanwezig zou zijn en dat de taxateur het dan zou kunnen komen bezichtigen. Bij emailbericht van 21 oktober 2006 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar meege¬deeld alleen de taxateur te willen ontvangen, geen gemeentelijke delegatie, en verklaard dat de taxateur geen toestemming heeft om zonder hem het pand te betreden.

2.8. Op 24 oktober 2006 heeft de heffingsambtenaar belanghebbende meegedeeld dat de taxateur zou verschijnen, vergezeld van [mr. X], fiscaal jurist, werkzaam bij de gemeentelijke belastingdienst. Daarop heeft belanghebbende de heffingsambtenaar meegedeeld dat belanghebbende geen toegang zou geven aan twee personen en dat slechts [mr. X] toegang tot het gebouw zou worden verschaft, omdat belanghebbende het verlenen van toegang aan de taxateur niet noodzakelijk achtte. Nadat de heffingsambtenaar had volhard met twee personen te zullen verschijnen, heeft belanghebbende de afspraak geannuleerd en de beide afgevaardigden van de heffings¬ambtenaar de toegang tot het pand geweigerd. Desondanks hebben zij zich op 25 oktober 2006 naar het gebouw begeven, alwaar zij belanghebbende troffen, die op dat moment tevergeefs trachtte zijn (onbereikbare) gemachtigde te raadplegen.

2.9. De inpandige opneming van het gebouw door (één of meer vertegenwoordigers van) de heffingsambtenaar heeft nimmer plaatsgevonden.

3. Geschil in hoger beroep

In geschil is of belanghebbende toegang had moeten verlenen tot het gebouw, voor een inpandige opname, aan de door de heffingsambtenaar gezonden taxateur en fiscaal jurist of slechts aan een van beiden. Voorts is in geschil of voor de toepassing van de Wet WOZ sprake is van één onroerende zaak, zoals belanghebbende voorstaat, dan wel van meer onroerende zaken die mogen worden gewaardeerd alsof ze afzonderlijk in eigendom overdraagbaar zijn, zoals de heffingsambtenaar van opvatting is. Ten slotte is in geschil de waarde van de onroerende zaak dan wel de onroerende zaken op de waardepeildatum.

4. Standpunten van partijen

4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van de zitting.

4.2. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraken op bezwaar en van de beschikkingen alsmede tot vaststelling van de waarde van het gebouw op € 372.000.

4.3. De heffingsambtenaar heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet WOZ zijn met betrekking tot de waardebepaling en de waardevaststelling als bedoeld in de hoofdstukken III en IV van die wet, de artikelen 1, vierde lid, 5, eerste lid, tweede volzin, 22j tot en met 30, 47, 49 tot en met 51, 53a, 54 en 56 tot en met 60 van de AWR van overeenkomstige toepassing. De bevoegdheden en verplichtingen die ingevolge de AWR gelden met betrekking tot de inspecteur, gelden daarbij voor de heffingsambtenaar, zoals is bepaald in het vijfde lid, eerste volzin, van artikel 30 Wet WOZ.

5.2. Ingevolge artikel 50 AWR, in verbinding met artikel 30 Wet WOZ, is een ieder die een gebouw of grond in gebruik heeft, verplicht de heffingsambtenaar en de door deze aangewe¬zen deskundigen desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van dat gebouw en alle grond, voor zover dat voor een ingevolge de belastingwet te verrichten onderzoek noodzakelijk is, zulks ter beoordeling van de heffingsambtenaar. De gevraagde toegang moet worden verleend, tussen acht uur ’s ochtends en zes uur ’s avonds, met uitzondering van zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen. Indien het gebouw of de grond wordt gebruikt voor het uitoefenen van een bedrijf, een zelfstandig beroep of een werkzaamheid wordt, voor zover het redelijkerwijs niet mogelijk is het onderzoek te doen plaatsvinden tijdens de zojuist genoemde uren, de gevraagde toegang verleend tijdens de uren waarin het gebruik voor de uitoefening van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid daadwerkelijk plaatsvindt. De gebruiker van het gebouw of de grond is verplicht desgevraagd de aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn.

5.3. Het niet-voldoen aan de verplichting van artikel 50, eerste lid, AWR is strafbaar gesteld bij artikel 68, eerste lid, onderdeel a, AWR.

5.4. Uit deze bepalingen volgt, dat belanghebbende zonder omhalen gehouden was de hef¬fingsambtenaar en de door deze aangewezen deskundigen, zoals de taxateur en de fiscaal jurist, desgevraagd toegang te verlenen tot alle gedeelten van het gebouw. Het Hof wijst er in dit verband op dat die bepalingen na de uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2006, waarbij de uitspraken van de heffingsambtenaar zijn vernietigd en hem is opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen, weer van toepassing zijn geworden. De bezwaarfase is daarmee immers opnieuw begonnen. Niet is gebleken dat de heffingsambtenaar van de hem toekomende bevoegdheden geen redelijk gebruik heeft ge¬maakt (MvA, Kamerstukken II 1990/91, 21 287, nr. 5, blz. 21). Zeker nu (ook) de objectafbakening in geschil is – hetgeen mede een juridische waardering van de feitelijke situatie vereist – heeft de heffingsambtenaar niet onredelijk gehandeld door toegang te vragen voor een taxateur én een fiscaal jurist.

5.5. In plaats van mee te werken aan de uitvoering van het onderzoek ter verificatie van de toegepaste objectafbakening, heeft belanghebbende de taxateur en de fiscaal jurist de toegang tot het gebouw geweigerd. Beiden waren in opdracht van de hef¬fingsambtenaar met het onderzoek belast. Het aldus dwarsbomen van het onderzoek is ontoelaatbaar en in strijd met de wettelijke verplichtingen voortvloeiend uit voren¬staande wettelijke bepalingen. Daaraan doet niet af dat belanghebbende wel toegang heeft willen verlenen aan één persoon omdat hij de noodzaak voor een gezamenlijke inpandige opname door twee per¬sonen (de taxateur en de fiscaal jurist) niet inzag. Belanghebbende is immers niet in de positie om op voorhand voor¬waar¬den of beperkingen te stellen aan de wijze waarop het onderzoek diende plaats te vinden. Met name behoefde de heffingsambtenaar niet ten genoegen van belanghebbende te motiveren waarom het nood¬za¬kelijk was om meer dan één deskundige toegang te ge¬ven tot het gebouw. Belang¬heb¬bende heeft slechts desgevraagd de aanwijzingen te geven die voor het onderzoek nodig zijn.

5.6. Naar het oordeel van het Hof is de heffingsambtenaar er met hetgeen hij heeft betoogd en aangevoerd in geslaagd de door hem verdedigde objectafbakening en waarden aanne¬me¬lijk te maken. Daarbij heeft het Hof rekening gehouden met de omstandigheid dat de door de heffingsambtenaar in aanmerking genomen verhoging van die waarden wegens inpandige aanpassingen van het gebouw op voorhand niet onaannemelijk of onredelijk voorkomt en dat op dit punt van de heffingsambtenaar in redelijkheid niet meer mag worden verlangd dan het maken van een redelijke schat¬ting op basis van de hem voorhanden gegevens, nu belangheb¬bende willens en wetens niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 50 AWR jo. artikel 30 Wet WOZ op hem rustende wettelijke verplichting de hef¬fings¬ambtenaar dan wel de door deze aangewezen deskundigen toegang tot het gebouw te ver¬lenen teneinde hen in staat te stellen het gebouw inpandig te taxeren en uitvoering te geven aan de opdracht van de rechtbank.

Slotsom

5.7. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en W.M.G. Visser, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van D.Y.L. Siu als griffier. De beslissing is op 7 mei 2009 in het openbaar uitgesproken.

(de griffier is verhinderd de

uitspraak mede te ondertekenen) (wegens afwezigheid van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer)

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.