Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BI0194

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
06-04-2009
Zaaknummer
23-005836-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige. Veroordeling ter zake van diefstal en opzetheling. Verklaring van de verdachte dat hij de brommer op straat had gevonden met het sleuteltje erin is ongeloofwaardig en het kan niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat de brommer van diefstal afkomstig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005836-08

datum uitspraak: 29 januari 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 6 november 2008 in de strafzaak onder de parketnummers 13-450267-07 en

13-467279-06 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende op het adres [adres], [woonplaats].

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is blijkens mededeling van de verdachte op de terechtzitting niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 6 november 2008 en op de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ter zitting gevoerde verweren

Ten aanzien van feit 2

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte de beamer zonder kabels buiten op straat bij het oud vuil heeft gevonden en dat het derhalve een zaak betrof die aan niemand toebehoorde (res nullius), waarvan het de verdachte vrijstond zich deze toe te eigenen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt:

Uit de inhoud van het dossier blijkt dat op 25 maart 2007 rond 05:00 uur bij het sportcomplex van [bedrijf] te Amsterdam is ingebroken, waarbij een beamer, merk Sony Vpl-Px20 met serienummer[nummer] is weggenomen. Vervolgens is de verdachte op 26 maart 2007 om 23:40 uur te Diemen aangehouden ter zake van een ander strafbaar feit (het onder 3 tenlastegelegde feit), waarna op 27 maart 2007 rond 11:00 uur voornoemde beamer met serienummer [nummer] door de politie in de kelderbox van de woning van verdachte is aangetroffen. Bij zijn verhoor bij de politie op 28 maart 2007 (proces-verbaal nummer 2007082210-17) heeft de verdachte verklaard dat hij de bewuste beamer op de zondag ervoor - naar het hof begrijpt: op zondag 25 maart 2007 – rond 19:00 uur buiten op straat bij het afval in de buurt van zijn huis heeft gevonden.

In deze lezing van verdachte zou het zo moeten zijn dat de beamer na op 25 maart 2007 vroeg in de ochtend te zijn gestolen diezelfde dag reeds op straat bij het oud vuil is achtergelaten. Het hof acht verdachtes lezing over de gang van zaken volstrekt ongeloofwaardig.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Ten aanzien van feit 3

De raadsman heeft ook ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde bepleit dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte de brommer op straat heeft gevonden en daarmee alleen een rondje wilde rijden. Daarbij heeft de verdachte niet kunnen weten dat deze brommer van diefstal afkomstig was.

Het hof verwerpt dit verweer.

Uit het dossier blijkt dat de brommer waarop verdachte bij zijn aanhouding reeds gestolen was, dat het contactslot was verbroken en dat het framenummer op destructieve wijze was weggeslepen. Gelet hierop is de verklaring van der verdachte bij de politie op 27 maart 2007 (proces verbaal nummer 2007082210-11) dat hij de brommer op straat had gevonden met het sleuteltje erin ongeloofwaardig en kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat de brommer van diefstal afkomstig was.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair en onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 25 maart 2007 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een clubgebouw heeft weggenomen een beamer (merk Sony), toebehorende aan [bedrijf], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van een raam van voornoemd clubgebouw;

en

hij op 26 maart 2007 te Diemen een bromfiets heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving wist, dat het een door diefstal verkregen goed betrof.

Hetgeen onder 2 primair en onder 3 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 2 primair bewezenverklaarde:

diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

ten aanzien van het onder 3 primair bewezenverklaarde:

opzetheling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De kinderrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het hem tenlastegelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 2 weken met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht en heeft gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze niet ten uitvoer is gelegd, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Amsterdam d.d. 31 augustus 2006 in de zaak met parketnummer 13-467279-06, zijnde jeugddetentie voor de duur van 1 maand met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het hem onder 2 subsidiair en onder 3 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 1 week.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een inbraak in een sportcomplex, waarbij hij een beamer heeft weggenomen en de heling van een brommer. Door aldus te handelen heeft verdachte schade en overlast berokkend aan de benadeelden en voorts bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen.

Nu het hof anders dan de AG het onder 2 primair tenlastegelegde, diefstal met met braak, bewezen heeft verklaard, kan niet worden volstaan met de door de AG gevorderde straf.

Het hof heeft kennis genomen van een rapportage van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 20 augustus 2008.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 6 januari 2009 is verdachte eerder ter zake van vermogensdelicten veroordeeld.

Het hof heeft rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht nu de feiten zijn gepleegd in de periode van 25 maart 2007 tot en met 26 maart 2007 en verdachte laatstelijk op 28 november 2008 is veroordeeld door de kinderrechter.

Hoewel de verdachte ten tijde van het begaan van het hierboven bewezenverklaarde de leeftijd van zestien doch nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, vindt het hof grond in de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijkheid van verdachte, die inmiddels meerderjarig is geworden, om op de voet van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht de artikelen 77g tot en met 77gg van dat wetboek buiten toepassing te laten en recht te doen overeenkomstig de bepalingen van het meerderjarigenstrafrecht.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van het onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 31 augustus 2006, in de zaak met parketnummer 13-467279-06, waarbij verdachte ter zake van een door hem gepleegd strafbaar feit is veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van één maand met een proeftijd van twee jaar vóór het einde waarvan de verdachte zich niet behoorde schuldig te maken aan een nieuw strafbaar feit.

De vordering van het openbaar ministerie is toewijsbaar, nu uit de verdere inhoud van dit arrest blijkt dat verdachte zich voor het einde van de bovenvermelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Gelet op het feit dat verdachte inmiddels meerderjarig is, ziet het hof aanleiding om de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 1 maand met toepassing van artikel 77b Wetboek van Strafrecht om te zetten in een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 77b, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en onder 3 primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Amsterdam van 31 augustus 2006, met parketnummer

13-467279-06:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Dit arrest is gewezen door de zevende meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.G.W. Willems-Morsink, mr. M.E.A. Wildenburg en mr. H.S.G. Verhoeff, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Winkels, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2009.