Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2660

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200.011.707/01 en 200.011.707/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verrekening op grond van huwelijkse voorwaarden, pand op beider naam, huuropbrengsten te vatten onder inkomsten uit arbeid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 7 april 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer [zaaknummer] van:

[vrouw],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

APPELLANTE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

[man],

wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

in de zaak met landelijk zaaknummer [zaaknummer] van:

[vrouw],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

[man],

wonende te [plaats],

VERWEERDER,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

De zaak met landelijk zaaknummer [zaaknummer]

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante tevens verzoekster, en geïntimeerde tevens verweerder, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 15 augustus 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 22 mei 2008 van de rechtbank te Alkmaar met kenmerk [kenmerk].

1.3. De man heeft op 25 september 2008 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaken zijn op 6 oktober 2008 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. M.T. Slort, advocaat te Den Helder en

- de man, bijgestaan door mr. E.H. Beerstecher, advocaat te Spijkenisse.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn op [datum] 1995 gehuwd op huwelijkse voorwaarden opgesteld bij akte van [datum] 1995. Partijen zijn eind [maand] 2005 feitelijk uit elkaar gegaan. Hun huwelijk is op [datum] 2006 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2006 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. In de huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, bepaald:

“1. Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen welke ook bestaan. Ook de gemeenschap van winst en verlies en die van vruchten en inkomsten worden tussen hen uitgesloten. (…)

5. lid 1: Partijen verplichten zich jegens elkaar jaarlijks ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomsten uit arbeid niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen. Onder inkomsten uit arbeid worden begrepen winst uit onderneming, periodieke uitkeringen voor de verwerving waarvan aftrek inkomstenbelasting werd genoten, alsmede de uitkeringen welke geacht moeten worden in de plaats te treden van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenen. (…)

Lid 4: de verplichting tot bijeenvoeging en verdeling geldt niet met betrekking tot de tijd dat de echtelijke samenwoning verbroken is geweest. (…)

Lid 8: De bepalingen van de tweede afdeling van titel 8 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (betreffende verrekening van vermogensvermeerdering) zijn op het onderhavige artikel niet van toepassing.”

2.4. Partijen hebben tijdens hun huwelijk geen gevolg gegeven aan het verrekenbeding zoals dat is opgenomen in de huwelijkse voorwaarden.

2.5. De vrouw heeft bij aangaan van het huwelijk ƒ 10.000,- (thans € 4.538,-), aangebracht.

2.6. De man was ten tijde van het aangaan van het huwelijk eigenaar van een onroerende zaak te [plaats], (hierna: [pand 1]). Blijkens de afrekening van de notaris C.J. Boswijk van 22 december 1993 heeft de man de koopsom gedeeltelijk gefinancierd met geleend geld en voor een bedrag van ƒ 96.627,05 uit eigen middelen.

[pand 1] is verkocht in 1998 en de verkoopopbrengst was, na aftrek van de hypothecaire schuld van ƒ 210.000,- (thans

€ 95.294,-), ƒ 224.000,- (thans € 101.647,-).

Met de netto opbrengst van [pand 1] en een hypothecaire lening van ƒ 150.000,- is in 1998 aansluitend aan de verkoop van [pand 1] een woning [pand 2] gekocht voor ƒ 355.000,-. Deze woning is op naam van beide partijen gesteld, ieder voor de onverdeelde helft.

In 2003 is de woning [pand 2] verkocht. De netto opbrengst van de woning [pand 2] was € 224.000,-. Daarvan is € 142.190,- voor de aanschaf van een boot gebruikt, € 20.000,- voor de verbouwing en de inrichting van de nieuwe huurwoning van partijen in [plaats] gemeente [gemeente] en € 11.000,- voor de aanschaf van een auto ten behoeve van de vrouw.

2.7. In september 2005 heeft de vrouw in totaal € 43.200,- van de bankrekening van partijen opgenomen.

2.8. De man heeft de vrouw € 10.500,- geleend voor de aankoop van een auto.

2.9. De peildatum voor de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime is 1 september 2005, omdat partijen eind [maand] 2005 feitelijk uiteen zijn gegaan.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

- voor recht verklaard dat de man op grond van de huwelijkse voorwaarden eigenaar is van de boot, en dat hij rechthebbende is met betrekking tot de voor die boot ontvangen koopsom, en met betrekking tot de door de vrouw opgenomen som geld van € 43.200,-;

- de vrouw veroordeeld om aan de man te voldoen een bedrag van € 49.700,- binnen vier weken nadat de beschikking is gegeven;

- de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man, voor zover thans van belang:

- voor recht te verklaren dat op grond van de huwelijksvoorwaarden aan hem toekomt:

• een vaartuig, type Pedro Skiron 35, serienummer HIN_code NL-PBZ01418C404;

• een som geld ter grootte van € 39.200,- en

• een aantal roerende lichamelijke zaken die zich bevinden in de voormalig echtelijke woning te [plaats];

- en voor recht te verklaren dat de vrouw eigenaresse is van:

• € 4.000,-;

• het de man niet bekende bedrag van het spaartegoed van de vrouw en

• enkele roerende lichamelijke zaken die zich bevinden in de echtelijke woning;

- alsmede te bepalen dat de vrouw aan de man € 10.500,- dient te betalen en

- voor zover nodig uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw aan de man € 49.700,- dient te voldoen binnen vier weken nadat de rechtbank in dezen een beschikking zal hebben gegeven, althans een uitspraak te doen als de rechtbank juist zal achten.

3.2. De vrouw verzoekt met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en opnieuw rechtdoend zo nodig onder aanvulling van gronden, het inleidend verzoek van de man af te wijzen en vast te stellen dat de waarde van de eindvermogens van partijen, behoudens hetgeen van de aanbreng buiten de destijds door geïntimeerde aangebrachte woning nog aanwezig was, bij helfte dient te worden verrekend, alsmede om de omvang van de verrekeningsvordering van de vrouw op de man vast te stellen, zodanig dat ieder der partijen op de peildatum 1 augustus 2005, althans op de peildatum overeenkomende met de datum indiening verzoekschrift in eerste instantie, de beschikking zou hebben gehad over een in geldwaarde uit te drukken gelijk (totaal-) vermogen, met bepaling dat de man over die som wettelijke rentes verschuldigd is vanaf de peildatum, met veroordeling van de man in de kosten van het geding, waaronder die in het incident en die gevallen in eerste instantie.

3.3. De man verzoekt de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering als ongegrond en/of onbewezen af te wijzen c.q. de bestreden beschikking te bekrachtigen met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

4. Beoordeling van het hoger beroep

Omvang geschil

4.1. Blijkens het petitum van haar hoger beroepschrift stelt de vrouw in hoger beroep nagenoeg de hele zaak in hoger beroep weer aan de orde. Zij stelt, – kort gezegd – dat het aanwezige vermogen in feite gemeenschappelijk is en tussen partijen moet worden verdeeld dan wel dat de verrekeningsvordering van de vrouw moet worden vastgesteld, nu de man over de gehele opbrengst van de woning [pand 2] beschikt.

Woning [pand 2]

4.2. Het hof ziet aanleiding om eerst de derde grief van de vrouw te behandelen waarmee zij stelt dat, uit het feit dat de woning [pand 2] op naam van partijen gezamenlijk is gesteld, moet worden afgeleid dat de hele verkoopsom van deze woning tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. De man betwist de stellingen van de vrouw. Naar zijn mening rechtvaardigt het feitelijk handelen van partijen niet de conclusie dat partijen met voorbijgaan aan de huwelijkse voorwaarden gehouden zijn het aanwezige vermogen te verdelen.

4.3. Het hof overweegt als volgt.

Doordat de woning [pand 2] op naam van partijen gezamenlijk, ieder voor een onverdeeld aandeel, is gesteld, zijn partijen beiden eigenaar geworden van deze woning, ieder voor een onverdeelde helft. De inhoud van de huwelijkse voorwaarden staat aan het aldus ontstaan van een (beperkte) gemeenschap van goederen niet in de weg. De vraag is thans hoe tussen partijen moet worden afgerekend nu er sprake is van een echtscheiding en het huwelijksgoederenregime moet worden afgewikkeld. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het gehele aanwezige vermogen bij helfte moet worden verdeeld, terwijl de man zich op het standpunt stelt, dat – kort gezegd – al het aanwezige vermogen is gevormd door het aan hem reeds voor het huwelijk in privé in eigendom toebehorende vermogen.

4.4. Vaststaat dat de man ten tijde van het huwelijk eigenaar was van [pand 1]. Bij verkoop in 1998 resteerde een aan de man toekomende netto opbrengst van € 101.647,-.

4.5. Uit het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank te Alkmaar op 18 maart 2008 blijkt dat de man heeft erkend dat de vrouw geld heeft gestoken in de verbouwing van [pand 1]. Niet in geschil is dat dit het spaarloon van de vrouw betrof ter hoogte van fl. 3.000,-- (thans € 1.361,-). Tijdens voornoemde zitting heeft de man tevens gesteld dat hij het geld aan de vrouw heeft terugbetaald. De vrouw ontkent dit. De man heeft zijn stelling niet met stukken onderbouwd en ook verder niet aannemelijk gemaakt. Van de netto opbrengst van [pand 1] dient dan ook aan de vrouw € 1.361,- te worden terugbetaald.

4.6. Het restant van € 100.286,- (€ 101.647,- minus € 1.361,-) is geheel geïnvesteerd in de woning [pand 2], die op beider naam is gesteld. De netto opbrengst van deze woning was € 224.000,-. Van deze netto opbrengst komt aan de man toe het genoemde bedrag van € 100.286,-. Uit het feit dat de woning [pand 2] op beider naam is gesteld, kan worden afgeleid dat partijen daarmee tot uitdrukking hebben willen brengen dat de eventuele waardevermeerdering van deze woning aan beide echtgenoten gelijkelijk zou toekomen. Daarmee zou ook aan de inspanningen van de vrouw ten behoeve van de verhuur en verbetering van [pand 1] in geld recht worden gedaan, wat er ook zij van de vraag of hiermee wordt voldaan aan een natuurlijke verbintenis van de man jegens de vrouw. Dit leidt ertoe dat aan de man en vrouw gelijkelijk toekomt € 224.000,- verminderd met de aan de man toekomende vergoeding voor zijn investering van € 100.286,-, dat is € 123.714,-. Aan beide partijen komt ieder de helft toe, te weten € 61.857,-.

De vrouw heeft in september 2005 van de gemeenschappelijke bankrekening een bedrag opgenomen van € 43.200,-, zodat aan haar in het kader van de verrekening nog toekomt een bedrag van € 18. 657,-.

Huuropbrengsten uit [pand 1]

4.7. Partijen verschillen van mening over de vraag of de huuropbrengsten van [pand 1] dienen te worden beschouwd als inkomsten die onder de verrekenverplichting vallen op grond van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw stelt in haar eerste grief dat dit het geval is.

4.8. Vast staat dat beide partijen inkomsten uit arbeid genoten. Het aan de man in eigendom toebehorende [pand1] was een beleggingsobject, waarvan vruchten werden genoten in de vorm van huurinkomsten. Van deze inkomsten werden de lasten van [pand 1] voldaan en zij werden in verbetering van [pand 1] geïnvesteerd. De omstandigheid dat de vrouw mede inspanningen heeft verricht ter verkrijging van deze huuropbrengsten, brengt niet mee dat de huurinkomsten dienen te worden beschouwd als overgespaarde inkomsten die voor verrekening in aanmerking komen. Of deze inkomsten voor de heffing van inkomstenbelasting als inkomsten uit arbeid dan wel als winst uit onderneming werden belast kan in het midden blijven en maakt het vorenstaande niet anders. Deze grief van de vrouw faalt.

Spaargeld vrouw

4.9. In haar tweede grief stelt de vrouw onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar stelling dat zij spaargeld heeft besteed aan de verbouwing van [pand 1] na betwisting door man niet nader heeft onderbouwd.

4.10. Tijdens de zitting van de rechtbank te Alkmaar van 18 mei 2005 heeft de man ten aanzien van het spaargeld van de vrouw gesteld dat hij dit bedrag van € 4.500 heeft terugbetaald. De vrouw heeft erkend dat de man dit bedrag aan haar heeft betaald, maar stelt dat dit bedrag zag op een schenking van haar vader die uitsluitend voor haar was bestemd maar die op de gezamenlijke rekening van partijen was gestort. De man heeft deze stelling van de vrouw betwist. Aangezien de vrouw geen bewijsstukken heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling en zij ook overigens haar stelling onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof aan de stelling van de vrouw voorbij gaan. Dit onderdeel van de grief faalt derhalve.

Auto

4.11. De vrouw stelt in haar vierde grief dat de man zich het verkoopbedrag van ƒ 2.000,- (€ 908,-) van haar auto heeft toegeëigend. De man stelt daarentegen de verkoopopbrengst namens de vrouw te hebben geïnd en het te hebben opgeborgen in een geldkist die vervolgens door de vrouw is meegenomen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man heeft de vrouw haar stelling onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt zodat aan deze grief faalt.

Bewijsaanbod vrouw

4.12. In grief vijf doet de vrouw een bewijsaanbod voor haar stelling dat partijen gedurende hun huwelijk feitelijk handelden alsof zij in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd waren. Gelet op de vorenstaande overwegingen, en met name hetgeen onder 4.6 is overwogen, is dit bewijsaanbod niet relevant zodat het hof eraan voorbij zal gaan.

Wettelijke rente

4.13. De vrouw vordert dat de man wettelijke rente dient te betalen vanaf de peildatum over het door hem aan de vrouw te betalen bedrag. Volgens vaste rechtspraak geldt dat, zolang de verdeling van een tot een gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld, een daarop gebaseerde vordering niet kan worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom terzake waarvan de debiteur in verzuim is. Nu de verdeling van de resterende overwaarde uit de verkoop van de woning [pand 2] eerst bij deze beschikking definitief is vastgesteld, kan de man thans nog niet in verzuim zijn met betrekking tot het gevorderde bedrag. Het hof is van oordeel dat de man een redelijke termijn moet worden gegund waarbinnen hij in staat is aan de beschikking van het hof te voldoen zonder dat hij in verzuim zal raken en zal die termijn bepalen op vier weken na dagtekening van de beschikking. Met betrekking tot het spaarloon dat de vrouw in het pand heeft geïnvesteerd geldt bovengenoemde rechtspraak niet zodat het verzoek van de vrouw de man te veroordelen tot betaling van wettelijke rente op dit punt kan worden toegewezen.

Samenvatting

4.14. Op grond van hetgeen het hof overweegt onder 4.5 en onder 4.6 dient de man aan de vrouw ten titel van afrekening na afwikkeling huwelijkse voorwaarden te betalen een bedrag van € 1.361 en van € 18.657,- derhalve in totaal € 20.018,-.

In de zaak met landelijk zaaknummer [zaaknummer] (verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad)

Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad

4.15. De vrouw verzoekt om de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de man toegezegd dat hij niet zal overgaan tot executie. Gelet hierop heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek zodat dit zal worden afgewezen.

In beide zaken

Veroordeling in proceskosten

4.16. De kosten van de procedure in de beide instanties dienen tussen partijen als gewezen echtelieden aldus te worden gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.17. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

in de zaak met landelijk zaaknummer [zaaknummer]

vernietigt de beschikking waarvan beroep voorzover de vrouw daarin is veroordeeld aan de man te voldoen een bedrag van

€ 49.700,- en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.361,- terzake van door de vrouw geïnvesteerd spaarloon in de woning [pand 1] vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2005 tot aan de dag der algehele voldoening met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre;

veroordeelt de man aan de vrouw te betalen een bedrag van € 18.657,-, te voldoen binnen vier weken nadat deze beschikking is gegeven;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

in de zaak met landelijk zaaknummer [zaaknummer]

wijst het verzoek van de vrouw af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, R.G. Kemmers en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. M. Knoop-Gerritsen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2009.