Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2725

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200.019.076/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontvankelijkheid in hoger beroep; tussenbeschikking

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 358
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 21 april 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer […] van:

[naam appellant],

wonende te [woonplaats appellant],

APPELLANT,

advocaat: mr. G.J.M. Gussenhoven te Veenendaal,

t e g e n

[naam geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geïntimeerde],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. A.A. van der Meulen te Hilversum.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 20 november 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 augustus 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk […].

1.3. De vrouw heeft op 12 januari 2009 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 5 maart 2009 ter terechtzitting behandeld, alwaar de advocaten van partijen zijn verschenen.

2. De feiten

Partijen zijn in 2003 gehuwd. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – bepaald:

• dat de man € 1.950,- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot het tijdstip dat deze uitkering definitief wordt vastgesteld;

• dat de behandeling omtrent de vaststelling van de definitieve alimentatie en de duur ervan wordt aangehouden.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de uitkering te bepalen op € 3.800,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, en op het verzoek van de man dit verzoek van de vrouw af te wijzen voor zover dit een bedrag van € 768,- per maand overschrijdt en te bepalen dat zijn alimentatieverplichting wordt beperkt tot vier jaar, althans tot het aantal jaren dat het huwelijk heeft geduurd.

3.2. De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de uitkering te bepalen op € 768,- per maand, althans op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten, over een periode van vier jaar, althans over een zodanige periode als het hof juist zal achten.

3.3. De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

De ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep

4.1. Aan de orde is de vraag of de man ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4.2. Uitgangspunt is dat indien het in hoger beroep bestreden gedeelte van een beschikking een (deel-)eindbeschikking is, hiertegen hoger beroep openstaat. In het geval van een voorlopige beslissing is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep uiteindelijk doorslaggevend of de beslissing een onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, niet meer in haar gevolgen ongedaan kan worden gemaakt.

4.3. In het onderhavige geval heeft de rechtbank overwogen dat de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw voorlopig zal worden bepaald, zulks in afwachting van de beslissing omtrent de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, en dat deze uitkering zonodig daarna, eventueel met terugwerkende kracht, kan worden herzien (rechtsoverwegingen 3.14 en 3.22 van de bestreden beschikking). In het dictum van de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de behandeling omtrent de vaststelling van de definitieve alimentatie en de duur ervan wordt aangehouden.

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de door de rechtbank gegeven beslissing omtrent de uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw een voorlopige is die geen onherroepelijk karakter heeft in die zin dat de beschikking, eenmaal geëffectueerd, niet meer in haar gevolgen ongedaan kan worden gemaakt. De bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, betreft derhalve een tussenbeschikking.

Weliswaar heeft de rechtbank in het lichaam van de bestreden beschikking overwogen dat het verzoek van de man om limitering van zijn alimentatieverplichting zal worden afgewezen, maar de definitieve beslissing daaromtrent is blijkens het dictum van de bestreden beschikking, zo volgt uit het vorenstaande, aangehouden.

4.4. Nu het hier een tussenbeschikking betreft, kan hoger beroep hiertegen ingevolge artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts worden ingesteld tegelijk met dat van de eindbeschikking of indien de rechtbank de mogelijkheid daartoe heeft opengesteld. Vaststaat dat in casu aan geen van beide laatstgenoemde voorwaarden is voldaan. De man moet in zijn hoger beroep dan ook niet ontvankelijk worden verklaard.

4.5. Gelet op het vorenstaande behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking.

4.6. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.L.L. Neervoort-Briët, A. van Haeringen en J.A. van Keulen in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2009.