Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2616

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
29-04-2009
Zaaknummer
200.007.264/01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL9543, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL9543
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervaltermijn artikel 1:157 lid 5 BW is dwingend recht, slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan daarvan worden afgeweken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2009, 69
EB 2009, 38
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 24 maart 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer [zaaknummer] van:

[man],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

APPELLANT,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

[vrouw],

wonende te [plaats], gemeente [gemeente],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J.L. Muller te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2 De man is op 6 juni 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 11 maart 2008 van de rechtbank te Haarlem, met kenmerk [kenmerk].

1.3 De vrouw heeft op 8 juli 2008 een verweerschrift ingediend.

1.4 De zaak is op 8 oktober 2008 ter terechtzitting behandeld.

1.5 Ter terechtzitting zijn verschenen:

• de man, bijgestaan door mr. E.M. van Hemert, advocaat te Zaandam, gemeente Zaanstad,

• de vrouw, bijgestaan door mr. R.A. Schram, advocaat te Assendelft, gemeente Zaanstad.

2. De feiten

2.1 Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2 Partijen zijn op [datum] 1971 gehuwd. Het huwelijk is op [datum] 1995 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum] 1995 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3 Bij de echtscheidingsbeschikking is - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking bepaald op

fl. 1.250,- per maand. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt de uitkering met ingang van 1 januari 2007 € 754,87 per maand.

2.4 De verplichting tot het betalen van een uitkering is van rechtswege op 30 mei 2007 vervallen. De man heeft de uitkering doorbetaald tot en met augustus 2007.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1 Bij de bestreden beschikking is - voor zover thans van belang en zakelijk weergegeven - bepaald dat de verplichting van de man tot betaling van een partnerbijdrage aan de vrouw na het van rechtswege vervallen per 30 mei 2007 wordt verlengd en dat deze verplichting eindigt met ingang van 29 augustus 2009. Tevens is bepaald dat een verlenging van deze termijn niet mogelijk is.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de vrouw ontvankelijk is in haar inleidend verzoek primair te bepalen dat de termijn van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud wordt verlengd tot 1 september 2009 en dat deze termijn voor verlenging vatbaar is.

3.2 De man verzoekt in hoger beroep onder meer, met vernietiging van de bestreden beschikking, de vrouw alsnog niet ontvankelijk te verklaren in haar inleidend primaire verzoek dan wel dat verzoek af te wijzen.

3.3 De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 De man betoogt met zijn eerste grief dat de vrouw niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar inleidend verzoek, nu zij dit verzoek niet binnen de termijn van drie maanden, genoemd in art. 1:157, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft ingediend.

4.2 De grief slaagt. Op grond van het bepaalde in artikel 1:157, vierde lid, van het BW, eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Op grond van het bepaalde in artikel 1:157, vijfde lid, van het BW kan de rechter, in het geval van beëindiging van de uitkering als gevolg van het verstrijken van de termijn als bedoeld in het vierde lid, op verzoek van de onderhoudsgerechtigde alsnog een termijn vaststellen. Het daartoe strekkende verzoek van de onderhoudsgerechtigde dient - blijkens het bepaalde in artikel 1:157, vijfde lid, van het BW - te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.

In de onderhavige zaak heeft de vrouw haar op voornoemd artikel gebaseerde verzoek tot verlenging van de termijn van de alimentatieverplichting niet binnen de in dat artikel voorgeschreven termijn van drie maanden ingediend. Het standpunt van de vrouw dat de termijn van drie maanden pas begint te lopen op het moment dat de uitkering feitelijk wordt beëindigd, vindt geen steun in de wet.

Het hof is - anders dan de rechtbank - van oordeel dat de in art. 1:157, vijfde lid, van het BW genoemde termijn van drie maanden een wettelijke vervaltermijn is, die van dwingend recht is en door de rechter ambtshalve moet worden toegepast. Dat is in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever met betrekking tot de wettelijke limitering van alimentatie na echtscheiding die erop is gericht de duidelijkheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid te bevorderen waar het gaat om de duur en het voortbestaan van de onderhoudsplicht.

Aangezien het hier een wettelijke vervaltermijn betreft, kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden worden geoordeeld dat toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geval door de vrouw niet gesteld. Dat de man de uitkering aan de vrouw doelbewust nog enige maanden is blijven doorbetalen nadat de termijn van twaalf jaar was verstreken, is niet als een zodanige omstandigheid aan te merken.

Nu de vrouw haar verzoek niet binnen de wettelijke vervaltermijn heeft ingediend, is haar aanspraak op een uitkering tot levensonderhoud van rechtswege vervallen. Zij moet derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in haar inleidend verzoek.

4.3 Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar inleidend verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.N. van de Beek en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van

mr. A. Klippel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2009.