Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI1302

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-03-2009
Datum publicatie
16-04-2009
Zaaknummer
23-004215-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klachtdelict. Stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht. Bij belaging kan het gaan om een herhaling van dezelfde activiteit maar ook om een variëteit aan gedragingen, zoals in casu.

Verklaring aangeefster betrouwbaar, ondanks één onjuiste mededeling in die verklaring.

Oplegging van een deels voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld een bijzondere voorwaarde om het recidiverisico te verminderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004215-07

datum uitspraak: 26 maart 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 20 juni 2007 in de strafzaak onder parketnummer 14-810119-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

adres: [adres], [woonplaats] Helder.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 20 juni 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

Ingevolge het bepaalde in artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vindt vervolging wegens belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan.

Het hof stelt vast dat zich bij de stukken in het dossier geen klacht als hiervoor bedoeld van [slachtoffer 2] jegens de verdachte bevindt, zodat te dien aanzien niet is voldaan aan het hiervoor omschreven klachtvereiste. Het hof zal het openbaar ministerie derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn vervolging voorzover het betreft - kort gezegd - de belaging van[slachtoffer 2].

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

onder 1

hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 10 maart 2007 in de gemeente Den Helder, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft verdachte toen en daar

- zich zeer regelmatig opgehouden bij de woning van die [slachtoffer 1] en

- bij de woning van die [slachtoffer 1] aangeklopt en

- regelmatig telefonisch contact gehad met die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] bedreigd met het in brand steken van haar woning en

- eenmaal geslagen tegen de ruit van de woning van die [slachtoffer 1];

onder 2

hij op 10 maart 2007 in de gemeente Den Helder, toen de aldaar dienstdoende brigadier van politie Noord-Holland Noord, [verbalisant 1], verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het bureau van politie te Den Helder, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en te trekken in een andere richting dan waarin die politieambtenaar verdachte wilde brengen en te schoppen in de richting van die politieambtenaar.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Hij heeft in dit verband - kort en zakelijk weergegeven - betoogd dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] evidente onjuistheden bevat en om die reden niet betrouwbaar is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof beoordeelt de verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] als betrouwbaar. Deze verklaring komt het hof logisch en consistent voor en vindt verankering in de overige bewijsmiddelen, waaronder in het bijzonder de verklaring van [slachtoffer 2] alsmede in de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en[verbalisant 2].

De enkele mededeling van aangeefster dat verdachte in de nacht van zijn aanhouding naar haar dochter heeft gebeld, hetgeen niet juist kan zijn, doet daaraan niet af.

De raadsman heeft voorts betoogd dat stelselmatigheid van de vermeende inbreuk door de verdachte door het ontbreken van bijvoorbeeld een gespecificeerde uitdraai van telefoongegevens niet kan worden afgeleid.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

Er is - kort gezegd - sprake van belaging wanneer iemand opzettelijk een ander herhaaldelijk lastig valt waardoor een inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van die persoon. Het kan daarbij gaan om een herhaling van dezelfde activiteit maar ook om het samenstel van een variëteit aan gedragingen. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte zich gedurende een periode van ongeveer één jaar naar hem - gelet op de dreigende en/of intimiderende aard van zijn houding jegens [slachtoffer 1] - duidelijk moest zijn tegen de wil van die [slachtoffer 1], met grote regelmaat bij de woning van [slachtoffer 1] heeft opgehouden en telefonisch contact met haar heeft gezocht. Die handelingen in onderling verband en samenhang bezien moeten, naar het oordeel van het hof, worden gekwalificeerd als een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1].

Dat de verdachte die [slachtoffer 1] door voornoemd samenstel van handelingen, mede gelet op de aard en de frequentie ervan, vrees heeft aangejaagd, blijkt uit de aangifte van [slachtoffer 1].

Gelet op de aard van de handelingen en de omstandigheden waaronder deze door de verdachte zijn begaan, acht het hof bovendien bewezen dat hiermee naar objectieve maatstaven vrees kan worden opgewekt. Dat de aangeefster gelet op haar medische geschiedenis wellicht angstiger dan een gemiddeld mens was, doet, zó daar al sprake van zou zijn, aan het voorgaande niet af.

De raadsman van de verdachte heeft met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde betoogd dat de verdachte niet is medegedeeld dat hij was aangehouden, althans dat hij gelet op de onduidelijke en hectisch situatie ter plaatse niet heeft hoeven begrijpen dat hij was aangehouden, zodat hij van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat het feitelijke grondslag ontbeert.

Het hof overweegt daartoe dat [verbalisant 1], blijkens het door hem op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 10 maart 2007 (dossierpagina 9 e.v.) op 10 maart 2007 in uniform was gekleed, in een opvallend dienstvoertuig reed, dat hij de verdachte na een korte achtervolging - en nadat hij de twee andere daar aanwezige mannen had gezegd zich te verwijderen - heeft vastgepakt en hem heeft verteld dat hij was aangehouden.

Voorts blijkt uit de verklaring van de verdachte ter gelegenheid van zijn inverzekeringstelling d.d. 11 maart 2007 (dossierpagina 24 e.v.) dat hij zich heeft verzet tegen zijn aanhouding, omdat hij een klap kreeg van die agent. Hij dacht op dat moment dat niet hij moest worden aangehouden, maar een ander, te weten de vader van [zijn ex-vriendin]. Gelet op het voorgaande houdt het hof het ervoor dat de verdachte was aangehouden en dat hem dit ook bekend was.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

belaging

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter in de rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts is de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 500,- toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met als bijzondere voorwaarde dat hij zich onverwijld stelt en dat hij gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van de Stichting Reclassering Nederland en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 500,- zal worden toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft een kortdurende affaire gehad met [zijn ex-vriendin]. Laatstgenoemde heeft op enig moment aan die affaire een einde gemaakt, hetgeen verdachte slecht heeft verwerkt. Hij heeft zich nadien gedurende een periode van ongeveer een jaar schuldig gemaakt aan belaging (‘stalking’) van mevrouw [slachtoffer 1], de moeder van[zijn ex-vriendin]. Verdachte heeft door zo te handelen ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de moeder van een ex-vriendin. De ervaring leert dat slachtoffers van belaging hiervan nog geruime tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden.

Toen verdachte van dat feit op heterdaad werd betrapt, heeft hij zich met geweld verzet tegen opsporingsambtenaar [verbalisant 1], die in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening werkzaam was.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 5 maart 2009 is hij vele malen eerder ter zake van strafbare feiten waaronder bedreigingen, wederspannigheid en andere geweldsdelicten veroordeeld.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van rapportages betreffende de verdachte, die van enige tijd geleden dateren en die zijn opgemaakt met betrekking tot andere strafbare feiten, te weten:

- een voorlichtingsrapport van 7 juni 2007, opgemaakt door L. Zwier, van de Brijder Verslavingsreclassering Arrondissement Alkmaar;

- een Psychologisch Pro Justitia Rapport van 26 juni 2006, opgemaakt door mr. drs R.A. Sterk, psycholoog;

- een voorlichtingsrapport van 27 juni 2006, opgemaakt door F. Kamoschinski, van de Stichting Reclassering Nederland;

- een Psychiatrisch onderzoek Pro Justitia van 15 mei 2007, opgemaakt door I. Matthaei, psychiater;

- een Psychologisch Pro Justitia Rapport van 17 mei 2007, opgemaakt door D. Beuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog.

Uit de hiervoor genoemde rapporten van de psycholoog Sterk, de psychiater I. Matthaei en de gezondheidszorg- en forensisch psycholoog Beuker maakt het hof op dat bij de verdachte ten tijde van de toen aan de orde zijnde strafbare feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, die kan worden omschreven als een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. In al deze rapporten werd de verdachte verminderd toerekenbaar geacht met betrekking tot de hem verweten gedragingen, waarbij om recidive te voorkomen behandeling noodzakelijk werd geacht. Gelet op het geringe tijdverloop sinds het opmaken van genoemde rapporten en het feit dat, naar de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, hij nog steeds niet behandeld is voor genoemde stoornis, acht het hof het aannemelijk dat deze stoornis ook aanwezig was ten tijde van de thans bewezenverklaarde feiten is, acht het de verdachte in zoverre verminderd toerekenbaar.

Het hof acht voorts termen aanwezig om de verdachte onder toezicht te stellen van de Stichting Reclassering Nederland om te verzekeren dat - indien de Stichting Reclassering Nederland daartoe termen aanwezig acht - (ambulante) behandeling zal plaatsvinden om het recidiverisico te verminderen.

Alles afwegende acht het hof - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde om zich te gedragen naar de aanwijzingen van de Reclassering Nederland, zolang die instelling dat noodzakelijk oordeelt, van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 180 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 1 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan de hem tenlastegelegde feiten.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn strafvervolging van de verdachte voorzover het betreft - kort gezegd - de belaging van de in de tenlastelegging onder 1 genoemde [slachtoffer 2].

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 191 (honderdeenennegentig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat hij zich onverwijld stelt en dat gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van de Stichting Reclassering Nederland en zich gedurende die proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang deze instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook als dat inhoudt het ondergaan van een (ambulante) behandeling een door of namens de Stichting Reclassering Nederland aan te wijzen instelling

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 1], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 500,00 (vijfhonderd euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. E. Mijnsberge, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 maart 2009.