Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI0329

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-02-2009
Datum publicatie
07-04-2009
Zaaknummer
23-001887-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet en de begrenzing daarvan. Voorbedachten rade. Straftoemeting en eergerelateerd geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer: 1887-08

parketnummer: 23-001887-08

datum uitspraak: 25 februari 2009

(promis)

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van

26 maart 2008 in de strafzaak onder parketnummer 13-523202-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1961],

adres:[adres],

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Westlinge BB te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 12 maart 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg 12 maart 2008 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

De tenlastelegging houdt thans het volgende in, dat:

onder 1 primair

hij op of omstreeks 20 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade zijn echtgenote [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool althans een vuurwapen, op korte afstand een of meer kogels op het lichaam van die [slachtoffer 1] heeft afgevuurd en daarbij die [slachtoffer 1] 4 keer in haar benen (2 schotwonden in het linkerbeen en 2 schotwonden

in het rechterbeen) heeft geraakt;

onder 1 subsidiair

hij op of omstreeks 20 juni 2007 te Amsterdam aan een persoon (te weten zijn echtgenote [slachtoffer 1]), opzettelijk en met voorbedachten rade althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken linkeronderbeen en/of zenumuitval in het rechterbeen) heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een pistool althans een vuurwapen, vier kogels in haar benen (2 schotwonden in het linkerbeen en 2 schotwonden in het rechterbeen) te schieten;

onder 1 meer subsidiair

hij op of omstreeks 20 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn echtgenote [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm en rustig overleg met een pistool, althans een vuurwapen, vier kogels in haar benen (2 schotwonden in het linkerbeen en 2 schotwonden in het rechterbeen) heeft geschoten;

onder 2 primair

hij op of omstreeks 20 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade. [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool althans een vuurwapen, op korte afstand een of meer kogels op het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft afgevuurd en daarbij die [slachtoffer 2] 2 keer in haar benen (1 schotwond in het linkerbeen en 1 schotwond in het rechterbeen) heeft geraakt;

onder 2 subsidiair

hij op of omstreeks 20 juni 2007 te Amsterdam aan een persoon (te weten [slachtoffer 2]), opzettelijk en met voorbedachten rade althans opzettelijk, zwaar lichamelijk letsel (te weten: een gebroken linkerbovenbeen), heeft toegebracht, door deze opzettelijk, na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk met een pistool althans een vuurwapen, 2 kogels in haar benen (1

schotwond in het linkerbeen en 1 schotwond in het rechterbeen) te schieten;

onder 2 meer subsidiair

hij op of omstreeks 20 juni 2007 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm en rustig overleg met een pistool, althans een vuurwapen, twee kogels in haar benen (1 schotwond in het linkerbeen en 1 schotwond in het rechterbeen) heeft geschoten;

onder 3

hij op of omstreeks 20 juni 2007 te Amsterdam een of meer wapens van categorie II en/of III, te weten 2 pistolen, (te weten, één pistool, merk Browning, kaliber 7.65 en/of één pistool merk Zavasta M57, kaliber 7,62mm) en/of munitie (te weten 42 patronen, merk Geco TL, kaliber 7,65 en/of één patroon, merk S&B kaliber 7,62) van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de eerste rechter.

Het bewijs

Standpunten van het openbaar ministerie

Door de advocaat-generaal is gevorderd dat het hof de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren. Volgens dit standpunt zou de verdachte zich schuldig hebben gemaakt aan een poging tot moord op zijn echtgenote [slachtoffer 1] (hierna te noemen [slachtoffer 1]) en een poging tot moord op [slachtoffer 2] (hierna te noemen [slachtoffer 2]).

Hij heeft ten aanzien van het bewijs van de ten laste gelegde voorbedachten rade gewezen op onder meer de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [getuige] (hierna te noemen [getuige]) en voorts op de inhoud van een in de woning van de verdachte aangetroffen en door deze geschreven brief. Wat het opzet betreft heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de gedragingen van de verdachte minst genomen het voorwaardelijk opzet op het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] insluiten, nu de verdachte als ongeoefende schutter, terwijl hij bovendien onbekend was met de werking van het door hem gehanteerde pistool, meermalen in de richting van twee personen heeft geschoten en deze personen in de benen heeft geraakt, maar hij deze personen ook op andere plaatsen in het lichaam had kunnen raken en hij dit risico voor lief heeft genomen.

Standpunten van de verdediging

Door de raadsvrouw is betoogd dat de verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld en er bij hem evenmin opzet heeft voorgezeten op het doden van zijn echtgenote [slachtoffer 1] en haar nicht [slachtoffer 2]. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat aannemelijk is geworden dat kort voordat hij de kogels heeft afgevuurd de verdachte heeft gehoord dat [slachtoffer 1] een telefoongesprek heeft gevoerd met een ander, volgens zijn vermoeden met haar minnaar, waarna hij in woede is ontstoken. Tijdens een vervolgens onstane ruzie is de verdachte zeer geëmotioneerd geraakt en op het moment dat de keukendeur door een van zijn kinderen werd geopend, is hij in paniek geraakt, heeft hij zijn pistool getrokken en heeft daarmee vervolgens geschoten, gericht op de benen van de beide vrouwen. Kortom, de verdachte bevond zich in een zodanige gemoedstoestand dat gelet op die toestand niet gesproken kan worden van kalm beraad en rustig overleg. De raadsvrouw is voorts van mening dat de verdachte gericht heeft geschoten op de benen van de slachtoffers en daaruit geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, kan worden afgeleid op het doden van de slachtoffers.

Vaststaande feiten

Op 20 juni 2007 bevond de verdachte zich in de gezamenlijke woning aan de [adres] te Amsterdam.1 De verdachte droeg een vuurwapen in zijn broeksband.2 Hij is rond 19.55 uur de keuken binnen gegaan waarin zich zijn echtgenote [slachtoffer 1] en ook [slachtoffer 2] bevonden.3 De verdachte heeft op zeker moment het pistool doorgeladen, heeft het pistool gericht op de benen van [slachtoffer 1] en heeft een of meer kogels afgevuurd.4 Vervolgens heeft hij met dat pistool kogels afgevuurd in de richting van de benen van [slachtoffer 2].5 Tenslotte heeft hij nogmaals met het pistool kogels afgevuurd in de richting van de benen van [slachtoffer 1].6 Tijdens het schieten zijn beide vrouwen op de grond gevallen. Vervolgens heeft de verdachte het huis verlaten.

De verdachte had die dag bij zijn woning een tweetal vuurwapens en munitie bij zich.7 Eén vuurwapen droeg de verdachte bij zich en de ander lag altijd in de bagageruimte van zijn auto.8 Nadat de verdachte het huis verliet, heeft hij de wapens en de munitie in de auto gelegd waarmee hij vervolgens naar België is gereden en hij heeft de auto aldaar geparkeerd.

Op aanwijzing van de verdachte is zijn auto in België teruggevonden en in de auto zijn diens pistolen en munitie aangetroffen en inbeslaggenomen.9 Naar aanleiding van het onderzoek aan de inbeslaggenomen vuurwapens heeft de onderzoekende verbalisant geconstateerd dat het ene vuurwapen een pistool is dat valt onder de categorie III van artikel 2 van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM).10 Het andere vuurwapen is eveneens een pistool met de ingeslagen tekst: “7.62mm M57”, dat valt onder de categorie III van artikel 2 van de WWM.11 De munitie is onderzocht en dit betrof 42 patronen getypeerd: “Geco TL 7.65”12 en één patroon, kaliber 7.62mm getypeerd “S&B”.13

Uit de medische rapportage blijkt dat [slachtoffer 1] vier schotwonden in haar benen heeft opgelopen.14 Zij heeft haar linkeronderbeen gebroken en zenuwuitval in haar rechterbeen is vastgesteld.15 Bij [slachtoffer 2] is geconstateerd dat zij in haar linkerbovenbeen een in- en een uitschotwond heeft waarbij een fractuur van dat been is waargenomen.16 Voorts is in haar rechterbovenbeen een in- en uitschotwond geconstateerd.17

Overweging ten aanzien van het opzet

De verdachte heeft verklaard dat hij geen bedoeling heeft gehad om [slachtoffer 1] te doden.18 Zijn bedoeling is geweest om haar in de benen te schieten en hij heeft het wapen zoveel mogelijk naar beneden gericht en niet op een andere plek dan op haar benen gericht.19 Hij heeft haar met het schieten op haar benen willen zeggen dat zij hem nu genoeg pijn had gedaan.20 De reden om op zijn vrouw te schieten is geweest om haar pijn te doen.21

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte het wapen op haar benen heeft gericht. Uit de verklaringen van de slachtoffers en uit de medische rapportages blijkt ook dat beide slachtoffers uitsluitend in hun benen en niet (ook) elders in hun lichaam zijn getroffen. Het hof trekt hieruit de conclusie dat de opzet van de verdachte gericht is geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door het schieten op de benen van [slachtoffer 1] en niet op haar dood. Nu dit opzet zich ook heeft verwezenlijkt, kan behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, niet blijken dat de verdachte niettemin willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de slachtoffers dodelijk zouden worden getroffen. De door de advocaat-generaal naar voren gebrachte aspecten van het als schutter ongeoefend zijn en van het ontbreken van schietervaring met het door de verdachte gehanteerde pistool doen aan dit oordeel niet af.

Overweging ten aanzien van de voorbedachten rade

Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de verdachte verklaard dat hij op [slachtoffer 1] heeft geschoten omdat zij hem genoeg pijn had gedaan en omdat hij haar pijn wilde doen. Van belang is voorts, dat de gedachte om [slachtoffer 1] iets aan te doen reeds eerder bij de verdachte aanwezig was. Zo heeft hij een brief geschreven waaruit opgemaakt kan worden dat hij met de gedachten speelde om zichzelf, zijn vrouw en zijn kinderen om te brengen.22 Hij heeft hierover ook meermalen met zijn neef [getuige] gesproken.23 Tegen [getuige] heeft de verdachte wel eens gezegd dat het misschien beter was om zichzelf, zijn vrouw en kinderen dood te maken.24 Hij gaf alleen toen ook aan [getuige] aan dat hij zijn kinderen niet dood kon maken omdat zij onschuldig zijn.25 [getuige] heeft voorts verklaard dat de verdachte in de gesprekken die zij samen voerden heeft gezegd dat hij [slachtoffer 1] wilde straffen voor het vreemdgaan.26 De verdachte wilde dat iedereen kon zien wat [slachtoffer 1] hem had aangedaan.27

In het afgeluisterde en opgenomen telefoongesprek van 22 juni 2007, gevoerd tussen [getuige] en een persoon genaamd [naam] is door [getuige] gezegd dat de verdachte het toch heeft gedaan, terwijl ze (het hof begrijpt: [getuige] en de verdachte) er zo vaak over hadden gesproken. [getuige] vertelde voorts dat de verdachte speculeerde in zijn hoofd en hij elke dag een ander scenario had.28 De vorenweergegeven feiten en omstandigheden in samenhang bezien leiden tot de conclusie van het hof dat het schieten op [slachtoffer 1] niet in een opwelling heeft plaatsgevonden, maar past in een reeds geruime tijd bij de verdachte bestaand plan om [slachtoffer 1] iets aan te doen.

Ook de hiervoor vastgestelde gang van zaken die -voor zover hier van belang- erin heeft bestaan dat de verdachte reeds voordat hij met zijn schieten begon het geladen pistool droeg, de keuken is binnengegaan zonder een voor de hand liggende reden, en vervolgens -nadat hij dat pistool heeft doorgeladen- daarmee kogels heeft afgevuurd, draagt bij aan het bewijs dat het handelen van de verdachte niet heeft plaatsgevonden in een opwelling. Dat de verdachte zich toen en daar ook geconfronteerd wist met (heftige) emoties doet aan dit oordeel niet af.

Ook met betrekking tot [slachtoffer 2] is het hof van oordeel dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte gericht op haar benen heeft geschoten. Het hof is van oordeel dat nu de verdachte overeenkomstig zijn voornemen op [slachtoffer 1] heeft geschoten en hij vervolgens ook tweemaal gericht op de benen van [slachtoffer 2] heeft geschoten, niet kan worden gezegd dat de verdachte de op [slachtoffer 2] gerichte kogels in een opwelling heeft afgevuurd. Derhalve heeft de verdachte ook ten aanzien van zijn gedragingen jegens haar de gelegenheid gehad om over de betekenis en de gevolgen daarvan na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Overigens geldt ook op deze plaats hetgeen door het hof in dit arrest in de voorgaande alinea is overwogen aangaande de betekenis van de vastgestelde gang van zaken: het zonder dat daarvoor een voor de hand liggende reden aannemelijk is geworden bewapend binnengaan in de keuken en het vervolgens doorladen van dat wapen en afvuren van kogels.

Overweging ten aanzien van het letsel

Met betrekking tot het letsel overweegt het hof dat bij beide slachtoffers onder meer botbreuken zijn vastgesteld. Voor beiden geldt bovendien dat zij ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep, ruim anderhalf jaar na het tenlastegelegde feit, nog steeds niet volledig zijn genezen. Volgens de verklaring van de verdachte is [slachtoffer 1] ook thans nog met regelmaat aangewezen op het gebruik van een loopkruk, terwijl [slachtoffer 2] blijkens haar slachtofferverklaring van 4 september 2008 nog steeds (ernstige) pijnklachten heeft. Uit de geneeskundige verklaring van 21 september 2007 van [slachtoffer 1] blijkt dat de kogels operatief verwijderd dienden te worden waarbij één kogel deels in het bot is blijven zitten en later operatief verwijderd dient te worden.29 Zij is twee weken in het ziekenhuis opgenomen geweest en zij staat nog onder controle. De arts heeft vastgesteld dat pas na een half jaar zal blijken of de zenuwschade (deels) blijvend zal zijn.30 Als schatting van de duur van de genezing heeft de arts ‘jaren’ opgegeven.31 Uit de geneeskundige verklaring van 19 september 2007 van [slachtoffer 2] blijkt dat zij voor de breuk van haar linkerbeen geopereerd is en het bot gefixeerd diende te worden. Als gevolg hiervan heeft zij drie weken in het ziekenhuis verbleven.32 De arts heeft met betrekking tot het herstel vastgesteld dat zij mogelijk blijvende schade zal overhouden.33

Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande ook het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Vrijspraak

Uit al het vorenstaande volgt dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 2 primair is tenlastegelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaarde

Het hof acht, mede gelet op het vorenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde

hij op 20 juni 2007 te Amsterdam aan een persoon, te weten zijn echtgenote [slachtoffer 1], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linkeronderbeen en zenuwuitval in het rechterbeen, heeft toegebracht door haar opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg met een pistool vier kogels in haar benen te schieten;

ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde

hij op 20 juni 2007 te Amsterdam aan een persoon, te weten [slachtoffer 2], opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken linkerbovenbeen, heeft toegebracht door haar opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg met een pistool twee kogels in haar benen (één schot in het linkerbeen en één schot in het rechterbeen) te schieten;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

hij op 20 juni 2007 te Amsterdam wapens van categorie III, te weten één pistool kaliber 7.65 en één pistool 7.62mm M57, en munitie van categorie III, te weten 42 patronen Geco TL 7.65 en één patroon merk S&B kaliber 7.62, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 subsidiair, 2 subsidair en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde

zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade, begaan tegen zijn echtgenote;

ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde

zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade;

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair als poging doodslag, meermalen gepleegd, en het onder 3 tenlastegelegde veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft voorts een aantal inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen onttrokken aan het verkeer.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte en door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd dat dit overenkomstig de beslissingen van de rechtbank dient te worden afgedaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft meermalen op zijn echtgenote [slachtoffer 1] en haar nicht [slachtoffer 2] geschoten in de echtelijke woning. Hij heeft hen daarbij zwaar lichamelijk letsel toegebracht, ten gevolge waarvan zij veel pijn en lichamelijke beperkingen hebben ondervonden terwijl onzeker is of zij volledig zullen herstellen. De verdachte worden deze gevolgen van zijn gedragingen voor de slachtoffers zwaar aangerekend. Ook rekent het hof hem aan dat hij hen dit letsel welbewust en met voorbedachten rade heeft toegebracht en zich niet heeft laten weerhouden door de aanwezigheid van de kinderen van de slachtoffers in de woning.

Voorts is de rechtsorde door deze feiten ernstig geschokt en zijn in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid versterkt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur is voor feiten als de onderhavige passend en geboden.

Het hof heeft bij zijn overwegingen met betrekking tot de persoon van de verdachte de rapportages betrokken die betreffende de verdachte zijn opgemaakt, te weten:

- een voorlichtingsrapport van 7 maart 2008, opgemaakt door R. Petrona, reclasseringswerker;

- een Pro Justitia rapport van 5 november 2007, opgemaakt door H.A. Gerritsen, forensisch psychiater en

- een adviesrapport van 22 oktober 2008, opgemaakt door A. Petrona-Schmitz, reclasseringswerker.

De conclusie van het Pro-Justitiarapport is dat bij de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten weliswaar sprake was van een aanpassingsstoornis met angst, maar dat deze zijn gedragingen niet heeft beïnvloed. Het hof acht de verdachte, gelet op die conclusie en overeenkomstig het advies van de deskundige, volledig toerekeningsvatbaar.

Uit de inhoud van deze rapporten en hetgeen is verhandeld ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof voorts af dat het voorval op 28 januari 2007, waarbij de verdachte in de echtelijke woning onverhoeds werd aangevallen door een ontklede man die zich in gezelschap van zijn echtgenote in die woning bevond, van grote invloed is geweest op het verloop van zijn gemoedstoestand sedertdien en bij hem klachten van angst, onrust en gespannenheid hebben doen ontstaan. De verdachte is daardoor, zeker in het licht van hetgeen is gebleken omtrent zijn culturele achtergrond, in een complexe en stressvolle situatie terechtgekomen waarvoor hij weliswaar aanvankelijk deskundige hulp heeft gezocht maar waarin hij uiteindelijk tot de bewezenverklaarde feiten is gekomen.

Het hof is van oordeel dat deze achtergrond in enige mate kan verklaren waarom de verdachte tot zijn door het hof bewezen geachte gedragingen is gekomen. Gelet op de ernst van die gedragingen en de gevolgen daarvan, en voorts gelet op het belang van normmarkering door berechting en bestraffing ligt in dit een en ander evenwel geen factor besloten die tot strafmatiging noopt.

Het hof heeft kennis genomen van een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 november 2008 niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. In die vaststelling kan bevestiging worden gevonden voor de juistheid van het door de raadsvrouw benadrukte incidentele karakter van de ten laste van de verdachte bewezen geachte feiten.

Het hof is alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstaf van na te melden duur passend en geboden is.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezengeachte met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 303 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 6.016,30 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft de vordering ten dele betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 5.461,30, bestaande uit EUR 461,30 ter vergoeding van de gevorderde materiële schade en EUR 5.000,- ter vergoeding van de gevorderde immateriële schade. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidair en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair, 2 subsidair en 3 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2007169138 1 1.00 STK Munitie S EN B 7.62x25 (huls) 3119629

- 2007169138 2 3.00 STK Munitie S EN B huls 3119631 7.62x25

- 2007169138 3 1.00 STK Wapen KOGEL kogel 3119635

- 2007169138 4 1.00 STK Wapen kogel 3119636

- 2007169138 5 7.00 STK Wapen kogel 3119638

- 2007169138 7 1.00 STK Munitie PATROON patroon 3116958

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2007169138 14 1.00 STK Zaktelefoon T-MOBILE 353052-01-001416-9 3117084/met simkaart t-mobile

- 20300156852 15 1.00 STK Pil TEMAZEPAMUM pillen 3117095 temazepamum 10 mg op naam van [verdachte]

- 20300156857 8 1.00 STK Bankpas PASNR. 029 bankpas 54 29 81 300 3117043/ op naam [verdachte]

- 20300156857 9 1.00 STK Bankpas PASNR. 641 bankpas 43 44 00 378 3117046 op naam [verdachte]

- 20300156857 10 1.00 STK Bankpas PASNR. 151 bankpas 51 80 86 919 3117048/ op naam [verdachte] [naam]

- 20300156857 11 1.00 STK Bankpas PASNR.038G491 bankpas 8996084 3117053, ten name [verdachte]

- 20300156857 12 1.00 STK Bankpas PASNR.328F738 bankpas 2129934 3117057/ten name van [naam]

- 20300156857 13 1.00 STK Textiel Kl:wit HANDDOEK handdoek 3117075

- 20300156857 16 7.00 STK Film foto 3117097

- 20300156857 17 1.00 STK Schriftelijke bescheiden SCHRIFT schrift 3117105 afscheidsbrief [verdachte]

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 5.461,30 (vijfduizend vierhonderdeenenzestig euro en dertig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 5.461,30 (vijfduizend vierhonderdeenenzestig euro en dertig cent), zulks ten behoeve van [slachtoffer 2].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 (tweeënzestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voor zover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. H.W.J. de Groot en mr. R.P.P. Hoekstra, in tegenwoordigheid van mr. B.R. Koenders, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 februari 2009.

1 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-1 van 21 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], dossierpagina 68.

2 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-19 van 2 augustus 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 116, onderaan.

3 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-1 van 21 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], dossierpagina's 67-68.

4 Verklaring verdachte ttz in hoger beroep 11 februari 2009.

5 Een proces-verbaal met nummer 2007169138 van 25 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2], dossierpagina 75.

6 Een proces-verbaal met nummer 2007169138 van 25 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2], dossierpagina 75.

7 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2009.

8 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-19 van 2 augustus 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 117, 3e alinea.

9 Proces-verbaal van 23 januari 2008 met nummer 2007169138-1, pagina’s 222-224; Proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-31, pagina 237; proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-30, pagina 252; proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-28, pagina 240 en proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-29, pagina 243.

10 Proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-1, pagina 225.

11 Proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-1, pagina 230.

12 Proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-1, pagina 226.

13 Proces-verbaal van 4 januari 2008 met nummer 2007169138-1, pagina’s 230-231.

14 Een letselverklaring van 21 juni 2007 betreffende [slachtoffer 1], pagina 77.

15 Een letselverklaring van 21 juni 2007 betreffende [slachtoffer 1], pagina 77.

16 Een letselverklaring van 2 juli 2007 betreffende [slachtoffer 2], pagina 78.

17 Een letselverklaring van 2 juli 2007 betreffende [slachtoffer 2], pagina 78.

18 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-19 van 2 augustus 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 1], inhoudende de verklaring van de verdachte, dossierpagina 117, bovenaan.

19 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2009.

20 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 2009.

21 De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 maart 2008, pagina 5 onderaan.

22 Een geschrift, zijnde een brief, pagina’s 185-189.

23 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-12 van 27 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [getuige], dossierpagina 80.

24 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-12 van 27 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [getuige], dossierpagina 80, 2e alinea.

25 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-12 van 27 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [getuige], dossierpagina 80, 2e alinea.

26 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-12 van 27 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [getuige], dossierpagina 81, 3e alinea.

27 Een proces-verbaal met nummer 2007169138-12 van 27 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5], inhoudende de verklaring van [getuige], dossierpagina 81, 3e alinea.

28 Een geschrift, zijnde een uitwerking van een getapt telefoongesprek op 22 juni 2007 om 19.20 uur tussen [getuige] en [naam], pagina 123.

29 Een geneeskundige verklaring letselbeschrijving GGD Amsterdam t.a.v. [slachtoffer 1], pagina’s 196-197.

30 Een geneeskundige verklaring letselbeschrijving GGD Amsterdam t.a.v. [slachtoffer 1], pagina’s 196-197.

31 Een geneeskundige verklaring letselbeschrijving GGD Amsterdam t.a.v. [slachtoffer 1], pagina’s 196-197.

32 Een geneeskundige verklaring letselbeschrijving GGD Amsterdam t.a.v. [slachtoffer 2], pagina’s 198-199.

33 Een geneeskundige verklaring letselbeschrijving GGD Amsterdam t.a.v. [slachtoffer 2], pagina’s 198-199.