Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI3078

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2009
Datum publicatie
06-05-2009
Zaaknummer
23-004716-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse verweren verworpen ter zake van aanhouding van verdachte in hotelkamer, redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte, inbeslagneming mobiele telefoons onder verdachte, vergaren van gegevens bij derden na aanhouding verdachte. Gemotiveerde vrijspraak ten aanzien invoer van cocaïne op verschillende data (feiten 2 t/m 5). Nadere bewijsoverweging ten aanzien van invoer cocaïne (feit 1).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004716-04

datum uitspraak: 24 april 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 12 oktober 2004 in de strafzaak onder parketnummer 15-000538-04 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1970],

adres:[adres], [woonplaats]

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is, blijkens mededeling van de raadsman op de terechtzitting van 13 februari 2006, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 7 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 juni 2004 en 28 september 2004 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 februari 2006 en 10 april 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

In hoger beroep gevoerde verweren

Door de raadsman van de verdachte is aangevoerd dat in het vooronderzoek vele verzuimen hebben plaatsgevonden die, in samenhang beschouwd, dienen te leiden tot niet ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie, althans tot uitsluiting van het als gevolg daarvan tegen de verdachte verkregen bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De raadsman heeft aangevoerd dat de aanhouding van de verdachte op 20 februari 2004 in een hotelkamer op de airside van Schiphol onrechtmatig is geweest aangezien ten aanzien van haar niet een redelijk vermoeden van schuld aanwezig kon worden geacht en zij dus niet als verdachte had kunnen worden aangemerkt.

Dit betoog faalt op grond van het volgende.

De vermoedens ten aanzien van de verdachte zijn gerezen op grond van de informatie dat een vrouw, die vaker als bezoeker was waargenomen, zich wederom had gemeld bij voornoemd hotel teneinde een man te bezoeken die vanuit Paramaribo was gearriveerd en die een hotelkamer had geboekt. Na binnentreden van deze hotelkamer door opsporingsambtenaren, bleek de verdachte daar aanwezig, alsmede voornoemde man. Op de vloer van de hotelkamer bevonden zich 87 slikkerbollen.

Dat de vrouw, die na binnentreden de verdachte bleek te zijn, reeds voordat in de hotelkamer werd binnengetreden door de ambtenaren van de marechaussee als verdachte werd aangemerkt, legt bij de beoordeling van het verweer geen gewicht in de schaal, omdat de eerste daadwerkelijke opsporingshandeling ten aanzien van de verdachte haar aanhouding was. Op dat moment kon bij de beoordeling van de gegrondheid van de verdenking ook de omstandigheid dat in de hotelkamer slikkerbollen werden aangetroffen betrokken worden.

Door de raadsman is weliswaar aangevoerd dat het betreden van de hotelkamer onrechtmatig is geweest, nu dit blijkens de tot dat betreden afgegeven last de aanhouding tot doel had, doch ook dit verweer faalt reeds omdat met het betreden van deze hotelkamer niet een inbreuk werd gemaakt op het woonrecht van de verdachte, doch op het woonrecht – voor over daarvan in de onderhavige situatie sprake is geweest - van de persoon die als hotelgast ter plaatse verbleef.

Reeds om deze reden faalt ook het verweer van de raadsman dat ten onrechte voorafgaand aan het binnentreden van de hotelkamer de ambtenaren zich niet hebben gelegitimeerd en ook het doel van binnentreden – aanhouding – niet hebben medegedeeld. Ook faalt reeds om deze reden het verweer dat de inbeslagneming onder de verdachte – van een tweetal mobiele telefoons – onrechtmatig is geweest, nu de verbalisanten blijkens de last, de bevoegdheid tot binnentreden – slechts – tot aanhouding konden uitoefenen. Ook deze verplichting c.q. beperkingen bij de uitoefening van opsporingshandelingen in een woning zijn gegeven ter bescherming van de belangen van de bewoner, en niet van een daar aanwezige bezoeker, nog daargelaten dat de omstandigheden van het geval alleszins aanleiding gaven tot een doortastend optreden en dat de situatie die door de, rechtmatig ter plaatse aanwezige, opsporingsambtenaren in de hotelkamer werd aangetroffen, alleszins tot inbeslagneming van de telefoons van de verdachte aanleiding gaf.

Dat de aanhoudende verbalisanten zouden hebben nagelaten de verdachte omtrent aard en reden van de verdenking te informeren, zoals door de raadsman is gesteld, is voorts niet juist. De verdachte verklaart immers ter gelegenheid van haar voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie op 20 februari 2004 dat haar is medegedeeld waarvoor zij is aangehouden en dat zij door de aanhoudende verbalisanten in de hotelkamer is gewezen op de daar aanwezige bolletjes.

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat op onrechtmatige wijze ten aanzien van de verdachte door de opsporingsambtenaren gegevens zijn vergaard. Het gaat daarbij om de volgende gegevens:

(A). Het bij de provider opvragen van de PUK-code van de onder de verdachte in beslag genomen mobiele telefoons. De raadsman voert aan dat zulks heeft plaatsgevonden met schending van art. 126 ng/126 ug lid 1 WvSv, jo 126 ng lid WvSv, nu een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris ontbreekt;

(B). Het bij de provider met machtiging van de officier van justitie opvragen van gegevens met betrekking tot de telefoons van de verdachte op grond van art. 126n WvSv, in plaats van het toepasselijke 126ng WvSv, terwijl een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris ontbreekt;

(C). Het opvragen van mastverkeersgegevens van telefoons op grond van art. 126 n WvSv, zonder ‘vordering van de officier van justitie’. De raadsman voert aan dat ook deze gegevensvergaring heeft plaatsgevonden met schending van art. 126ng/126ug lid 1 jo art. 126nd/126ud WvSv, nu een machtiging van de rechter-commissaris ontbreekt;

(D). Het opvragen van passagierslijsten van KLM-vluchten van Amsterdam naar Geneve en Zurich met betrekking tot een vijftal data, van reserveringsgegevens bij hotel Mercure te Schiphol en van boekingsgegevens van D-reizen en de KLM, afdeling security. De raadsman voert aan dat deze gegevensvergaring heeft plaatsgevonden met schending van art. 126 nd WvSv, nu niet de officier van justitie, doch een opsporingsambtenaar die niet deze hoedanigheid heeft, deze heeft uitgevoerd.

Het hof overweegt het volgende.

De vergaring van gegevens bij derden heeft plaatsgevonden op diverse data na de aanhouding van de verdachte op 20 februari 2004. De laatste activiteit in dit opzicht is verricht op 19 april 2004 en betrof het vergaren van abonnementsgegevens bij T-mobile met betrekking tot de telefoonnummers die behoorden bij de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoons.

De strafvorderlijke bepalingen die volgens de raadsman bij het vergaren van gegevens zijn geschonden, waren destijds nog niet ingevoerd. Reeds om deze reden kan van schending van het in die artikelen bepaalde geen sprake zijn en dienen de op dit punt gevoerde verweren te worden verworpen.

Het hof merkt nog in het bijzonder op:

(A) dat de verkrijging van de PUK-codes van de onder verdachte in beslag genomen mobiele telefoons heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 125 i (oud) WvSv, mitsdien op grond van een daartoe strekkend bevel van de officier van justitie, na daartoe verkregen machtiging van de rechter-commissaris;

(B) dat de verkrijging van inlichtingen van verkeersgegevens omtrent mobiel telefoonverkeer van de onder verdachte in beslaggenomen mobiele telefoon heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 126 n (oud) WvSv, mitsdien op grond van een daartoe strekkend bevel van de officier van justitie;en dat aldus is gehandeld in overeenstemming met de toenmalige regelingen.

(C) dat de verkrijging van ‘mastgegevens’ plaatsvond doordat deze gegevens onderdeel uitmaakten van de onder (B) bedoelde verkeersgegevens en aldus niet op onrechtmatige wijze zijn vergaard;

(D) dat de verkrijging van overige informatie, bij de KLM, D-reizen en hotel Mercury, heeft plaatsgevonden doordat deze instellingen aan daartoe strekkende verzoeken gevolg hebben gegeven en derhalve niet sprake is geweest van verkrijging met toepassing van bevoegdheden ingevolge titel IVA (oud) WvSv.

De raadsman heeft op dit punt nog aangevoerd dat verzoeken tot afgifte van de hier bedoelde gegevens door opsporingsambtenaren als onrechtmatig vallen aan te merken, omdat zulks in strijd zou zijn met de wet bescherming persoonsgegevens en opsporingsambtenaren “sinds de inwerkingtreding van de WBP” tot het verkrijgen van dergelijke gegevens de vorderingsbevoegdheid van art.126nd WvSv dienen te gebruiken. Ook dit betoog faalt. Hoewel de wet bescherming persoonsgegevens in werking is getreden met ingang van 1 september 2001, is de bevoegdheid als bedoeld in artikel 126nd WvSv in de redactie waarop de raadsman kennelijk ziet, eerst in werking getreden op 1 januari 2006, terwijl de daaraan voorafgaande redactie van genoemd artikel op 1 juni 2004 in werking is getreden. Voordien bestond het artikel niet en dus ook niet toen de opsporingsambtenaren in de onderhavige zaak verzoeken tot het verstrekken van informatie aan genoemde instellingen deden. Het verweer dat de wet bescherming persoonsgegevens aan het inwilligen van bedoelde verzoeken in de weg zou hebben gestaan, en het daaropvolgend gebruik ervan door opsporingsambtenaren onrechtmatig zou zijn, faalt voorts reeds nu iedere toelichting op deze stelling ontbreekt.

Nu het betoog van de raadsman op voormelde punten niet opgaat, vormt het aangevoerde geen reden tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging en is er evenmin enige aanleiding tot uitsluiting van de resultaten van de opsporing van het bewijs.

De raadsman heeft aan het betoog nog toegevoegd dat de verdediging, ondanks daartoe strekkende verzoeken, niet in de gelegenheid is geweest een aantal getuigen te horen. De verdediging meent dat het openbaar ministerie een verwijt valt te maken, omdat er niet voor is gezorgd dat de persoonsgegevens van deze personen afdoende zijn vastgesteld. Ook deze stelling is door de raadsman betrokken bij de conclusie dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het hof verwerpt ook op dit punt het verweer. Van niet-ontvankelijkheid zal slechts sprake zijn indien de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens belangen is tekort gedaan. (HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376 m.nt YB) De getuigen waarop de verdediging doelt, zijn personen die verdacht zijn van het smokkelen van cocaïne. Zij hebben die smokkel, indien door hen gepleegd, begaan op tijdstippen voordat verdachte als mogelijk betrokkene bij die feiten werd aangemerkt. Niet valt in te zien dat de opsporingsambtenaren, indien hen op dit punt al enig verwijt te maken zou zijn, bovenbedoelde ernstige inbreuk op de belangen van de verdachte hebben gemaakt.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] te horen, ondanks daartoe strekkende verzoeken. De door hen afgelegde verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent dat, gelet op na te melden eindoordelen in de zaken, tenlastegelegd onder 4 ([getuige 2]), 5 ([getuige 3]) en 6 ([getuige 4]), de verdediging geen belang heeft bij een beslissing op het verweer, zodat het onbesproken kan blijven.

Omtrent de bij de politie afgelegde verklaring van getuige [getuige 1] overweegt het hof het volgende. Zoals door de rechter-commissaris in een proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen d.d. 27 juli 2006 is geconstateerd, is in het voorbereidend onderzoek in de zaak tegen genoemde [getuige 1] vastgesteld dat de persoon, die op 14 januari 2004 onder deze naam Nederland is binnengereisd, in werkelijkheid andere, onbekende personalia heeft en dat zijn woonplaats evenmin bekend is. [getuige 1] is naar het oordeel van het hof dan ook aan te merken als een persoon wiens identiteit niet blijkt. Het proces-verbaal van de ambtenaren van de marechaussee d.d. 23 januari 2004, waarin wordt weergegeven hetgeen [getuige 1] toen heeft verklaard, kan, gelet op het bepaalde in artikel 344a lid 3 WvSv, niet meewerken aan het bewijs dat verdachte het tenlastgelegde feit heeft begaan, nu namens de verdachte de wens te kennen is gegeven de getuige te ondervragen. Het hof zal het proces-verbaal houdende diens verklaring dan ook buiten beschouwing laten.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2, 3, 4, 5 en 6 is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte wordt verweten dat zij op verschillende data tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een hoeveelheid cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Ten aanzien van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde:

Op 14 januari 2004 zijn op Schiphol aangehouden de verdachten [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Allen hebben verklaard in Suriname bolletjes met cocaïne te hebben geslikt en vervolgens naar Nederland te zijn gereisd en aldus deze cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te hebben gebracht. Hiervoor is reeds aangegeven dat hetgeen door de verbalisanten is gerelateerd omtrent de door [getuige 1] afgelegde verklaring niet mee kan werken aan het bewijs in de onderhavige strafzaak. Zonder deze verklaring is het hof van oordeel dat aan het dossier noch aan het verhandelde ter terechtzitting voldoende bewijsmiddelen kunnen worden ontleend op grond waarvan bewezen kan worden geacht dat verdachte op 14 januari 2004 schuldig is geweest aan medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland door voornoemde personen. De omstandigheid dat er aanwijzingen zijn dat deze drie personen gezamenlijk reisden, dat zij alle drie een aansluitende vlucht naar Zwitserland hadden geboekt, dat ook verdachte op 14 januari 2004 op enig moment op Schiphol is geweest en dat ook zij op deze dag een (andere) vlucht naar Zwitserland had geboekt, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Ten aanzien van het onder 2 en 6 tenlastegelegde:

(Feit2) Op 20 februari 2004 is [getuige 5] aangehouden op verdenking van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. [getuige 5] heeft bekend in Suriname bolletjes te hebben geslikt en deze op 20 februari 2004 Nederland te hebben ingevoerd.

Blijkens een proces-verbaal van verhoor van verdachte [getuige 5] d.d. 2 maart 2004 heeft deze erkend dat hij ook op 22 januari 2004 op Schiphol aanwezig is geweest en toen naar Zwitserland is doorgereisd. Hij heeft echter ontkend dat hij toen cocaïne heeft gesmokkeld. Ook in zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 10 juli 2006 heeft [getuige 5] verklaard dat hij op 22 januari 2004 vanuit Suriname naar Nederland is gereisd, maar dat hij toen geen bolletjes had geslikt. [getuige 5] stelt dat hij toen is doorgevlogen naar Zwitserland en dat hij die dag verdachte niet op Schiphol heeft gezien. Op 22 januari 2004 is [getuige 5] niet aangehouden op Schiphol. Er is destijds onder [getuige 5] geen cocaïne in beslag genomen.

(Feit 6) Blijkens een proces-verbaal van ambtenaren van de marechaussee d.d. 9 februari 2004 blijkt dat op 5 februari 2004 [getuige 4] op Schiphol is aangetroffen. Omtrent deze [getuige 4] wordt blijkens dit proces-verbaal bevonden dat hij op 3 februari 2004 vanuit Suriname op Schiphol is gearriveerd. [getuige 4] beschikte voorts over een ticket voor een aansluitende vlucht naar Zwitserland. Op Schiphol zou [getuige 4] volgens zijn zeggen een zekere [verdachte] treffen, met wie hij zou doorreizen. Deze ontmoeting was evenwel niet tot stand gekomen. [getuige 4] was voorts in het bezit van een notitie waarop een telefoonnummer dat overeenkomt met het telefoonnummer van een later onder verdachte in beslag genomen telefoon. [getuige 4] is geen cocaïne aangetroffen.

Verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij invoer van cocaïne op deze data.

In beide gevallen is geen cocaïne aangetroffen en ontkennen betrokkenen dat zij cocaïne zouden hebben gesmokkeld. Onder deze omstandigheden en bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat op 22 januari 2004 en 3 februari 2004 cocaïne in Nederland is ingevoerd door [getuige 5] respectievelijk [getuige 4] en dat verdachte daarbij op enigerlei wijze bij betrokken is.

Het hof verwerpt dan ook het betoog van de advocaat-generaal, die ter terechtzitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat de overeenkomst in modus operandi in alle feiten tot een bewezenverklaring van ook deze feiten kan leiden en dat de omstandigheid dat in het onderzoek niet daadwerkelijk drugs zijn aangetroffen niet aan een bewezenverklaring in de weg hoeft te staan. De advocaat-generaal heeft daarbij gewezen op uitspraken van de rechtbanken Dordrecht (rechtbank Dordrecht 2 februari 2006 NJFS 2006/88) en Haarlem (rechtbank Haarlem 25 maart 2008 LJN BC7575) . In die uitspraken evenwel kon, anders dan in de onderhavige zaak, uit overige bewijsmiddelen, met name afgelegde verklaringen, worden afgeleid dat daadwerkelijk materiaal werd gesmokkeld en kon vervolgens worden aangenomen dat dat materiaal cocaïne moest zijn geweest.

Het hof van is derhalve van oordeel dat aan het dossier noch aan het verhandelde ter terechtzitting voldoende bewijsmiddelen kunnen worden ontleend op grond waarvan bewezen kan worden geacht dat verdachte op 22 januari 2004 en 3 februari 2004 zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne in Nederland.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – zakelijk weegegeven – betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar onder 1 tenlastegelegde feit, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is waaruit kan blijken dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. De raadsman heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat de aanwezigheid van verdachte in een hotelkamer op Schiphol op 20 februari 2004, in welke kamer tevens een persoon aanwezig was die kort daarvoor met cocaïne vanuit Suriname[naam]Nederland was binnengereisd als een toevallig treffen moet worden aangemerkt en niet moet worden aangemerkt als een aanduiding voor schuld aan het tenlastegelegde.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en uit de processtukken is het volgende komen vast te staan. Afgaande op een tip van een medewerker van het Hotel Mercure, die verklaart dat zojuist een negroïde man een kamer in het hotel heeft geboekt en dat deze man die dag vanuit Paramaribo op Schiphol is gearriveerd en voorts dat deze man in zijn hotelkamer bezoek heeft gekregen van een vrouw die vaker het hotel als bezoeker betreedt, gaan twee verbalisanten op 20 februari 2004 naar de betreffende hotelkamer in Hotel Mercure. Zij treffen daar een negroïde man aan en op de grond een hoeveelheid slikkersbollen. De negroïde man blijkt later [getuige 5] te zijn die verklaart 100 bollen geslikt te hebben, waarvan hij er inmiddels 89 heeft geproduceerd. In de hotelkamer zijn ook verdachte en haar baby aanwezig. Één van de verbalisanten neemt de positie in die verdachte had toen de verbalisanten de kamer binnen kwamen en hij stelt vast dat verdachte de slikkerbollen moet hebben gezien. Ambtshalve is het de verbalisanten bekend dat, indien een persoon vanuit Paramaribo op Schiphol arriveert, direct na aankomst een hotelkamer boekt in Hotel Mercure en aansluitend “bezoek” krijgt, deze persoon vermoedelijk zogenaamde slikkerbollen inhoudende een hoeveelheid cocaïne in diens lichaam aanwezig heeft en de hotelkamer gebruikt om de slikkerbollen te produceren. Daarna worden de slikkerbollen overgedragen aan de bezoeker, die op zijn/haar beurt deze slikkerbollen dan weer verder in Nederland invoert. Tevens is het de verbalisanten ambtshalve bekend dat een Surinaamse vrouw genaamd [verdachte], vergezeld van een baby, recentelijk diverse malen een hotelkamer in het Hotel Mercure heeft geboekt en aldaar contact heeft gemaakt met een bewoner van een hotelkamer.

Verdachte heeft in het proces-verbaal van verhoor d.d. 22 februari 2004 verklaard, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, dat zij op 20 februari 2004 op Schiphol was en dat zij daar was om naar Zwitserland te gaan, dat zij [getuige 5] kent vanuit Suriname, dat zij [getuige 5] op Schiphol trof en naar Hotel Mercure is gegaan op afspraak met [getuige 5]. Voorts heeft zij verklaard dat zij het vies vond ruiken in de hotelkamer.

[getuige 5] heeft in zijn verhoor als verdachte d.d. 2 maart 2004 verklaard, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, dat hij, op Schiphol aangekomen, zich niet goed voelde en naar het hotel wilde. Dat hij toen een hem onbekende vrouw – verdachte – heeft aangesproken, die hem het hotel heeft gewezen. Dat hij daar toen 89 slikkerbollen heeft geproduceerd, het hotel weer heeft verlaten, nogmaals toevallig verdachte is tegengekomen en haar toen heeft uitgenodigd op zijn kamer te komen uitrusten.

Het hof acht de door verdachte afgelegde verklaring voor haar aanwezigheid in de hotelkamer ongeloofwaardig en acht het niet aannemelijk dat verdachte ter plaatse aanwezig was om een andere reden dan in verband met de invoer van cocaïne door [getuige 5]. Onaannemelijk is immers dat [getuige 5] een onbekende zou inviteren in een hotelkamer terwijl hij verkeert in het proces van uitscheiden van door hem geslikte bollen bevattende cocaïne, anders dan ingeval die onbekende met die cocaïne te maken heeft. Voorts is de verklaring van verdachte ongeloofwaardig waar zij verklaart van de cocaïne niet geweten te hebben, nu de geproduceerde bolletjes op de grond lagen en verdachte deze vanuit de positie waarin zij zich bevond ten tijde van het binnentreden door de verbalisanten had kunnen waarnemen.

Ook is de verklaring van verdachte ongeloofwaardig nu deze niet overeenkomt met die van [getuige 5] op het punt of beiden elkaar voorafgaande aan de ontmoeting van 20 februari 2004 kenden.

Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte op 20 februari 2004 zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van de invoer van cocaïne binnen Nederland.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 20 februari 2004 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1.000 gram netto van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 tot en met 6 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd de teruggave aan verdachte van de Agis zorgverzekeraar pas en dat verbeurd wordt verklaard de overige onder verdachte in beslag genomen goederen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van een partij cocaïne, van ongeveer 1.000 gram. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het hof neemt voorts ten nadele van verdachte in aanmerking dat op grond van de voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte, anders dan haar medepleger, zelf geen fysiek ongemak ondervond van de invoer van het materiaal bevattende cocaïne, nu zij de zogenaamde “bolletjes” niet zelf slikte maar dit aan de ander overliet. Het hof leidt voorts uit de bewijsmiddelen af dat verdachte tot taak had de bolletjesslikker op te vangen in Nederland en kennelijk een zodanige plaats in een samenwerkingsverband inneemt dat zij zelf niet het meeste risico heeft hoeven lopen.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 23 maart 2009 is verdachte eerder terzake van een soortgelijk feit veroordeeld, hetgeen haar er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft, met het oog op de strafoplegging en nu daartoe verweer is gevoerd door de raadsman, onderzocht of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM -dat wil zeggen de termijn waarbinnen behandeling van een zaak moeten hebben plaatsgevonden- is overschreden. Verdachte is aangehouden op 20 februari 2004. Het hof merkt dit moment aan als het aanvangsmoment van de redelijke termijn als hiervoor bedoeld. De rechtbank heeft vervolgens vonnis gewezen op 12 oktober 2004. Nadat de verdachte op 20 oktober 2004 hoger beroep heeft ingesteld, is het dossier op 8 november 2004 ter griffie van dit hof ingekomen. De behandeling ter terechtzitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 7 april 2005 en op 13 februari 2006, beide zittingen hadden een pro forma-karakter. Op 13 februari 2006 heeft het hof besloten het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde als getuigen [getuige 5], [getuige 4], [getuige 1], [getuige 6] en [getuige 7] bij rogatoire commissie in Suriname te horen. Pas op 10 april 2009 is het onderzoek ter terechtzitting weer hervat.

Het hof constateert dat in de hoger beroepsfase sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de onderhavige strafzaak, na de verhoren bij rogatoire commissie in Suriname in 2006, meer dan twee jaar heeft stil gelegen zonder dat er redenen zijn aan te wijzen die dit kunnen rechtvaardigen. Bovendien gaat het hier om een feit dat is gepleegd in 2004. Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden in principe passend, doch zal deze gezien de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep matigen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 1, 3, 4 en 5 bewezengeachte met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 vliegticket KLM op naam [naam]

- 1 vliegticket KLM [naam]

- 2 stuks instapkaarten KLM

- 1 notitieboekje

- 1 telefoontoestel Siemens, blauw

- 1 telefoontoestel Motorola, zilver

- 2 stuks pas; 2 x Air France .

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 Agis zorgverzekeraar pas.

Dit arrest is gewezen door de zesde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en J.H. de Graaf, in tegenwoordigheid van mr. M. ter Riet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 april 2009.

Mr. De Graaf is buiten staat dit arrest te onderteken.