Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI1783

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2009
Datum publicatie
21-04-2009
Zaaknummer
21-001770-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof onderscheidt in de feitelijke gang van zaken twee confrontaties tussen verdachte en [slachtoffer]. Daargelaten de vraag of verdachte reeds vóórdat hij voor de tweede keer die dag geconfronteerd werd met [slachtoffer] het besluit had genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven, is het hof van oordeel dat verdachte in ieder geval op het moment dat hij besloot de auto te stoppen en met het pistool op [slachtoffer] af te lopen, waarna hij het wapen heeft doorgeladen en al schietend achter [slachtoffer] is aangerend, tot het moment dat [slachtoffer] op de grond lag en verdachte hem van dichtbij het dodelijke schot heeft toegebracht, meerdere momenten heeft gehad zich te (kunnen) beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat de gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Het hof verwerpt het beroep op noodweer dan wel noodweerexces, nu het hof van oordeel is dat de noodweersituatie van de ochtend reeds was beëindigd, er ten tijde van de tweede confrontatie geen sprake is geweest van een noodweersituatie en er voorts in het geheel geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte waardoor hij geen enkele controle had over zijn handelen.

Bij de strafmaatoverweging heeft het hof uitvoerig beredeneerd hoe het tot de gevangenisstraf van 15 jaar is gekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ARREST

GERECHTSHOF AMSTERDAM

NEVENZITTINGSPLAATS ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001770-08

Uitspraak d.d.: 21 april 2009

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van

28 maart 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in [verblijfplaats].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 april 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr R.D.A. van Boom, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 september 2007 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere, althans één, kogel(s) afgevuurd naar, althans in de richting van, het hoofd en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof neemt het volgende in aanmerking.1

In de ochtend van 4 september 2007 omstreeks 10.30 uur vindt tussen verdachte en [slachtoffer] een confrontatie plaats in de nabijheid van de woning van de vriendin van verdachte, [woning 1] en de woning van [slachtoffer], [woning 2]. Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij die ochtend om 10.30 uur naar buiten is gelopen en zag dat [slachtoffer] uit het raam stond te kijken. Verdachte heeft hierop zijn handen omhoog gedaan en een gebaar gemaakt van: “Wat moet je?”. Daarop is [slachtoffer] naar buiten gekomen met een slagwapen en heeft verdachte, die inmiddels in zijn auto zat, door het geopende raam van de auto met dit slagwapen geslagen. Na deze confrontatie is verdachte met zijn auto weggereden. Hij heeft toen enkele vrienden/kennissen bezocht en een pistool opgehaald, een zwart automatisch wapen gevuld met patronen. Met het wapen in zijn bezit is verdachte teruggegaan naar de woning van zijn vriendin [woning 1]. Op het moment dat hij daar aan kwam (kort voor 14.00 uur) rijden, zat [slachtoffer] in zijn tuin. Verdachte zag dat [slachtoffer] opstond en met een slagwapen op hem af kwam lopen. Vervolgens heeft verdachte zijn auto gestopt en is hij uitgestapt. Hij is met het pistool [slachtoffer] tegemoet gelopen. [slachtoffer] is toen hij het wapen zag, omgedraaid en via de achterdeur zijn woning binnengelopen, waarbij hij de deur achter zich dicht heeft gedaan. Ter plekke heeft verdachte het wapen doorgeladen, waarna hij door het raam van de achterdeur heeft geschoten en achter [slachtoffer] aan naar binnen is gegaan. [slachtoffer] is vervolgens door zijn woning gelopen en door de voordeur naar buiten gerend. Verdachte is hem achterna gegaan de straat op. Hij heeft [slachtoffer] door de straten gevolgd en daarbij enkele schoten gelost in diens richting. Nadat [slachtoffer] op de grond was gevallen, heeft verdachte, staande boven [slachtoffer], nogmaals enkele keren op hem geschoten, totdat het pistool leeg was. Verdachte is toen weggelopen en in zijn auto weggereden.2

Onder andere zijn [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] getuige geweest van de schietpartij op 4 september 2007. Zij hebben hieromtrent een verklaring afgelegd tegenover de politie.

Zo verklaart [getuige 1] dat zij vanaf de hoek van de [straat 1] en de [straat 2] twee mannen achter elkaar aan zag rennen. De voorste man rende weg en de man die hem achtervolgde, schoot op hem met een pistool. De schoten werden al rennend afgevuurd door de man met het pistool. [getuige 1] hoorde dat de voorste man riep: “Niet doen, niet doen.” Ze zag dat de voorste man op de grond viel, waarna de man met het pistool bij de man ging staan en vervolgens zijn pistool naar beneden richtte, in de richting van de man, en snel achter elkaar een aantal schoten afvuurde.3

[getuige 2] heeft verklaard dat hij op de [straat 1] een man zag rennen. Daarachter zag hij een andere man rennen met een pistool in zijn hand. [getuige 2] zag dat de man het pistool op de voorste man richtte en tijdens het rennen in de richting van de voorste man schoot, waarna de voorste man op straat viel. [getuige 2] hoorde de dader zeggen: “Fuck you” of “Fuck off.” Meteen daarop zag en hoorde hij dat de dader meerdere schoten op het slachtoffer loste.4

[getuige 3] heeft verklaard dat hij vanuit het raam van zijn woning twee mannen achter elkaar aan zag rennen. De voorste man werd achterna gezeten door de achterste man, welke een zwart pistool had. [getuige 3] zag dat de achterste man met het pistool op de voorste man schoot. De voorste man zakte in elkaar en viel op de grond. De achterste man kwam op de voorste man aflopen. [getuige 3] zag dat de voorste man nog een soort van afweerbeweging maakte in de richting van de achterste man. Deze boog zich over de man op de grond, waarna [getuige 3] in ieder geval nog één schot hoorde.5

Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij door het raam van zijn woning een man op straat zag liggen. Daarnaast stond een andere man. [getuige 4] zag dat die man zijn rechterarm strekte en met een pistool naar beneden in de richting van de liggende man richtte. Direct daarna hoorde hij een aantal knallen kort achter elkaar.6

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij zag dat twee mannen achter elkaar aan renden in de richting van de [straat 1]. Hij zag dat de achterste man op de voorste man schoot. Hij hoorde dat de voorste man om hulp riep. De twee mannen renden de [straat 1] op. [getuige 5] zag dat de achterste man zijn pistool op de voorste man richtte en schoot, waardoor de voorste man in zijn been werd geraakt. Vervolgens werd de voorste man in zijn borst geschoten. De voorste man viel op de grond, waarna de achterste man de voorste man in zijn hoofd schoot. [getuige 5] hoorde de schutter de woorden: “Fuck it” zeggen.7

Uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen volgt dat de politie na een melding op 4 september 2007 ter plaatse kwam op de [straat 1] te [plaats] en daar het lichaam van [slachtoffer] levenloos op de rijbaan aantroffen met een grote plas bloed rondom zijn hoofd. [slachtoffer] vertoonde op dat moment geen teken van leven meer.8

Uit het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat in totaal 11 schotverwondingen in het lichaam van [slachtoffer] werden aangetroffen. Er was een doorschot aan het hoofd, een inschot in het gelaat, drie doorschoten aan de buik en rug en een doorschot aan het rechterbovenbeen. De arts-patholoog concludeert dat de letsels, gezien de uitgebreide bloeduitstortingen, bij leven waren ontstaan. Het doorschot aan het hoofd ging gepaard met onder andere verbrijzeling van de beide grote hersenhelften waarmee het intreden van de dood zonder meer wordt verklaard door weefselschade en functieverlies van de hersenen in combinatie met bloedverlies. De overige doorschoten en het inschot hebben, gezien hun bijdrage aan het bloedverlies, een bijdrage geleverd aan het overlijden.9

Voorbedachte rade

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van moord, vanwege het feit dat verdachte niet met voorbedachte rade [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Zoals hierboven reeds is overwogen is verdachte ’s ochtends na een confrontatie met [slachtoffer] weggereden in zijn auto en heeft hij een wapen opgehaald. Vervolgens is hij uren later teruggegaan naar de woning van zijn vriendin aan de [straat 2]. Op het moment dat hij daar aan kwam rijden, zat [slachtoffer] in zijn tuin. Verdachte zag dat [slachtoffer] opstond en met een slagwapen aan kwam lopen. Desondanks is verdachte welbewust met zijn auto gestopt en is hij uitgestapt. Hij is met het pistool [slachtoffer] tegemoet gelopen. [slachtoffer] is toen hij het wapen zag, omgedraaid en via de achterdeur zijn woning binnengelopen, waarbij hij de deur achter zich dicht heeft gedaan. Ter plekke heeft verdachte het wapen doorgeladen, waarna hij door het raam van de achterdeur heeft geschoten en achter [slachtoffer] naar binnen is gegaan. [slachtoffer] is door de voordeur naar buiten gerend en verdachte is hem achterna gegaan de straat op. Hij heeft [slachtoffer] op straat gevolgd en daarbij enkele schoten gelost in diens richting. Nadat [slachtoffer] op de grond was gevallen, heeft verdachte nogmaals enkele keren op hem geschoten, totdat het pistool leeg was.

Met betrekking tot het halen van het pistool heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij het pistool heeft opgehaald met de bedoeling om het te gaan gebruiken. Als [slachtoffer] hem weer zou aanvallen, zou verdachte op hem gaan schieten.10

Daargelaten de vraag of verdachte reeds vóórdat hij voor de tweede keer die dag geconfronteerd werd met [slachtoffer] het besluit had genomen om [slachtoffer] van het leven te beroven, is het hof van oordeel dat verdachte in ieder geval op het moment dat hij besloot de auto te stoppen en met het pistool op [slachtoffer] af te lopen, waarna hij het wapen heeft doorgeladen en al schietend achter [slachtoffer] is aangerend, tot het moment dat [slachtoffer] op de grond lag en verdachte hem van dichtbij het dodelijke schot heeft toegebracht, meerdere momenten heeft gehad zich te (kunnen) beraden op het te nemen of het genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat de gelegenheid heeft bestaan om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 september 2007 te Utrecht, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels afgevuurd naar, het hoofd en het lichaam van voornoemde [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Moord.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte behoort te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, nu hij heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat bij verdachte door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van [slachtoffer] in de ochtend een hevige gemoedsbeweging is ontstaan, welke hevige gemoedsbeweging heeft voortgeduurd tot na de schietpartij enkele uren later, dan wel dat bij verdachte door de tweede confrontatie met [slachtoffer] een hevige gemoedsbeweging is ontstaan, althans dat de hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de confrontatie met [slachtoffer] in de ochtend weer is opgelaaid, waardoor verdachte geen controle meer had over zijn handelen.

Het hof onderscheidt in de reeds onder het kopje ‘overweging met betrekking tot het bewijs’

geschetste feitelijke gang van zaken op 4 september 2007 twee confrontaties tussen verdachte en [slachtoffer]. De eerste confrontatie vond plaats in de ochtend van 4 september 2007, de tweede confrontatie vond plaats in de middag.

Eerste confrontatie

Het hof is van oordeel dat verdachte zich ten tijde van de eerste confrontatie, waarbij hij in zijn auto zat en door [slachtoffer] door het geopende raam met een slagwapen in zijn gezicht werd geslagen, in een noodweersituatie bevond, nu er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Na te zijn geslagen door [slachtoffer] is verdachte echter in zijn auto weggereden, waardoor hij zich naar het oordeel van het hof heeft onttrokken aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en derhalve de noodweersituatie werd beëindigd.

Het hof acht het voorts niet aannemelijk dat verdachte door of na deze noodweersituatie in de ochtend in een hevige gemoedstoestand is geraakt. Immers heeft verdachte na de confrontatie in de ochtend enkele vrienden/kennissen bezocht, waarvan verdachte ter terechtzitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij met deze vrienden niet over het gebeuren die ochtend heeft gesproken.11 Een van de personen die verdachte die ochtend heeft bezocht was [getuige 6], die heeft verklaard dat hij verdachte aan het einde van de ochtend heeft gezien en dat verdachte op dat moment een normale relaxte indruk maakte.12 Verdachte heeft vervolgens het pistool gehaald. Hij heeft hieromtrent zelf verklaard dat hij het zat was en dat hij het pistool ging halen om daarmee op [slachtoffer] te kunnen schieten als deze hem weer zou aanvallen.13

Uit de voorhanden zijnde rapportages omtrent de persoon van verdachte, waaronder met name de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 5 februari 2009, blijkt niet dat verdachte geen enkele controle had over zijn handelen toen hij zijn wapen met genoemde bedoeling ging halen. In de rapportage van het Pieter Baan Centrum wordt -zakelijk weergegeven- onder meer overwogen dat er vanuit de persoonlijkheid van betrokkene geen pathologische elementen aanwezig zijn waardoor hij verminderd in staat zou zijn geweest om de overweging te maken zich te bewapenen met een pistool.

Op grond van het bovenstaande was verdachte naar het oordeel van het hof in geestelijk opzicht volledig bij machte om keuzes te maken met betrekking tot het gaan halen van zijn pistool met de bedoeling om dit wapen daadwerkelijk te gebruiken. Een voortdurende heftige gemoedsbeweging die door deze eerste confrontatie is veroorzaakt is in het geheel niet aannemelijk geworden.

Tweede confrontatie

Wanneer verdachte die middag aan komt rijden bij de woning aan de [straat 2], met het pistool op zak, ziet hij naar eigen zeggen het slachtoffer met een slagwapen in diens tuin staan. Het hof is van oordeel dat, als op dit moment al sprake zou zijn van een bedreigende situatie, hier geen reden voor verdachte was zich hiertegen te verdedigen. Immers, blijkens het verhandelde ter terechtzitting, had verdachte zich op eenvoudige wijze kunnen onttrekken aan de situatie door verder te rijden met zijn auto. Niet aannemelijk is geworden dat voor een dergelijke handelswijze feitelijke belemmeringen bestonden. Verdachte heeft echter welbewust zijn auto gestopt, is zelf en op eigen initiatief op [slachtoffer] afgelopen en heeft ter plekke het pistool doorgeladen. Bij het zien van het pistool van verdachte is [slachtoffer] zijn woning binnengegaan en heeft hij daarbij de deur achter zich dichtgetrokken. Door aldus te handelen heeft [slachtoffer] zich van verdachte afgewend, waarmee - als daar al sprake van was - de voor verdachte bedreigende situatie werd beëindigd. Derhalve was op dat moment geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een dreigend gevaar daarvoor en dus ook geen sprake van een noodweersituatie.

Voorts is het hof ook nu niet gebleken van een hevige gemoedsbeweging, laat staan dat deze gemoedsbeweging zou zijn ontstaan door de tweede confrontatie met [slachtoffer], met name nu het hof het niet aannemelijk acht dat enkel door het feit dat [slachtoffer] op verdachte af kwam lopen een hevige gemoedsbeweging is ontstaan bij verdachte. Het hof wijst hierbij erop dat verdachte tegenover de politie heeft verklaard: “Soms moet je doen wat je moet doen om iets op te lossen” en “Ik deed dit zodat de man mij nooit meer kon aanvallen. Ik was het zat. Soms laten mensen je geen andere keus.”14

Hoewel door de verdediging gesteld wordt -en uit het dossier ook wel is gebleken- dat de situatie tussen (de familie van) verdachte en (de familie van) [slachtoffer] reeds langere tijd gespannen was, is het hof niet gebleken dat dit eerder heeft geleid tot ernstig escalerende situaties. Voorts is niet gebleken dat door de betrokken partijen hulp is gezocht bij enigerlei instantie. Het hof heeft de omstandigheid dat er al langere tijd onenigheid was tussen de beide families dan ook niet meegenomen bij de beoordeling van het verweer van de raadsman.

Nu het hof van oordeel is dat de noodweersituatie van de ochtend reeds was beëindigd, er ten tijde van de tweede confrontatie geen sprake is geweest van een noodweersituatie en er voorts in het geheel geen sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte waardoor hij geen enkele controle had over zijn handelen, verwerpt het hof het verweer van de raadsman dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens moord tot gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren. De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld wegens moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Het openbaar ministerie is in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft conform de eis van de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens moord tot gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren.

Het hof heeft net als de rechtbank bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de navolgende omstandigheden.

Verdachte heeft terwijl hij achter het vluchtende slachtoffer aanrende, eerst door de woning van het slachtoffer en vervolgens op straat, meerdere malen op het slachtoffer geschoten. Terwijl het slachtoffer reeds weerloos op de grond lag, is verdachte naar het slachtoffer toegelopen en heeft hij van dichtbij nogmaals gericht enkele schoten op het slachtoffer afgevuurd. Verdachte heeft net zolang doorgeschoten totdat zijn pistool leeg was. Het slachtoffer is als gevolg van de daardoor opgelopen verwondingen overleden. Door aldus te handelen heeft verdachte blijk gegeven van een ernstig gebrek aan respect voor het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven. Verdachte heeft door zijn handelen aan de familie en vrienden van het slachtoffer, met name aan de echtgenote en zijn kinderen, onbeschrijflijk en onherstelbaar leed toegebracht. Aan te nemen valt dat zij dat leed en de mede als gevolg daarvan ontstane schade nog lang, zo niet de rest van hun leven, zullen ervaren.

Het ernstige gevolg van het bewezen verklaarde en de wijze waarop het bewezen verklaarde handelen is uitgevoerd, dragen een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengen in de samenleving in het algemeen, en de omgeving van het gebeurde in het bijzonder, gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, temeer nu dit feit op klaarlichte dag is gepleegd op straat op een tijdstip dat de scholen uitgingen en ouders met hun kinderen thuiskwamen. Hij heeft zich er totaal geen rekenschap van gegeven dat hij omstanders had kunnen raken.

Het hof heeft bij de strafbepaling in aanmerking genomen de omtrent verdachte opgemaakte rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, van 5 februari 2009, opgemaakt door A.T. Spangenberg (klinisch psycholoog), G.T. Blok (psychiater in opleiding) en M.D. van Ekeren (psychiater), onder meer inhoudende als conclusie van voormelde deskundigen -zakelijk weergegeven- dat hoewel er bij betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis, deze beiden niet van invloed zijn geweest op het ten laste gelegde. Verdachte wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht voor het ten laste gelegde.

Het hof neemt voormelde conclusie over en maakt deze tot de zijne. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het bewezen verklaarde feit de verdachte volledig kan worden toegerekend.

Het hof heeft voorts kennis genomen van de eerder omtrent verdachte opgemaakte pro justitia rapportages van drs F.C.P. Zuidhof (psycholoog) en drs H.A. Gerritsen (psychiater) van respectievelijk 11 en 23 januari 2008, doch zal daar bij de strafbepaling verder geen acht op slaan gelet op de inhoud en conclusie van het hiervoor genoemde omtrent verdachte opgemaakte rapportage van het Pieter Baan Centrum.

Daarnaast heeft het hof bij de strafbepaling acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie, verdachte betreffende, waaruit blijkt dat verdachte -hoewel reeds lange tijd geleden- eerder veroordeeld is wegens geweldsdelicten.

Moord, zoals in het onderhavige geval bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt.

Het hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat het opleggen van een gevangenisstraf van zeer lange duur in casu dan ook op zijn plaats is.

In de praktijk pleegt de strafrechter bij de beoordeling van een zaak en de oplegging van straf, zeker in gevallen als de onderhavige, rekening te houden -waar mogelijk- met vergelijkbare zaken. Als uitgangspunt voor de strafoplegging bij een enkelvoudige moord hanteert het hof een gevangenisstraf van tussen de twaalf en achttien jaren, zoals ook wordt weergegeven in de databank consistente straftoemeting, waarin straffen zijn opgenomen die eerder voor dit soort feiten zijn opgelegd. De precieze hoogte van de gevangenisstraf stelt het hof vast aan de hand van de volgende redenering.

Een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, acht het hof in casu te hoog. De werkelijkheid gebiedt in dat verband te zeggen dat het strafrecht gevallen kent die, hoe moeilijk ook invoelbaar voor direct betrokkenen, nog ernstiger zijn dan het onderhavige. Dat verschil moet naar het oordeel van het hof tot uitdrukking komen in de strafoplegging.

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar, zoals opgelegd door de rechtbank, acht het hof in casu voorts niet toereikend. Ten eerste komt het hof, anders dan de rechtbank, tot volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Hierdoor wordt de hoogte van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf op een langere duur gesteld dan de rechtbank heeft gedaan. Voorts ziet het hof als strafverzwarende omstandigheden het feit dat het bewezen verklaarde op klaarlichte dag voor het oog van vele omstanders heeft plaatsgevonden en voorts het feit dat verdachte, terwijl het slachtoffer reeds weerloos op de grond lag en verdachte smeekte om het niet te doen, van dichtbij gericht op het slachtoffer het dodelijke schot heeft afgevuurd, hetgeen naast koelbloedigheid een liquidatie/executie-element in zich heeft.

Dit alles in aanmerking nemend, acht het hof een gevangenisstraf die ligt in het midden van de hiervoor genoemde bandbreedte, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr J.I.M.W. Bartelds, voorzitter,

mr H.G.W. Stikkelbroeck en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof, griffier,

en op 21 april 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr P.H.A.J. Cremers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Voor zover hierna wordt verwezen naar processen-verbaal van politie, wordt telkens verwezen naar

de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/07-

0142730, gesloten en getekend op 6 september 2007 door [verbalisant 1], brigadier van politie.

2 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt op 5 september 2007 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (pagina 136-138 en 140), zijnde de verklaring van verdachte, en het proces-verbaal ter terechtzitting van 14 maart 2008 van de meervoudige kamer in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte (pagina 2-4).

3 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummer PL0915/07-280222, opgemaakt op 4 september 2007 door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie (dossierpagina 75-76), zijnde de verklaring van [getuige 1].

4 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/07-280222, opgemaakt op 4 september 2007 door [verbalisant 6] en [verbalisant 7], respectievelijk hoofdagent en surveillant van politie (dossierpagina 88-89), zijnde de verklaring van [getuige 2].

5 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/07-280222, opgemaakt op 4 september 2007 door [verbalisant 8] en [verbalisant 9], respectievelijk agent en brigadier van politie (dossierpagina 92-94), zijnde de verklaring van [getuige 3].

6 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/07-280222, opgemaakt op 5 september 2007 door [verbalisant 9] en [verbalisant 1], brigadiers van politie (dossierpagina 100), zijnde de verklaring van [getuige 4].

7 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0913/07-280222, opgemaakt op 6 september 2007 door [verbalisant 10] en [verbalisant 11], respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie (dossierpagina 117-118), zijnde het relaas en/of de bevindingen van voornoemde verbalisanten.

8 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0917/07-2803969, opgemaakt op 4 september 2007 door [verbalisant 12], hoofdagent van politie (pagina 47-48 van het hoofdproces-verbaal), zijnde het relaas en/of de bevindingen van voornoemde verbalisant.

9 Zie het sectierapport van het Nederlands Forensisch Instituut, genummerd 2007.09.05.001, opgemaakt op 5 september 2007 door dr V. Soerdjbalie-Maikoe, arts-patholoog (dossierpagina 133-134 van het hoofdproces-verbaal).

10 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt op 5 september 2007 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (pagina 140), zijnde de verklaring van verdachte.

11 Zie het proces-verbaal ter terechtzitting van 14 maart 2008 van de meervoudige kamer in de rechtbank Utrecht, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte (pagina 4).

12 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt op 26 oktober 2007 door [verbalisant 1], brigadier van politie (pagina 292-293), zijnde de verklaring van [getuige 6].

13 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt op 5 september 2007 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (pagina 140), zijnde de verklaring van verdachte.

14 Zie het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt op 5 september 2007 door [verbalisant 13], inspecteur/hulpofficier van justitie (pagina 39), zijnde de verklaring van verdachte, en het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, opgemaakt op 5 september 2007 door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], brigadiers van politie (pagina 138), zijnde de verklaring van verdachte.