Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI1804

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
07/00644
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het tarief onroerende zaakbelastingen voor het jaar 2006. Hof: de toegepaste korting op het tarief maakt integraal onderdeel uit van het tarief. Nu het tarief 2006 inclusief de korting lager is dan het in artikel 220f, lid 3, Gemeentewet vermelde bedrag is de zogenoemde gelimiteerde tariefstijging van 2% niet van toepassing. Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. (zie ook de uitspraak op het hoger beroep van de hefffingsambtenaar van dezelfde datum, nr. 07/00828)

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 220f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/836 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0919
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 07/00644

eerste meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

X, te Z, belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak no. 06/1237 van de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 30 augustus 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Castricum,

de heffingsambtenaar.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 maart 2009.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

1. In geschil is of de heffingsambtenaar voor het belastingjaar 2006 bij het opleggen van een aanslag onroerende-zaakbelasting aan belanghebbende als eigenaar van een woning een tarief mocht hanteren van € 3,03 met een korting van € 0,81 voor elke € 2.500 en daarmee heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 220f van de Gemeentewet.

2. De tekst van artikel 220f van de Gemeentewet voor het jaar 2006 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Het tarief wordt per volle € 2500 van de heffingsmaatstaf niet hoger vastgesteld dan:

a. (…)

b. € 6,62 voor de belasting, bedoeld in artikel 220, onderdeel b, voor zover het onroerende zaken betreft die in hoofdzaak tot woning dienen;

c. (…)

2. (…)

3. In afwijking van het eerste lid geldt voor de gemeente die een tarief hanteert dat lager is dan het in het eerste lid genoemde maximumtarief maar hoger dan (…) € 2,43 (…), dit tarief jaarlijks mag worden verhoogd met maximaal het percentage trendmatige BBP-groei na correctie voor inflatie en verminderd met de voor dat jaar geraamde areaalontwikkeling. De gemeente die voor een in het eerste lid genoemde belasting een tarief hanteert dat lager is dan het in de vorige volzin voor die belasting genoemde tarief, mag dit tarief verhogen tot maximaal het in de vorige volzin voor die belasting genoemde tarief, met dien verstande dat het in de belastingverordening opgenomen tarief ten minste verhoogd mag worden met het percentage trendmatige BBP-groei na correctie voor inflatie en verminderd met de voor dat jaar geraamde areaalontwikkeling.

4. tot en met 8. (…)

3. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Minister van Financiën hebben de zogenoemde gelimiteerde tariefstijging als bedoeld in het voormelde derde lid voor 2006 vastgesteld op 2%.

4. De rechtbank geeft onder punt zes van de uitspraak de gronden van vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Hieronder is de tekst van dit onderdeel integraal opgenomen.

“Naar het oordeel van de rechtbank maakt de korting een integraal onderdeel uit van de door de gemeente Castricum gehanteerde tariefopbouw van de OZB in 2006. Dat de korting voor 2006 is opgenomen in een afzonderlijk raadsbesluit doet daar niet aan af.

In de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder deze samenhang tussen de belastingtarieven van de heffingsmaatstaf en de korting miskend. Gelet hierop is de bestreden uitspraak op bezwaar op een onjuiste grondslag gebaseerd en genomen in strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met eiser is de rechtbank van oordeel, dat de verhoging van het tarief van de belasting bij de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen voor elke volle € 2.500,00 de heffingsmaatstaf van de OZB voor 2006 ten opzichte van 2005 meer bedraagt van 2 %. Gelet op het vorenstaande zal het beroep van eiser gegrond worden verklaard en het bestreden besluit geheel worden vernietigd.

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Door verweerder is het tarief bij de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen voor de OZB voor 2005 gesteld op € 2,71 voor elke volle € 2.268,00 van de heffingsmaatstaf met een korting van € 0,86. Derhalve is het netto tarief € 1,85 voor elke volle € 2.268,00 van de heffingsmaatstaf. Omgerekend naar elke volle € 2.500,00 van de heffingsmaatstaf is het nettotarief € 2,04. Voor 2006 is het tarief bij de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen voor de OZB gesteld op € 3,03 voor elke € 2.500,00 van de heffingsmaatstaf met een korting van € 0,81. Het nettotarief bedraagt voor 2006 derhalve € 2,22. De stijging in tarief voor 2006 ten opzichte van 2005 is dus € 0,18. Dit is meer dan 2 %, maar de tariefstelling voor 2006 blijft daarmee beneden het maximum tarief van € 2,43 dat is aangegeven in het derde lid van artikel 220f van de Gemeentewet. Daarmee heeft verweerder het OZB tarief voor het belastingjaar 2006 kunnen vaststellen op € 3,03 voor elke € 2.500,00 van de heffingsmaatstaf bij de eigenarenbelasting voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen met een korting van € 0,81. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden uitspraak op bezwaar in stand laten.”

5. Het Hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de juiste beslissing heeft genomen. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.

6. Zoals ter zitting aan belanghebbende is uiteengezet heeft de uitspraak van de rechtbank, anders dan hij veronderstelde, niet tot gevolg dat de heffingsambtenaar in geding zijnde aanslag moest vernietigen. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar weliswaar vernietigd, maar alleen omdat de in deze uitspraak opgenomen motivering onjuist was. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de door haar gegeven verbetering van de motivering de rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar in stand kunnen blijven. Dit houdt in dat de in geding zijnde aanslag in stand is gelaten.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De mondelinge uitspraak is gedaan op 3 april 2009 door mrs. J.P.F. Slijpen, voorzitter, W.M.G. Visser en J.P. Kruimel leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Blokland als griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.