Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI1741

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
22-04-2009
Zaaknummer
08/00548
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BM5129, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Precariobelasting. Ondergrondse leidingen. Verwijzingsuitspraak na HR 9 mei 2008, nr. 42 878, BNB 2008/183. Het tarief voor gasbuizen tot een werkdruk van 10 bar en voor leidingen voor water en stadsverwarming is veel lager dan voor andere buizen en transportleidingen. Deze tariefstelling is niet strijdig met het gelijkheids- of evenredigheidsbeginsel. Voor het verschil in behandeling bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging, doordat de laag belaste buizen dienen voor het transport van aardgas, drinkwater en warmte, welke tot de eerste levensbehoeften moeten worden gerekend. Met het tariefverschil is beoogd om de prijsverhogende invloed van de precariobelasting op voormelde eerste levensbehoeften te beperken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0907
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P08/00548

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van

X B.V.,

gevestigd te Z, belanghebbende,

tegen een uitspraak van

de directeur Gemeentebelastingen Rotterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Loop van het geding

1.1. De Hoge Raad heeft op 9 mei 2008 onder nummer 42.878 arrest gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 16 november 2005, nr. BK-04/00056, betreffende de aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag in de precariobelasting voor het jaar 2003 (hierna: de aanslag).

De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de heffingsambtenaar van 5 december 2003 gehandhaafd.

1.2. Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij voormelde uitspraak van 16 november 2005 de uitspraak waarvan beroep en de aanslag vernietigd.

De Hoge Raad heeft de uitspraak van genoemd hof vernietigd, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en het geding verwezen naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van zijn arrest.

1.3. Bij brief van 16 mei 2008 heeft de griffier partijen in de gelegenheid gesteld een schriftelijke toelichting te geven omtrent het geschil na verwijzing. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 10 juni 2008 van die gelegenheid gebruik gemaakt, belanghebbende bij brief van 24 juli 2008. Kopieën van die brieven zijn naar de wederpartijen gezonden.

1.4. Belanghebbende heeft een nader stuk met dagtekening 11 september 2008 ingezonden. Een kopie van dit stuk is naar de heffingsambtenaar gezonden.

1.5. Het beroep is behandeld ter zitting van 25 september 2008. Van hetgeen ter zitting is verhandeld is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Het Hof rekent de ter zitting overgelegde stukken tot de gedingstukken.

2. Geding na cassatie

De Hoge Raad heeft in het verwijzingsarrest overwogen:

3.6. Verwijzing moet volgen voor beoordeling van de grief van belanghebbende waaraan het Hof niet is toegekomen.

3. Tussen partijen vaststaande feiten

3.1. Het Hof verwijst naar de volgende door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage in de onder 1.1 vermelde uitspraak opgenomen vaststaande feiten:

4.1. Belanghebbende houdt zich bedrijfsmatig bezig met het fabriceren, gebruiken en verhandelen van industriële gassen en andere chemische producten en apparatuur voor het lassen en snijden van metalen en daarmee verband houdende werkzaamheden.

4.2. Ten behoeve van haar bedrijfsuitoefening heeft belanghebbende, met vergunning, leidingen en buizen gelegd in gemeentegrond (hierna: de leidingen) . De leidingen liggen op ongeveer één meter diepte en ongeveer 40 centimeter uit elkaar. Aan de vergunning zijn tal van voorschriften verbonden. Zo dienen onder meer (onderhouds)werkzaamheden vooraf te worden gemeld bij de opzichter van het Leidingenbureau van Gemeentewerken Rotterdam.

4.3. Het merendeel van de leidingen ligt in speciaal hiervoor gereserveerde kabel- en leidingstroken, over het algemeen gelegen in speciale groenstroken naast de (openbare) wegen. Waar de leidingstroken de weg kruisen, is een speciaal leidingviaduct gebouwd. De leidingstroken hebben formeel geen bestemming, doch in de praktijk wordt uitgegaan van de bestemming industrie.

4.4. De bovengrondse stukken van de leidingstroken waar zich een afsluiter bevindt, zijn in het algemeen omheind met een hekwerk. Aan de rand van de leidingstroken staat om de 100 meter een bordje met de tekst ‘Kabelstrook, gevaarlijke leidingen, verboden toegang’ of soortgelijke bewoordingen.

Boven chloorleidingen liggen op de grond extra waarschuwingstegels.

4.5. Naast belanghebbende hebben ook andere bedrijven en nutsbedrijven leidingen in de(zelfde) leidingstroken.

4.6. Ter zake van het hebben van de leidingen in de gemeentegrond is aan belanghebbende de onderhavige aanslag opgelegd. De aanslag beloopt € 553.069,98.

3.2. Het Hof stelt nader de volgende feiten vast. Belanghebbende transporteert door de door haar in gemeentegrond gelegde leidingen hoofdzakelijk koolmonoxide, stikstof, waterstof en zuurstof naar industriële afnemers die evenals belanghebbende in het havengebied van Rotterdam zijn gevestigd.

4. Geschil

Tussen partijen is na verwijzing nog in geschil of de tarieven, welke zijn opgenomen in de onderdelen 12.01 en 12.03 van de tarieventabel behorend bij de onder 6 aangehaalde verordening (hierna: de Tarieventabel) leiden tot een heffing die in strijd is met het gelijkheidsbeginsel of met het evenredigheidsbeginsel.

5. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de stukken van het geding. Voor hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd wordt verwezen naar het proces-verbaal.

6. Relevante regelgeving

Het Hof neemt hier over hetgeen het Gerechtshof te ’s-Gravenhage in zijn uitspraak hieromtrent heeft opgenomen:

3.1. De raad van de gemeente Rotterdam heeft in zijn openbare vergaderingen van 12 en 14 november 2002 de Verordening precariobelasting en rechten 2003 vastgesteld. De Verordening (en de daarbij behorende Tarieventabel) is bekendgemaakt in het Gemeenteblad 2002/144. De datum van ingang van heffing is 1 januari 2003.

3.2. De tekst van de hierboven genoemde Verordening en Tarieventabel behoren in kopie tot de stukken van het geding. De Verordening en de Tarieventabel worden hierna steeds aangeduid als Verordening.

3.3. De Verordening luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Overeenkomstig de bepalingen in deze verordening:

1. wordt onder de naam ‘precariobelasting’ een belasting geheven voor het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd;

(…)

Artikel 3 Belastingplicht

1. De belasting als bedoeld in artikel 2, lid 1, wordt geheven van degene die één of meer voorwerpen heeft onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, dan wel degene te wiens behoeve voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, worden aangetroffen.

(…)

Artikel 5 Maatstaven van heffing en tarieven

De precariobelasting en de rechten worden geheven naar de maatstaven en tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting en de rechten

1. De precariobelasting en de rechten worden geheven naar het aantal eenheden vastgesteld aan de hand van de tarieventabel met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

2. Bij het hebben van voorwerpen onder gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, wordt de oppervlakte bepaald door een horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

3. Bij het hebben van voorwerpen op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, wordt de oppervlakte bepaald op die welke door de voorwerpen wordt overdekt, tenzij anders is bepaald.

4. Voor de toepassing van de tarieventabel wordt een gedeelte van een eenheid voor een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 7 Heffingstijdvak

Het heffingstijdvak is het kalenderjaar, kalenderkwartaal of de kalendermaand, tenzij bij één van deze tijdvakken blijkt dat een korter tijdvak van toepassing is, met dien verstande dat ook heffing voor elk belastbaar feit afzonderlijk kan plaatsvinden.

Tarieventabel behorende bij de Verordening precariobelasting en rechten 2003

Nr. Omschrijving Eenheid tarief 2003 in €

12 Buizen en kabels; leidingviaducten

12.01 Buizen en transportleidingen, voor zover

niet vallend onder nummer 12.03 per meter per jaar 5,24

12.02 Kabels per meter per jaar 0,44

12.03 Gasbuizen tot een werkdruk van 10 bar,

waterleiding en stadsverwarmingsbuizen per meter per jaar 0,44

12.04 Leidingviaducten per m² per jaar 9,78”

7. Beoordeling van het geschil

7.1. Belanghebbende betoogt dat, bezien vanuit de rechtsgrond van de precariobelasting, de onderdelen 12.01 en 12.03 van de Tarieventabel betrekking hebben op gelijke gevallen, dat die gevallen niettemin ongelijk worden behandeld en dat een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond voor die ongelijke behandeling ontbreekt. De heffingsambtenaar betwist dat hier sprake is van gelijke gevallen. Mocht daarover echter anders worden geoordeeld, dan is het verschil in behandeling naar zijn mening gerechtvaardigd.

7.2. Het Hof oordeelt dat het onder, op of boven gemeentegrond, voor de openbare dienst bestemd, hebben van de buizen en leidingen als omschreven onder 12.01 van de Tarieventabel, respectievelijk als omschreven onder 12.03 van die tabel, als gelijke gevallen zijn aan te merken omdat in beide gevallen sprake is van eenzelfde gebruik van gemeentegrond. Beoordeeld dient daarom te worden of voor het ongelijk behandelen van die gevallen, door voor de ene categorie een hoger tarief vast te stellen dan voor de andere, een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestaat.

7.3. Het Hof is van oordeel dat de rechtvaardiging voor het zojuist bedoelde onderscheid in het bijzonder daarin is te vinden, dat de onder 12.03 van de Tarieventabel genoemde buizen en leidingen dienen voor het transport van producten als aardgas, drinkwater en warmte welke tot de eerste levensbehoeften moeten worden gerekend. Bij de onder 12.01 van die tabel genoemde buizen en leidingen is dit niet het geval. Het Hof acht aannemelijk dat, zoals de heffingsambtenaar heeft betoogd, het tariefverschil tussen beide soorten buizen en leidingen is ingegeven door de wens van de gemeentelijke wetgever om de prijsverhogende invloed van de precariobelasting op voormelde eerste levensbehoeften te beperken. Reeds bij de invoering van de onderhavige tariefstructuur per 1 januari 1985 is immers overwogen, dat het afschaffen van de voordien geldende vrijstelling voor buizen in gebruik en in eigendom van de gemeente, niet mocht leiden tot het verhogen van de tarieven van de toenmalige gemeentelijke nutsbedrijven. De doeleinden welke destijds met die afschaffing werden nagestreefd, zoals beschreven door belanghebbende, doen aan de betekenis van die overweging geen afbreuk. Het Hof acht die rechtvaardiging objectief en redelijk. Daaraan doet niet af dat door middel van de onder 12.03 van de Tarieventabel genoemde buizen en leidingen ook leveringen aan industriële bedrijven plaatsvinden. De gemeentelijke wetgever heeft destijds kunnen voorzien dat dit zich zou voordoen, maar daarin blijkbaar geen beletsel gezien om voor die buizen en leidingen toch een lager tarief vast te stellen.

7.4. Op grond van het onder 7.1 tot en met 7.3 overwogene is het Hof van oordeel dat ten aanzien van belanghebbende geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

7.5. Belanghebbende betoogt voorts dat het evenredigheidsbeginsel, zoals dat is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is geschonden. Die bepaling houdt in dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Belanghebbende voert in dit verband aan dat de onderhavige tariefdifferentiatie niet aansluit bij het karakter van de heffing en leidt tot een buitensporig hoge aanslag.

7.6. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van voormeld artikel 3:4 blijkt dat voor ingrijpen door de rechter in dit verband alleen plaats is wanneer voor hem vaststaat, dat de gevolgen voor een belanghebbende in vergelijking met de te dienen doelen onevenredig zullen zijn. Daarbij zal de rechter aan bestuursorganen in de regel een ruime mate van beoordelingsvrijheid moeten laten. Slechts indien het bestuursorgaan in redelijkheid niet kon menen dat een evenredigheid bestond tussen het doel en de gevolgen van het aangewende middel, behoort de rechter tot vernietiging van het desbetreffende besluit over te gaan.

7.7. Bij de beoordeling van de onderhavige grief van belanghebbende dient in aanmerking te worden genomen, dat de gemeentelijke wetgever zowel bij het bepalen van de absolute hoogte van de precariobelasting als bij de verdeling daarvan over de belastingplichtigen een grote mate van vrijheid heeft. Zo kan de hoogte van de belasting (mede) afhankelijk worden gesteld van andere criteria dan de mate van gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Ook het uit beleidsoverwegingen hanteren van (sterk) verlaagde tarieven is toegestaan, mits de andere belastingplichtigen daardoor niet onevenredig worden benadeeld. Het Hof is van oordeel dat dit laatste zich ten aanzien van belanghebbende niet heeft voorgedaan. Gelet hierop dient, mede in het licht van de onder 7.6 weergegeven wetsgeschiedenis, het beroep van belanghebbende op het evenredigheidsbeginsel te worden verworpen.

8. Slotsom en proceskosten

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de heffingsambtenaar.

Aldus vastgesteld op 28 januari 2009 door mrs. O.B. Onnes, voorzitter, P.M.F. van Loon, J.P.F. Slijpen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing wordt in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.