Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2090

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
28-04-2009
Zaaknummer
200.001.005-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee onafhankelijke deskundigen hebben gemotiveerd uiteengezet dat de behandeling van de huisarts juist was. De enkele omstandigheid dat de door de patiënt ingeschakelde verzekeringsarts een andere mening is toegedaan is onvoldoende om hun bevindingen in twijfel te trekken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 194
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[A],

wonend te G

APPELLANT,

advocaat: mr. L.J.G. Voorn te Amsterdam,

t e g e n

[B],

wonend te S

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam.

De partijen worden hierna [A] en [B]genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 21 december 2007 is [A] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 3 oktober 2007, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 320917 HA ZA 05-2109 gewezen tussen [A] als eiser en [B] als gedaagde.

[A] heeft bij memorie twee grieven geformuleerd en toegelicht en een productie in het geding gebracht, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de oorspronkelijke vordering van [A] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [B] in de kosten van beide instanties.

Daarop heeft [B] geantwoord en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [A] in de kosten van het hoger beroep.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2. Beoordeling

2.1 De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 25 januari 2006 onder 1 sub a tot en met l, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat deze feiten het hof tot uitgangspunt strekken.

2.2 [B] is vanaf in ieder geval begin 2000 tot juli 2001 de huisarts van [A] geweest. Op 16 augustus 2000 heeft [B] ter gelegenheid van een consult van [A] diens bloeddruk gemeten. Deze was 180/95. [B] sprak met [A] af door te gaan met het innemen van de eerder voorgeschreven plaspillen. Op 24 november 2000 heeft [B] de bloeddruk van [A] wederom gemeten. Deze bedroeg 190/90. [B] heeft daarop [A] opnieuw geadviseerd om de plaspillen goed te gebruiken en na een week terug te komen. Op 28 november 2001 bedroeg de gemeten bloeddruk 150/95. Op 17 juni 2001 heeft [A] met de waarnemer van [B] gebeld omdat hij zich ziek voelde. De waarnemer dacht aan een voedselvergiftiging en schreef norit voor. Op 18 juni 2001 heeft [B] [A] na (telefonisch) consult een anti-braakmiddel voorgeschreven. De volgende dag, 19 juni 2001, heeft [B] [A] gezien en lichamelijk onderzoek verricht. De bloeddruk was 200/110. [B] heeft [A] opnieuw geadviseerd zijn plaspillen in te nemen. Op 20 juni 2001 heeft [A] telefonisch contact met [B] opgenomen, naar aanleiding waarvan [B] met [A] heeft afgesproken laboratoriumonderzoek te laten verrichten. Op 21 juni 2001 heeft [A] wederom telefonisch contact opgenomen met de praktijk om een recept voor plaspillen. [B] heeft nog diezelfde dag het recept daarvoor bij de apotheek laten bezorgen. Die dag is bij [A] bloed afgenomen. Op 22 juni 2001 heeft [B] bij [A] een visite afgelegd. [B] heeft [A] lichamelijk onderzocht en een bloeddruk van 170/115 geconstateerd.

Op 22 juni 2001 is [A] na opstaan uit bed op zijn hoofd gevallen. Op 23 juni 2001 is [A] getroffen door een hersenbloeding. [A] is tot 1 augustus 2001 in het AZVU opgenomen geweest.

Bij brief van 24 november 2001 heeft [A] [B] aansprakelijk gesteld. [A] stelt dat [B] de hypertensie niet adequaat heeft behandeld tengevolge waarvan hij op 23 juni 2001 een intercerebrale bloeding heeft opgelopen.

Naar aanleiding van deze aansprakelijkheidstelling hebben partijen op 7 maart 2003 gezamenlijk een aantal vragen voorgelegd aan prof. dr. [H] ( hierna: [H]), in het bijzonder de vraag of [B] in de periode vanaf 18 juni 2001 tot aan de verwijzing naar het ziekenhuis onzorgvuldig heeft gehandeld, in die zin dat hij niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam vakgenoot onder gelijke omstandigheden verwacht mocht worden.

In het door [H] uitgebrachte rapport van 26 maart 2003 staat voorzover hier van belang:

“Naar mijn oordeel heeft de betrokken huisarts niet onzorgvuldig gehandeld in de periode vanaf 18 juni 2001 tot aan de verwijzing van betrokkene naar het ziekenhuis.

(…)

Betrokken patiënt was bekend met hypertensie. Hypertensie is geen diagnose (ziekte) maar een risicofactor. In de NGH-Standaard hypertensie staat dat aangegeven. Tevens staat daarin dat hypertensie geen klachten geeft. (….)

De klachten van patiënt kunnen dan ook niet geduid worden als klachten van de hypertensie. Bij patiënt kan niet gesproken worden van een hypertensieve crisis. Er moet bij beschreven klachten aan andere oorzaken worden gedacht.(…)”

2.3 [A] heeft [B] gedagvaard en gevorderd voor recht te verklaren dat [B] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door tekort te schieten in de behandeling van zijn ziekte in de periode van 18 tot 23 juni 2001.

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 25 januari 2006 overwogen dat zij behoefte had aan een nadere onderbouwing van de expertise van [H]. Omdat [H] niet meer voor medische expertises beschikbaar was is in overleg met partijen prof. dr. [R] (hierna: [R]) tot deskundige benoemd. Bij tussenvonnis van 31 mei 2006 zijn aan [R] dezelfde vragen als destijds aan [H] voorgelegd.

In haar eindvonnis heeft de rechtbank de vorderingen van [A] afgewezen. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat [R] in het deskundigenbericht van 2 januari 2007 op de gestelde vragen als volgt heeft geantwoord:

“Als we bovenstaande overwegingen en vastgestelde feiten betrekken bij mijn oordeel dan luiden mijn antwoorden op de gestelde vragen:

Vraag 1.

Ik ben van mening dat de betrokken huisarts [B] niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Hij heeft bij dit onduidelijke en aspecifieke klachtenbeeld gehandeld zoals van hem verwacht had mogen worden. Er is naar mijn mening dus geen sprake van nalatig of onjuist handelen, van gebrek aan aandacht voor het gepresenteerde probleem, van niet verricht of onjuist lichamelijk onderzoek of van foutief ingestelde behandeling.

Vraag 2.

Ik heb geen opmerkingen meer toe te voegen.”

De rechtbank heeft geoordeeld dat [R] in zijn deskundigenbericht voldoende concreet is en bij zijn advies de relevante feiten en omstandigheden in voldoende mate heeft betrokken. Voorts dat [R] op inzichtelijke en consistente wijze heeft uiteengezet waarom [B] niet heeft gehandeld in strijd met de professionele standaard door geen bloeddrukverlagend middel voor te schrijven en dat [B] de klachten van [A] niet hoefde te interpreteren als symptomen van een acuut te behandelen te hoge bloeddruk. De rechtbank heeft het advies van [R] overgenomen en is voorbijgegaan aan de opmerkingen van de door [A] ingeschakelde medisch adviseur, waarbij zij heeft meegewogen dat de conclusies van [R] stroken met die van het deskundigenbericht van [H].

2.4 De eerste grief richt zich tegen laatstgenoemd oordeel. [A] acht het onjuist dat de rechtbank haar keuze voor het rapport van [R] in plaats van dat van zijn medisch adviseur ([C]) doet steunen op het advies van [H]. Dit niet voldoende onderbouwde advies is volgens [A] van onwaarde en moet gelijk gesteld worden met geen advies.

2.5 De rechtbank heeft overwogen dat zij, om tot een oordeel te kunnen komen, behoefte had aan een nadere onderbouwing van de expertise van [H]. Dat die onderbouwing ontbrak maakte diens bevindingen nog niet van onwaarde. Toen [H] daarvoor niet meer beschikbaar bleek, is [R] als deskundige benoemd. Het stond de rechtbank vervolgens vrij om in haar eindoordeel te betrekken dat [R] tot dezelfde conclusies is gekomen als [H]. Bij weging komt gewicht toe aan de omstandigheid dat twee deskundigen, die met instemming van partijen zijn benoemd, na bestudering van de casus -onafhankelijk van elkaar - tot een gelijkluidend antwoord komen op de voorgelegde vraag of sprake is van onzorgvuldig handelen van de zijde Van [B], ook al is de ene rapportage van een veel uitgebreidere onderbouwing voorzien dan de andere. De grief faalt.

2.6 De tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [R] op het terrein waarop hij bij uitstek deskundig is op inzichtelijke en consistente wijze heeft uiteengezet waarom [B] niet in strijd met de professionele standaard heeft gehandeld door geen bloeddrukverlagend middel voor te schrijven. Volgens [A] is het advies van [R] een onvoldoende grondslag voor het oordeel of [B] al dan niet onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat de door [A] ingeschakelde adviseur [C] op 22 januari 2007 in een even consistent en inzichtelijk advies heeft geconcludeerd dat [B] onjuist en foutief heeft gehandeld door in de periode van 19 tot en met 22 juni 2001 niet de volgens het protocol voorgeschreven medicatie in te stellen, terwijl er geen aantoonbare redenen waren van het protocol af te wijken.

2.7 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de deskundigen [R] en [H] beiden gemotiveerd hebben uiteengezet dat de behandeling van [B] juist was. [R] heeft geconcludeerd dat de behandeling van de gevonden verhoogde bloeddruk in dit geval als juist moet worden gezien en dat het “voorlopig bewaken” van deze bloeddruk evenzeer juist was.

[H] heeft aangegeven dat de betrokken patiënt bekend was met hypertensie, dat hypertensie geen diagnose maar een risicofactor is, hetgeen in de NHG-Standaard hypertensie staat aangegeven. De klachten van patiënt waren geen klachten van hypertensie, aldus [H].

Daarmee is door deskundigen voldoende gemotiveerd dat het aanpassen van de reeds aan [A] voorgeschreven medicatie (nog) niet aan de orde was. De enkele omstandigheid dat de door [A] ingeschakelde verzekeringsarts [C] een andere mening is toegedaan is onvoldoende om de bevindingen van de onafhankelijke deskundigen [R] en [H] in twijfel te trekken. Het hof ziet daarom ook geen aanleiding om nadere vragen voor te leggen aan een derde deskundige, zoals [A] heeft voorgesteld. De grief faalt.

3. Slotsom en kosten

Uit het voorgaande vloeit voort dat het vonnis waarvan beroep moet worden bekrachtigd. [A] dient de kosten van het hoger beroep te dragen.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

verwijst [A] in de proceskosten en begroot die kosten voor zover tot heden aan de kant van [B] gevallen op € 300,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris van de advocaat;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings en R.J.M. Smit en C.H.M. van Altena en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2009.