Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI3461

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
08-01053
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BN6309, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BN6309
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

a. Exploitante van een geldtransactiekantoor ontvangt in Nederland bedragen in euro’s. Deze bedragen worden aan personen buiten Nederland – zowel in als buiten de EG – uitbetaald in euro’s of in andere valuta. Niet aannemelijk is gemaakt dat de personen die het geld ter beschikking stelden, hun woonplaats buiten de EG hadden. Geen recht op aftrek van voorbelasting.

b. Belanghebbende betaalt voorts bedragen uit aan personen die zich in Nederland bevinden. Daartoe krijgt zij opdracht van een financiële instelling buiten Nederland. Het Hof oordeelt dat de uitbetaling van de gelden plaatsvindt op grond van een rechtsverhouding tussen de financiële instelling in het buitenland en belanghebbende. Aldus is sprake van een dienst van belanghebbende jegens die instelling. Belanghebbende ontvangt voor deze werkzaamheden een vergoeding. Uit een en ander volgt dat belanghebbende diensten heeft verricht aan onder meer afnemers buiten de Gemeenschap. Daarvan uitgaande zijn partijen het erover eens dat belanghebbende aanspraak heeft op aftrek van € 20 aan voorbelasting.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 11
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/32.1.4
FutD 2009-1050
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk P08/01053

7 mei 2009

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de besloten vennootschap X B.V., gevestigd te Z, belanghebbende,

gemachtigde mr. J.M.F.W. Govers,

tegen de uitspraak in de zaak no. AWB 07/8611 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende diende haar aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 elektronisch in op 29 maart 2007. Bij brief van 30 maart 2007, poststempel 1 april 2007, ter inspectie ontvangen op 3 april 2006, maakt belanghebbende bezwaar.

De inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak van 14 december 2007 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 14 augustus 2008 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar ontvankelijk verklaard, het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting afgewezen, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 322 en de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) gelast het betaalde griffierecht van € 285 te vergoeden.

1.3. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 september 2008, aangevuld bij brieven van 3 november 2008 en 19 november 2008. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Zij exploiteert een geldtransactiekantoor.

2.2. Belanghebbende verricht zogenoemde gegarandeerde transacties. Zij ontvangt in Nederland van personen bedragen in euro’s en neemt op zich deze bedragen in euro’s of in andere valuta aan personen buiten Nederland – zowel binnen als buiten de Europese Gemeenschap (hierna: Gemeenschap) – uit te (laten) keren.

Belanghebbende brengt daarvoor aan de persoon die het geld ter overmaking aanbiedt een bedrag in rekening. Belanghebbende geeft een financiële instelling in het land waarin de woonplaats van degene voor wie het geld is bestemd is gelegen, opdracht het bedrag aan deze uit te betalen. Voor zover het betreft landen buiten de eurozone wordt de uitbetaling gedaan in lokale valuta. De financiële instelling die de uitbetaling verricht houdt in dat geval een bedrag in lokale valuta in op het uit te betalen bedrag. Wanneer bij belanghebbende euro’s worden aangeboden en de uitbetaling plaatsvindt in lokale valuta, wordt een zodanige wisselkoers gehanteerd dat koerswinst wordt gemaakt. Het bedrag van de koerswinst komt voor de helft toe aan belanghebbende en voor de andere helft aan de uitbetalende instelling. In sommige gevallen weet de aanbieder van euro’s bij belanghebbende welk bedrag in lokale valuta aan de begunstigde zal worden betaald en in andere gevallen niet.

2.3. Belanghebbende verricht voorts diensten in het kader van zogenoemde geadviseerde transfers. In dat geval betaalt belanghebbende bedragen uit aan personen die zich in Nederland bevinden. Daartoe krijgt zij opdracht van een financiële instelling in het land waar de opdrachtgever tot de betaling verblijft. Belanghebbende houdt bij de uitbetaling een bedrag in. In dergelijke gevallen wordt niet altijd koerswinst behaald. Wanneer dat wel het geval is, komt daarvan aan belanghebbende de helft toe.

2.4. Belanghebbende heeft in 2006 de volgende provisies genoten:

Gegarandeerde transacties binnen de Gemeenschap € 2.272 6,74 %

Gegarandeerde transacties buiten de Gemeenschap € 30.201 89,62 %

Geadviseerde transfers € 1.226 3,64 %

€ 33.699

2.5. Belanghebbende maakte in beroep over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 aanspraak op teruggave van een bedrag van 89,62 procent van € 8.249 (de totale aan belanghebbende in rekening gebrachte belasting), ofwel € 7.393.

3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“5.1. Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beoordelen of verweerder (Hof: de inspecteur) het verzoek om aftrek van voorbelasting terecht heeft afgewezen.

5.2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel i, sub 1, van de Wet OB zijn, onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden van de belasting vrijgesteld de volgende leveringen en diensten: de handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende deviezen, bankbiljetten en munten, welke in enig land de hoedanigheid van wettig betaalmiddel bezitten, met uitzondering van bankbiljetten en munten, welke gewoonlijk niet als wettig betaalmiddel worden gebruikt of welke een verzamelwaarde hebben.

5.2.2. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel j, sub 2, van de Wet OB zijn, onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden van de belasting vrijgesteld de volgende diensten: de handelingen, bemiddeling daaronder begrepen, betreffende giro- en rekening courantverkeer, deposito’s, betalingen, overmakingen, schuldvorderingen, cheques en andere handelspapieren, met uitzondering van de invordering van schuldvorderingen.

5.3. De rechtbank is van oordeel dat de werkzaamheden van eiseres (Hof: belanghebbende) vallen onder de hierboven genoemde diensten. Dit betekent dat er voor de door eiseres uitgevoerde diensten in beginsel geen recht bestaat op aftrek van voorbelasting.

5.4. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wet OB vindt aftrek van belasting slechts plaats, voor zover de goederen en de diensten worden gebezigd ten behoeve van prestaties van de ondernemer als bedoeld in de artikelen 11 en 28k, indien het betreft de in eerstgenoemd artikel, onderdelen i, j en k, bedoelde prestaties, mits de afnemer van die prestaties buiten de Gemeenschap woont of is gevestigd, dan wel die prestaties rechtstreeks betrekking hebben op goederen welke zijn bestemd om te worden uitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap.

5.5. Eiseres meent op grond van bovenstaande wettekst in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting. In dit verband is van belang vast te stellen wie de afnemer is van de door eiseres verrichte prestaties. Eiseres is van mening dat de afnemer van de prestatie is degene die het geld in het buitenland ontvangt. Verweerder is van mening dat de afnemer van de prestatie is degene die in Nederland bij eiseres de opdracht geeft om in het buitenland geld te overhandigen aan een derde.

5.6. De rechtbank is van oordeel dat de afnemer van de prestatie is degene die met eiseres in Nederland een rechtsbetrekking is aangegaan teneinde in het buitenland geld te laten overhandigen aan een derde en die aan eiseres instructies en aanwijzingen kan geven omtrent de uitvoering en de inhoud van de dienst. Dat een onderdeel van de prestatie zich buiten de EG afspeelt, te weten het door een aan eiseres gelieerd bedrijf overhandigen van geld aan een derde, is niet doorslaggevend. Nu de afnemer van de prestaties niet buiten de Gemeenschap woont of is gevestigd, vindt geen aftrek van voorbelasting plaats. Dit betekent dat verweerder het verzoek van eiseres om aftrek van voorbelasting terecht heeft afgewezen. Dat de ontvanger van het geld ook een zeker genot aan de dienst ontleent, is niet van belang, nog afgezien van de vraag of de betaler niet het grootste genot van de dienst heeft, omdat hij met de overmaking kennelijk in een door hem gevoelde behoefte voorziet of aan een op hem rustende verplichting voldoet.

5.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.

5.8. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1).”

4. Geschil in hoger beroep

In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van de haar in rekening gebrachte omzetbelasting op de voet van artikel 15, tweede lid, van de Wet, zoals die bepaling in het onderhavige tijdvak luidde.

Ter zitting heeft belanghebbende haar stellingen dienaangaande gepreciseerd in dier voege dat naar haar mening van het totale bedrag van de voorbelasting in elk geval 89,62% aftrekbaar is.

Tussen partijen is niet meer in geschil de ontvankelijkheid van het bezwaar.

In geschil is voorts de hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar hetgeen dienaangaande in de gedingstukken is vermeld. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. Vaststaat dat belanghebbende prestaties verricht als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel i, van de Wet.

6.2. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de Wet, zoals die bepaling destijds luidde, bestaat voor vrijgestelde prestaties als bedoeld in artikel 11 van de Wet slechts aanspraak op aftrek van voorbelasting als het gaat om prestaties – voor zover hier van belang – als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel i, mits de afnemer van die prestaties buiten de Gemeenschap woont of is gevestigd, dan wel die prestaties rechtstreeks betrekking hebben op goederen welke zijn bestemd om te worden uitgevoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap.

6.3. Met betrekking tot de zogenoemde gegarandeerde transacties wordt, gelet op de onder 2.2 vermelde feiten, naar het oordeel van het Hof door belanghebbende een dienst verleend aan de persoon die belanghebbende in Nederland de opdracht geeft tot het uitbetalen van een bedrag aan een andere persoon in een ander land. Tussen hen bestaat een rechtsbetrekking en niet tussen belanghebbende en de begunstigde.

Tussen belanghebbende en de uitbetalende instelling in het andere land bestaat eveneens een rechtsbetrekking, maar in die verhouding treedt belanghebbende niet op als dienstverrichter doch als afnemer van de dienst. Hieruit volgt dat voor de beoordeling van de woon- of vestigingsplaats van de afnemer van de door belanghebbende verrichte prestaties moet worden uitgegaan van degene die in Nederland aan belanghebbende gelden ter beschikking stelt met de opdracht die aan een ander te betalen.

6.4. Belanghebbende stelt in dit verband dat de personen die de gelden ter beschikking stellen niet steeds in Nederland wonen, maar daar soms slechts tijdelijk verblijf houden. Belanghebbende heeft desgevraagd niet kunnen onderbouwen dat en in welke mate dat het geval zou zijn, behoudens de stelling dat zij uit ervaring weet dat dit zich voordoet. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende personen hun woonplaats buiten de Gemeenschap hadden.

6.5. Belanghebbende stelt dat haar prestaties voor een deel rechtstreeks betrekking hebben op goederen die worden uitgevoerd uit de Gemeenschap. Belanghebbende heeft in dit verband aangevoerd dat in het land van bestemming fysieke uitbetaling van geld plaats vindt en dat een fysiek transport van dat geld uit de Gemeenschap als uitvoer zou gelden. Naar het Hof begrijpt gaat belanghebbende hier uit van een situatie die zich in werkelijkheid niet heeft voorgedaan. De stelling van belanghebbende houdt immers niet in dat de door haar ontvangen gelden fysiek door of in opdracht van haar naar een derde land zijn overgebracht of daartoe bestemd waren. In elk geval ontbreekt daarvoor elke vorm van bewijs.

6.6. Uit het onder 6.3 tot en met 6.5 overwogene volgt dat met betrekking tot de zogenoemde gegarandeerde transacties belanghebbende geen aanspraak op aftrek van voorbelasting kan doen gelden op grond van artikel 15, tweede lid, van de Wet.

6.7. Met betrekking tot de zogenoemde geadviseerde transfers als vermeld onder 2.3 stelt belanghebbende dat een deel van de bedragen die zij in het kader van die transfers in Nederland uitbetaalt, is gestort bij financiële instellingen in landen buiten de Gemeenschap, met name in Rusland en Zwitserland, en dat in zoverre aanspraak bestaat op aftrek van voorbelasting.

6.8. De uitbetaling van de gelden in het kader van deze transfers vindt naar het oordeel van het Hof plaats op grond van een rechtsverhouding tussen de financiële instelling in het buitenland en belanghebbende. Daaruit vloeit in elk geval een dienst van belanghebbende jegens die instelling voort. Niet in geschil is dat belanghebbende voor haar werkzaamheden in dit kader een vergoeding ontvangt. Uit een en ander volgt dat belanghebbende diensten heeft verricht aan onder meer afnemers buiten de Gemeenschap. Daarvan uitgaande zijn partijen het erover eens dat belanghebbende aanspraak heeft op aftrek van € 20 aan voorbelasting.

6.9. Uit al het vorenoverwogene volgt dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd en dat aan belanghebbende een teruggaaf van omzetbelasting moet worden verleend van € 20.

7. Proceskosten

7.1. Met betrekking tot de door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten stelt belanghebbende dat een wegingsfactor van 1 te laag is. Naar het oordeel van het Hof is de onderhavige zaak niet zwaarder dan gemiddeld. Voor zover al sprake is van de door belanghebbende gestelde ingewikkeldheid ligt dat naar het oordeel van het Hof aan de onduidelijke en steeds wisselende presentatie van de feiten door belanghebbende.

7.2. Het Hof ziet aanleiding voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten in hoger beroep van belanghebbende op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Voor vergoeding komt in aanmerking 2 (proceshandelingen) x € 322 x 1 (gewicht van de zaak), ofwel € 644.

8. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de afwijzing van het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting;

- verleent teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van € 20;

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en

- gelast de Staat het betaalde griffierecht van € 433 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus gedaan door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, J.P.A. Boersma en E.M. Vrouwenvelder, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. Bij verhindering van de voorzitter heeft de oudste raadsheer de uitspraak ondertekend. De beslissing is op 7 mei 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.