Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI3394

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2009
Datum publicatie
13-05-2009
Zaaknummer
08/00215
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

aannemelijk is dat belanghebbende door ziekte niet in staat was tijdig in bezwaar/beroep te komen

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-1052
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P08/215 uitspraak van de achtste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te B,

belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk 07/3726 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) van 14 januari 2008 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 5 september 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2003 ambtshalve een aanslag in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen opgelegd.

1.2. Belanghebbende heeft gedagtekend 15 april 2007 aangifte inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen voor het jaar 2003 gedaan; de aangifte is op 19 april 2007 bij de inspecteur ingekomen. De inspecteur heeft deze aangifte aangemerkt als bezwaarschrift tegen de sub 1.1. genoemde aanslag.

1.3. De inspecteur heeft bij brief van 25 april 2007 onder meer aangegeven voornemens te zijn het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Bij uitspraak op bezwaar van 12 juni 2007 heeft hij dat ook gedaan. Belanghebbende heeft bij brief van 4 juni 2007, bij de rechtbank ingekomen op 8 juni 2007, beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Bij de in de aanhef genoemde uitspraak van 14 januari 2008, verzonden op 15 januari 2008, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 20 februari 2008, bij het Hof ingekomen op 26 februari 2008.

1.6. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2008. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en namens de inspecteur J. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. De feiten

2.1.1. Aan belanghebbende, geboren op …, is met dagtekening 5 september 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen opgelegd.

2.1.2. Belanghebbende heeft tegen deze aanslag bezwaar gemaakt door alsnog aangifte te doen met dagtekening 15 april 2007, ingekomen bij de Belastingdienst op 19 april 2007.

2.1.3. Bij brief van 25 april 2007 heeft de inspecteur, voorzover van belang, het volgende aan belanghebbende meegedeeld:

“Op 19 april 2007 ontving ik de brief waarin u bezwaar maakt tegen de aanslag

inkomstenbelasting-premie volksverzekeringen 2003, aanslagnummer 0499.13.827.H36. Deze

aanslag heeft als dagtekening 05 september 2006.

Ontvankelijkheid

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend als het binnen zes weken na de dagtekening van de

aanslag bij mij is bezorgd. Uw bezwaar voldoet niet aan deze voorwaarde. Daarom ben ik van

plan u niet-ontvankelijk te verklaren in uw bezwaar.

Ik zal uw bezwaar toch beoordelen. De te late indiening van het bezwaar heeft echter tot gevolg

dat u tegen mijn beoordeling niet in beroep kunt gaan bij de rechtbank. U kunt alleen in beroep

gaan tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift.

Uw bezwaar

U maakt bezwaar tegen een aanslag die ambtshalve is vastgesteld. Dat betekent dat de aanslag

Is opgelegd zonder dat u hiervoor de vereiste aangifte heeft gedaan. Dit heeft tot gfevolg dat de

Aanslag niet wordt verminderd, tezij u overtuigend aantoont dat en in hoeverre de aanslag te

hoog is vastgesteld. Daarom verzoek ik u bewijsstukken aan te leveren waarmee u mij daarvan

overtuigt. (…)”.

Horen

Ik stel u in de gelegenheid om u bezwaar mondeling toe te lichten.Als u van die gelegenheid

gebruik wenst te maken, kunt u dat kenbaar maken op bijgaande vragenlijst (vraag 32).

Mededeling over de beslistermijn van het bezwaarschrift

De belastingdienst streeft er naar om volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te werken.

Dit betekent dat ik in beginsel binnen zes weken op uw bezwaar beslis. Op grond van de Awb

kan ik de beslistermijn op een bezwaarschrift eenzijdig met ten hoogste vier weken verlengen.

Ik maak gebruik van deze wettelijke bevoegdheid. De eerder genoemde beslistermijn van zes

weken voor de afdoening van uw bezwaarschrift verleng ik daarom met vier weken.

Uw reactie

Ik verzoek u het gevraagde bewijs alsmede het ingevulde vragenformulier aan mij toe te sturen

Binnen drie weken na dagtekening van deze brief.(…)”.

De brief bevat geen rechtsmiddelenclausule.

2.1.4. Bij brief van 8 mei 2007, verzonden op 16 mei 2007, heeft belanghebbende als volgt - voorzover van belang - op deze brief gereageerd:

“Het is opnieuw onduidelijk - zoals eerder is gebeurd m.b.t. de kwestie van de “bronvraag”

die Dhr. L van de Belastingdienst opwierp in zijn brief van 4 februari 2005 - of deze

intentieverklaring nu gelezen moet worden als een formele verklaring (in dit geval van niet-

ontvankelijkheid), of niet (d.w.z. alleen als een intentieverklaring waarvan de datum verder

geen juridische gevolgen heeft); m.a.w. of ik een eventueel beroep daartegen bij de Rechtbank

binnen zes weken na de dagtekening van uw brief moet instellen, of daarvoor zou moeten

wachten tot ik bericht krijg dat u gedaan hebt wat u nu meedeelt “van plan te zijn”. Dat zou

heel goed meer dan zes weken later kunnen zijn dan de dagtekening van uw brief. Als ik

daarop wacht loop ik dus de kans dat mijn beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat dit

beroep meer dan zes weken na dagtekening van uw eerste mededeling daarover (25 april 2007)

wordt ingesteld. Tenzij ik van de Belastingdienst een duidelijk,

ondubbelzinnig antwoord op dit punt krijg, neem ik mij daarom voor nu reeds (althans

binnen enkele weken) beroep tegen deze niet-ontvankelijkheid in te stellen. (…)”.

2.1.5. Bij brief van 23 mei 2007 heeft de inspecteur zijn verzoek om informatie herhaald. Bij brief van 26 mei 2007 heeft belanghebbende een fotokopie van zijn brief van 8 mei 2007 gevoegd, en merkt hij onder meer op:

“Doordat zelfs aangetekende stukken bij de Belastingdienst kennelijk zoek raken, althans

langere

tijd niet boven water komen, heb ik ook nog steeds geen duidelijkheid gekregen op hetgeen ik in

mijn aangetekende brief van 8 mei 2007 (…), om precies te zijn in de eerste alinea onder “Ad

(a)” op pag. 1 van deze brief, aan de orde stelde. Dat noopt mij ertoe niet langer te wachten en

uw brief van 25 april 2007 nu te interpreteren als een verklaring van niet-ontvankelijkheid van

mijn bezwaar tegen de aanslag 2003 (…). Dat betekent dus dat, als ik tegen deze verklaring in

beroep wil gaan bij de rechtbank, zulks moet doen vóór 6 juni a.s., tenzij ik van u tijdig, dat is

binnen één week vanaf nu, schriftelijk van u de verzekering heb ontvangen dat ik uw brief van

25 april (nog) niet als een formele verklaring van niet-ontvankelijkheid moet beschouwen.

2.1.6. Bij brief van 30 mei 2007 heeft de inspecteur nog een nadere vraag gesteld. In zijn brief van 5 juni 2007 heeft belanghebbende die vraag beantwoord.

2.1.7. Zowel in de brief van 23 mei 2007 als in de brief van 30 mei 2007 heeft de inspecteur belanghebbende in de gelegenheid gesteld het bezwaar mondeling toe te lichten.

In geen van beide brieven is hij ingegaan op de vraag van belanghebbende of de brief van 25 april 2007 van de inspecteur reeds een beslissing over de ontvankelijkheid van het bezwaar inhield, of niet.

2.1.8. Op 12 juni 2007 heeft de inspecteur uitspraak op het bezwaarschrift gedaan.Deze luidt, voorzover van belang, als volgt:

“U heeft op 19 april 2007 (buiten de termijn) een bezwaarschrift ingediend tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen 2003, aanslagnr. …, dagtekening 5 september 2006. Aangezien uw bezwaarschrift buiten de termijn is ingediend verklaar ik deze niet-ontvankelijk. Het gevolg is dat u tegen de uitspraak niet in beroep kunt bij de rechter. U kunt uitsluitend tegen de niet-ontvankelijk verklaring in beroep. Hoewel uw bezwaar niet-ontvankelijk is zal ik het inhoudelijk toch ambtshalve beoordelen. Ik beschouw uw bezwaar derhalve als verzoek tot ambtshalve vermindering van belasting. (…)”.

2.1.9. Tot de gedingstukken behoort een brief met het opschrift “Bijlage bij brief X , Sofinummer …, d.d. 15 mei 2007” gericht aan de inspecteur. Hierin is onder meer het volgende vermeld:

“Op 13 januari 2003 werd ik voor een routine operatie aan mijn linkerbeen opgenomen in het ziekenhuis te B in de verwachting na een dag of vijf daaruit te worden ontslagen, zodat ik daarna – voor mijn vrouw en ik, zoals elk jaar, weer naar R in Y zouden vetrekken om daar onze camping voor het seizoen 2003 in orde te maken – nog drie maanden zou hebben om, zoals elk jaar, mijn aangifte IB (in dit geval van 2001) in te vullen, voor publicatie van folders en advertenties te zorgen, aanvragen om inlichtingen te beantwoorden, reserveringen te boeken, de noodzakelijke inkopen te doen, kortom mij met de administratie en het beheer van de camping ter voorbereiding van het zomerseizoen bezig te houden.

Door een onvergeeflijke fout van de chirurg bij de operatie en vooral door totale verwaarlozing door de (niet) toeziend artsen en het verplegend personeel in de uren na de operatie ben ik echter niet na 5 dagen gezond weer ontslagen, maar moest 10 dagen later mijn rechteronderbeen worden geamputeerd waarna ik nog tot eind februari 2003 in het ziekenhuis heb gelegen en daarna tot medio juli 2003 in het revalidatiecentrum in H opgenomen ben geweest. Vervolgens ben ik met een voorlopige prothese, een nog steeds niet geheelde stomp (in febr. 2004 moest daaraan opnieuw een kleine operatie worden verricht), met een ernstig PTSS (post-traumatisch-stress-syndroom), met blijvend (naar ik moet vrezen) beschadigde hersenen (een gevolg van de vele uren durende ondraaglijke gangreenpijnen op die 13e jan. waardoor ik nu nog steeds lijd aan continue fantoompijnen) en onder de pijnstillers (zoveel dat de huisarts in R mij moest aanraden die doseringen te verminderen omdat anders mijn lever blijvend beschadigd zou worden) ter verdere revalidatie door een van mijn kinderen naar de camping in frankrijk gebracht (…).

Telkens terugkerende problemen met mijn beenstomp, waardoor ik dan, totdat de wonden geheeld zijn, mijn prothese niet kan gebruiken en op twee elleboogkrukken moet rondlopen, hebben in de afgelopen jaren mijn tempo, voor zover ik in staat was tot werken, eveneens aanzienlijk gedrukt. Maar de grootste vertraging werd en wordt veroorzaakt door persisterende fantoompijnen, het daardoor chronische tekort aan slaap en het continue gebruik van pijnstillers daartegen, waardoor ik tot werken niet in staat ben.

Ter bestrijding van die fantoompijnen ben ik in 2003 in E, in 2005 in J en ook nog dit voorjaar (2007) in L, langdurig onder behandeling geweest (wat o.a. vele reizen naar J en L betekende), maar tot nu toe tevergeefs.”

2.1.10. In het hoger beroepschrift is onder meer het volgende vermeld:

“Het al dan niet inschakelen van een gemachtigde had in dit geval geen verschil gemaakt. (…) In een notitie, aan de rechtbank toegezonden in het kader van mijn beroep tegen de niet-ontvankelijkheid van mijn bezwaar tegen de aanslag 2003 (…) zeg ik daarover het volgende.

“Bij de behandeling van mijn beroep tegen de niet-ontvankelijk verklaring van mijn bezwaren tegen de aanslag IB 2002 ter zitting van 30 november j.l. (…) is de opmerking gemaakt dat ik de hulp van een deskundige had kunnen inroepen. Zo’n deskundige is echter nauwelijks te vinden, want het zou iemand moeten zijn die zowel het Nederlands als het Frans voldoende beheerst in woord en geschrift, die niet alleen verstand heeft van de Nederlandse belastingwetgeving, de totstandkoming en de jurisprudentie daarvan, maar ook van de Franse, en die bovendien op de hoogte is van de wetten en regels van de Franse boekhouding, die aanzienlijk afwijken van die in Nederland. Niettemin heb ik getracht zo iemand te vinden door bij dat zoeken advies te vragen aan de advocaat die mijn schadeclaim behartigt tegen het ziekenhuis dat verantwoordelijk is voor mijn invaliditeit. Na twee dagen kon hij mij één bureau dat in staat zou zijn mij te helpen noemen, een bureau in E. Bij het eerste telefonisch contact met dit bureau werd mijn uitleg van de situatie op een gegeven moment onderbroken door de vraag om welke bedragen het ging, want het bureau had als de vaste regel dat, alvorens men met een cliënt in zee ging, van deze cliënt gevraagd werd eerst een bedrag van € 15.000 te storten op een derden-rekening. Het leek mij niet verantwoord deze weg verder te volgen, ook al gezien mijn eerdere ervaringen met een Nederlandse belastingkundige.”.

2.2. Het geschil

In hoger beroep is in geschil of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beroep. Zo die vraag ontkennend wordt beantwoord, is vervolgens de vraag aan de orde of belanghebbende terecht in zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen, waarbij van belang is dat het Hof de door de rechtbank gebezigde termen ‘eiser’ en ‘verweerder’ heeft vervangen door ‘belanghebbende’ en ‘inspecteur’:

“3.3. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 12 juni 2007. Nu niet is gesteld of gebleken dat de ze datum is gelegen vóór de datum van de bekendmaking van die uitspraak, ving, gelet op het bepaalde in artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de termijn voor het instellen van beroep tegen die uitspraak aan met ingang van 13 juni 2007. Het op 7 juni 2007 bij de rechtbank Haarlem binnengekomen beroepschrift is derhalve voor het begin van de beroepstermijn ingediend.

3.2. Gelet op het bepaalde in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb blijft niet-ontvankelijkheid achterwege ten aanzien van een prematuur ingediend beroepschrift als a) het besluit waartegen dit was gericht reeds tot stand was gekomen dan wel b) de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit het geval was.

Niet is gesteld of gebleken dat het besluit ten tijde van de indiening van het beroepschrift reeds tot stand was gekomen, zodat de hiervoor genoemde uitzondering zich niet voordoet. De grief van eiser dat hij kon menen dat het besluit reeds tot stand was gekomen, omdat het onduidelijk was of de brief van verweerder van 25 april 2007 moest worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar, slaagt niet. In de brief van 25 april 2007 wordt allereerst aangegeven dat verweerder van plan is het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Verweerder geeft vervolgens aan wel ambtshalve het bezwaar te zullen beoordelen en geeft de eiser de gelegenheid om bewijsstukken aan te leveren voor het feit dat de aanslag te hoog is. Daarnaast wordt eiser in de gelegenheid gesteld het bezwaar mondeling toe te lichten. De inhoud van de brief van 25 april 2007 geeft, gelet op het vorenstaande, duidelijk weer dat de beslissing op bezwaar nog niet door verweerder is genomen. De brief bevat ook geen rechtsmiddelenclausule.

Nu eiser in de beroepstermijn - lopende van 13 juni 2007 tot en met 24 juli 2007 - geen andere geschriften bij de rechtbank heeft ingediend die kunnen worden aangemerkt als een beroepschrift, moet worden geconcludeerd dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep.”.

2.4. Standpunten van partijen

2.4.1. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar hetgeen in de stukken van het geding en in het proces-verbaal is vermeld.

2.5. Overwegingen

Ontvankelijkheid van het beroep

2.5.1. Belanghebbende heeft in zijn brieven van 8 en 26 mei 2007 aan de inspecteur ondubbelzinnig kenbaar gemaakt dat hij in onzekerheid verkeerde of de brief van de inspecteur van 25 april 2007 een voor beroep vatbaar besluit behelsde, dan wel slechts een aankondiging daarvan. Nu die stelling niet van elke grond ontbloot was, kon daaraan niet zonder meer worden voorbijgegaan. Het lag dan ook op de weg van de inspecteur op de ter zake in die brieven gestelde vragen te reageren en de gevraagde duidelijkheid te verschaffen, hetgeen deze evenwel heeft nagelaten. Onder deze omstandigheden acht het Hof - anders dan de rechtbank -

een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep niet op zijn plaats.

Ontvankelijkheid van het bezwaar

2.5.2. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend.

Gelet op de verklaringen van belanghebbende in de sub 2.1.9. vermelde brief die door de inspecteur niet worden weersproken en mede gelet op hetgeen belanghebbende ter zitting heeft verklaard, is aannemelijk dat belanghebbende lijdt aan fantoompijnen en een post-traumatisch-stress-syndroom die hem beletten zijn belangen op een behoorlijke manier te behartigen. Voorts is aannemelijk dat belanghebbende reeds geruime tijd aan deze ziekten lijdt. Ook is aannemelijk dat deze ziekten belanghebbende tijdens de bezwaartermijn hebben belet zijn fiscale belangen waar te (laten) nemen en tijdig in bezwaar te komen.

2.5.3. Gelet op het sub 2.5.2 overwogene vormen de genoemde ziekten een omstandigheid op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende bij de overschrijding van de bezwaartermijn in verzuim is geweest. Daarbij is aannemelijk dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden het bezwaar heeft ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Dientengevolge is belanghebbende ten onrechte in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en dienen de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar te worden vernietigd.

2.5.4. Met toepassing van artikel 8:72, lid 4, van de Algemene wet bestuursrecht zal het Hof de inspecteur opdragen opnieuw - ditmaal ten principale - op het bezwaar te beslissen. Het Hof zal de zaak daartoe terugwijzen naar de inspecteur.

2.5.5. Het hoger beroep is gegrond.

2.6. Proceskosten en griffierecht

2.6.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht nu geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook niet is gebleken van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten..

2.6.2. Het griffierecht van beide instanties, € 38 en € 107, dient aan belanghebbende te worden vergoed.

3. De beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- wijst de zaak terug naar de inspecteur en draagt hem op met inachtneming van deze

uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar te doen;

- wijst de Staat der Nederlanden aan het griffierecht ad € 145 aan belanghebbende te

vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. A. Bijlsma, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier. De beslissing is op 14 april 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.