Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH7876

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-03-2009
Datum publicatie
26-03-2009
Zaaknummer
200.022.492/01GDW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gerechtsdeurwaarder heeft een bedrag van € 700.000 onttrokken aan de kwaliteitsrekening. Als gevolg hiervan is een bewaringstekort ontstaan. Het niet aanzuiveren daarvan is de gerechtsdeurwaarder te verwijten. De maatregel van ontzetting uit het ambt is passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 24 maart 2009 in de zaak met zaaknummer 200.022.492/01 GDW van:

[X],

gerechtsdeurwaarder te [plaats],

APPELLANT,

t e g e n

BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

gevestigd te Utrecht,

GEÏNTIMEERDE,

gemachtigden: K. Faber RA,

A.C.J. Snoeren RA,

D. van der Veer RA.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Door appellant, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, is bij een op 13 januari 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, verder te noemen de kamer, van 16 december 2008, waarbij de klacht van geïntimeerde, verder te noemen klager, gegrond is verklaard onder oplegging aan de gerechtsdeurwaarder van de maatregel van ontzetting uit het ambt.

1.2 Van de zijde van klager is op 28 januari 2009 een verweerschrift met bijlagen ingekomen.

1.3 De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 12 maart 2009. De gerechtsdeurwaarder is verschenen heeft het woord gevoerd. Namens klager zijn K. Faber en A.C.J. Snoeren verschenen. Zij hebben het woord gevoerd, K. Faber aan de hand van een aan het hof overhandigde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3. De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat het hof ook van die feiten uitgaat.

4. Het standpunt van klager

Klager verwijt de gerechtsdeurwaarder dat deze in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 19 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw). De gerechtsdeurwaarder heeft een aan Essent Retail Energie B.V. (hierna: Essent) toekomend bedrag van € 550.000,-, dat hem in verband met zijn werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder was toevertrouwd, onttrokken aan een bijzondere rekening zoals bedoeld in voornoemd artikel (de zogenaamde kwaliteitsrekening) en het bedrag op een bank¬rekening in België gestort. Voorts verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat deze in strijd heeft gehandeld met artikel 19 lid 3 Gdw door het daardoor ontstane tekort van (ten minste) € 548.786,- niet terstond aan te vullen, ook niet nadat hij daartoe schriftelijk was gemaand door klager. Door het handelen van de gerechtsdeurwaarder kon een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht ten gunste van Essent niet ten uitvoer worden gelegd, aldus klager.

5. Het standpunt van de gerechtsdeurwaarder

5.1 De gerechtsdeurwaarder betwist de stellingen van klager en verweert zich als volgt.

5.2 De gerechtsdeurwaarder stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat hij het bedrag van € 550.000,- op verzoek van Essent heeft overgemaakt naar de Belgische rekening en dit bedrag, alsmede een in Nederland contant opgenomen bedrag van € 150.000,-, heeft overhandigd aan een zekere J. de Vries, die bevoegd was namens Essent te handelen. De gerechts¬deurwaarder stelt dat hij pas geruime tijd na die contante betaling van de voorzitter van de raad van bestuur van Essent een brief heeft ontvangen waarin deze de ontvangst van de betaling van € 700.000,- bevestigt. Een kopie van deze brief, gedateerd 9 december 2008, heeft de gerechts¬deurwaarder in hoger beroep in het geding gebracht.

5.3 Voorts voert de gerechtsdeurwaarder aan dat hij klager heeft verzocht om voor de procedure in hoger beroep bij hem op kantoor een nieuw onderzoek in te stellen, maar dat klager dit heeft geweigerd. Daarnaast klaagt de gerechtsdeurwaarder dat bij de mondelinge behandeling door de kamer de advocaat van Essent en een journalist aanwezig waren. Uit een en ander leidt de gerechtsdeurwaarder af dat er een hetze tegen hem wordt gevoerd die erop is gericht hem uit het ambt te ontzetten.

6. De beoordeling

6.1 Door de kamer is vastgesteld dat de gerechtsdeurwaarder op 23 september 2008 drie keer een bedrag van € 50.000,- heeft opgenomen van de kwaliteits¬rekening. Op 1 en 3 oktober heeft de gerechtsdeurwaarder een bedrag van totaal € 550.000,- contant opgenomen. Het totale bedrag van € 700.000,- is vervolgens gestort op een Belgische bankrekening. Door het onttrekken van een totaalbedrag van € 700.000,- aan diens kwaliteitsrekening heeft de gerechtsdeurwaarder een bewaringstekort op die rekening laten ontstaan. Dat hij dit tekort ondanks herhaalde verzoeken van klager niet heeft aangezuiverd is ontoelaatbaar. Bovendien heeft de gerechtsdeurwaarder door deze handel¬wijze de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter te Maastricht opzettelijk gefrustreerd.

Deze vaststellingen heeft de gerechtsdeurwaarder in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat daarom van die vaststellingen uit.

6.2 Als verklaring voor zijn handelen heeft de gerechtsdeurwaarder aangevoerd dat hij op enig moment is benaderd door voornoemde J. de Vries. Deze De Vries zou ervoor zorgen dat de bodemprocedure van Essent tegen Eussen zou worden beëindigd door betaling door de gerechtsdeurwaarder van het totaalbedrag van € 700.000,-. De gerechtsdeurwaarder stelt dat hij dit bedrag contant aan J. de Vries heeft overhandigd zonder enig bewijs van die betaling te ontvangen. Ter zitting heeft de gerechts¬deurwaarder verklaard dat hij zich ook realiseert dat het niet gebruikelijk is dergelijke bedragen contant te overhandigen, maar dat hij “van de zaak af wilde zijn” en dat hij ervan uit ging dat J. de Vries bevoegd was Essent te vertegenwoordigen, omdat deze hem een visitekaartje van Essent had getoond en op de hoogte was van de gerechtelijke procedure tussen Essent en de gerechtsdeurwaarder. Uit de in hoger beroep overgelegde brief van 9 december 2008 zou volgens de gerechtsdeurwaarder blijken dat Essent het geld heeft ontvangen en dat over en weer volledige kwijting is verleend.

6.3 Het hof ziet in deze verklaring geen aanleiding het oordeel van de kamer te vernietigen.

Ten aanzien van de door de gerechtsdeurwaarder overgelegde brief heeft klager erop gewezen dat Essent ontkent dat de brief van haar afkomstig is. Essent heeft in dat kader aangifte gedaan bij de officier van justitie te Roermond tegen de gerechtsdeurwaarder wegens valsheid in geschrifte. De advocaat van Essent heeft daarbij gewezen op een vijftal onderdelen in de brief en het briefpapier, waaruit zou blijken dat het om een vervalsing gaat. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder zelfs geen begin van een verklaring gegeven voor deze afwijkingen en voorts aangegeven de nadere identiteit van de door hem genoemde heer De Vries niet te kennen. Tegenover het door Essent kenbaar gemaakte standpunt en de jegens hem gedane aangifte wegens valsheid in geschrifte kan hij derhalve zelfs niet in beginsel aannemelijk maken dat de door hem aan de kwaliteitsrekening onttrokken gelden zijn aangewend op de wijze als door hem gesteld, zodat het hof aan de inhoud van de brief voorbijgaat. Om dezelfde reden acht het hof het niet onbegrijpelijk dat klager niet is ingegaan op de uitnodiging van de gerechtsdeurwaarder om naar aanleiding van de door hem overgelegde brief van Essent van 18 december 2008 nader onderzoek op zijn kantoor te komen verrichten. Klager heeft overigens wel de gerechtsdeurwaarder in de gelegenheid gesteld om op het kantoor van klager zijn standpunt alsnog nader te onderbouwen, van welke mogelijkheid de gerechtsdeurwaarder geen gebruik heeft gemaakt.

6.4 Door onder de hiervoor beschreven omstandigheden een bedrag van € 700.000,- te onttrekken aan de kwaliteitsrekening, heeft de gerechts¬deurwaarder tuchtrechtelijk laakbaar gehandeld. Bovendien is, gelet op het voorgaande, het als gevolg van de onttrekking ontstane bewaringstekort en het niet aanzuiveren daarvan aan de gerechtsdeurwaarder te verwijten. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de klacht tegen de gerechtsdeurwaarder op alle punten gegrond is.

6.5 De klachten van de gerechtsdeurwaarder betreffende de aanwezigheid van een advocaat van Essent en een journalist ter mondelinge behandeling door de kamer, doen – wat er verder van zij – aan deze gevolgtrekking niet af.

6.6 Naar het oordeel van het hof zijn de geconstateerde onzorgvuldigheden dusdanig ernstig dat de maatregel van ontzetting uit het ambt passend en geboden is.

6.7 Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing blijven.

6.8 Het hiervoor overwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, L. Verheij en L.J. Saarloos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 24 maart 2009 door de rolraadsheer.

Kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam

Beslissing van 16 december 2008 als bedoeld in artikel 43 van de Gerechtsdeurwaarderwet in klacht met zaaknummer 487.2008 van:

HET BUREAU FINANCIEEL TOEZICHT,

gevestigd te Utrecht,

klaagster,

gemachtigde K. Faber,

tegen:

[X ],

gerechtsdeurwaarder te [ plaats ],

beklaagde.

Verloop van de procedure

Bij brief van 27 oktober 2008 heeft het BFT een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder, tevens houdende een verzoek om de gerechtsdeurwaarder in afwachting van een beslissing daarop te schorsen.

Het schorsingsverzoek is behandeld ter zitting van 4 november 2008, alwaar de gemachtigde van het BFT is verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

Bij beslissing van 4 november 2008 is op het verzoek tot toepassing van art. 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet beslist en is een datum voor de behandeling van de klacht bepaald.

De klacht is behandeld ter zitting van 2 december 2008, alwaar de gerechtsdeurwaarder en de gemachtigde van het BFT zijn verschenen.

Van de behandeling ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De uitspraak is bepaald op 16 december 2008.

1. De feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten en omstandigheden.

a) Het BFT heeft een onderzoek ingesteld bij de gerechtsdeurwaarder en geconstateerd dat er een bewaringstekort is ontstaan van € 548.786,00. Bij brief van 15 oktober 2008 heeft het BFT de gerechtsdeurwaarder verzocht de door hem op een bankrekening in [ ] gestorte gelden uiterlijk op 17 oktober 2008 op een Nederlandse kwaliteitsrekening terug te storten.

b) Aan voormeld verzoek heeft de gerechtsdeurwaarder niet voldaan, op grond waarvan het BFT bij brief van 27 oktober 2008 met toepassing van de artikelen 30 lid 1 en 31 lid 2 van de Gerechtsdeurwaarderswet een klacht in de vorm van een bevinding heeft ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder en tevens heeft verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 38 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet.

c) Bij beslissing van 4 november 2008 heeft de Kamer de gerechtsdeurwaarder in afwachting van de behandeling van de klacht geschorst tot 13 januari 2009. De behandeling van de klacht is bepaald op 2 december 2008.

d) Tussen [ ] en de gerechtsdeurwaarder en zijn besloten vennootschap zijn drie kortgeding procedures gevoerd waarvan twee voor de voorzieningenrechter te [ ]. Tegen de door de voorzieningrechter te [ ] gewezen vonnissen heeft de gerechtsdeurwaarder hoger beroep ingesteld. In beide gevallen is nog geen eindarrest gewezen. Bij de rechtbank te [ ] hebben zowel [ ] als de gerechtsdeurwaarder een bodemprocedure aanhangig gemaakt.

e) Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 19 september 2008 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank [ ] ten laste van de gerechtsdeurwaarder en zijn besloten vennootschap in reconventie onder meer de volgende veroordeling uitgesproken:

"

1) verstaat dat op de vorderingen onder I en VI niet meer behoeft te worden beslist;

2) veroordeelt de heer [ ] om binnen tien werkdagen na betekening van dit vonnis, al die handelingen te verrichten die nodig zijn om het ertoe te leiden dat het aan [ ] toekomende aandeel in het saldo op de derdenrekeningen van de heer [ ] wordt overgemaakt op een door [ ] aan te wijzen bankrekening, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat hij niet (geheel) aan deze veroordeling heeft voldaan, met een maximum van € 75.000,-;

3) bepaalt, dat indien de heer [ ] niet of niet tijdig aan voornoemde veroordeling voldoet, dit vonnis ex artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats zal treden van een opdracht tot overmaking van het aandeel van [ ] in het saldo op de derdenrekeningen, aan de bank waar de derdenrekeningen van de heer [ ] wordt aangehouden;

4) veroordeelt [ ] c.s. om binnen tien werkdagen na betekening van dit vonnis, aan [ ] de gegevens bekend te maken van de derdenrekeningen waar het bedrag ad € 1.397.823 wordt aangehouden en ten laste waarvan [ ] reële executie kan uitoefenen conform r.o. 7.5 Vonnis I en het hiervoor onder 3) weergegeven, dit alles op straffe van een dwangsom van € 20.000,- per dag of dagdeel dat zij niet (geheel) aan deze veroordeling hebben voldaan, met een maximum van € 100.000,-;

5) veroordeelt [ ] cs.hoofdelijk om, wanneer zij niet aan de hiervoor onder 2) en 4) weergegeven veroordelingen hebben voldaan –dus eerst na verloop van tien werkdagen na betekening van dit vonnis- binnen twintig werkdagen na betekening van dit vonnis, zonder enige vorm van verrekening, het bedrag ad € 1.397.823,- aan [ ] te betalen".

f) In het vonnis van 19 september 2008 heeft de voorzieningenrechter kort gezegd onder meer het volgende overwogen: "(…..) Uit de hiervoor omschreven feiten blijkt dat [ ] B.V. met medewerking van de heer [ ] de naleving van het Vonnis I en II feitelijk heeft gefrustreerd en de gelden van de derdenrekening in strijd met artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet en artikel 7.1 van de overeenkomst aan deze rekening heeft onttrokken.(…..). De heer [ ] heeft opzettelijk een ondeugdelijke vordering (diens vermeende schadevordering) verrekend met het bedrag van € 1.397.823,-. Deze verrekening was niet geoorloofd. Hierdoor is een saldotekort op de derdenrekening(en) ontstaan. De heer [ ] had dit tekort moeten aanvullen volgens artikel 19 lid 3 Gerechtsdeurwaarderswet, hetgeen hij heeft nagelaten. De heer [ ] heeft onrechtmatig gehandeld, waardoor [ ] schade heeft geleden omdat zij, als rechtstreeks gevolg van de handeling en van de heer [ ], haar vordering tot afgifte van € 1.397.823,- op [ ] B.V. niet kan afdwingen/verhalen. De heer [ ] heeft ook onrechtmatig gehandeld jegens [ ] door als bestuurder van [ ] B.V. de niet nakoming van de door hem aangegane overeenkomst te bewerkstelligen. In strijd met wettelijke en contractuele bepalingen houdt [ ] B.V. niet het aan [ ] toekomende bedrag ad € 1.397.823,- op een voor ([ ] kenbare) derdengeldrekening."

g) Bij brief van 28 november 2008 heeft het BFT een rapportage overgelegd van een op 20 november 2008 bij de gerechtsdeurwaarder ingesteld vervolgonderzoek. De gerechtsdeurwaarder en zijn waarnemend gerechtsdeurwaarder [ ] waren bij dat onderzoek aanwezig. De rapportage is door het BFT in concept aan de gerechtsdeurwaarder voorgelegd. De gerechtsdeurwaarder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hem door het BFT is geboden eventuele opmerkingen bij de rapportage te geven.

2. De klacht

2.1 Het BFT heeft samengevat aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder, in strijd met artikel 19 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet gelden die aan hem zijn toevertrouwd aan de bijzondere rekeningen heeft onttrokken en vervolgens op een (niet als kwaliteitsrekening gekenmerkte) bankrekening in [ ] heeft gestort. Het betreft hier een bedrag ad € 550.000. De gerechtsdeurwaarder heeft, in strijd met artikel 19 lid 3 van de gerechtsdeurwaarderswet, het daardoor ontstane tekort, voor zover bij het BFT bekend, van (tenminste) € 548.000 niet direct aangezuiverd en heeft het tekort ook niet aangezuiverd na daartoe schriftelijk te zijn gemaand. De overboeking van de gelden naar [ ] frustreert de ten uitvoerlegging van een op 19 september 2008 door de rechtbank te [ ] in kort geding gewezen vonnis, enerzijds doordat gelden ten onrechte aan de kwaliteitsrekeningen(en) zijn onttrokken, en, anderzijds door de gelden naar het buitenland (i.c. [ ]) over te boeken, waarmee gelden buiten het bereik van belanghebbenden zijn gebracht.

2.2 In de aanvullende rapportage van 28 november 2008 heeft het BFT onder meer aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder een berekening van de bewaringspositie per 19 november 2008 aan het BFT heeft overgelegd inhoudende een positieve bewaringspositie van € 4.812,00. Dit bedrag is berekend als volgt. Een bewaarplicht gelden verschuldigd aan opdrachtgevers € 156.340,00 en gelden op de kwaliteitsrekeningen € 161.152,00.

Naar de mening van het BFT ontbreekt in de berekening een schuld aan [ ] van ongeveer € 670.000,00 die in voorgaande opgaven wel is vermeld. De gerechtsdeurwaarder heeft aangegeven dat naar zijn mening een contante betaling aan de heer [ ] dient te worden gezien als betaling voor die schuld. Het BFT stelt dat die betaling niet met enig bewijs is onderbouwd. Zonder nader bewijs kan die betaling niet worden aangemerkt ter voldoening van een (deel van de) schuld aan [ ]. Naar de mening van het BFT was op 19 november 2008 daarom sprake van een negatieve bewaringspositie van € 665.188,00. Het BFT heeft er bij de gerechtsdeurwaarder op aangedrongen de negatieve bewaringspositie terstond aan te vullen.

3. Het verweer van de gerechtsdeurwaarder

De gerechtsdeurwaarder heeft geen verweerschrift ingediend tegen de klacht noch de klacht op andere wijze bestreden. Ter zitting heeft de gerechtsdeurwaarder slechts aangevoerd dat hij geen enkele verklaring wenst af te leggen om zijn positie in de bij de rechtbank te [ ] aanhangige bodemprocedures niet te schaden.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1 Uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht is dat een gerechtsdeurwaarder overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet –samengevat- wordt verplicht één of meer kwaliteitsrekeningen aan te houden die uitsluitend bestemd zijn voor gelden die hij in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden onder zich heeft. Gelden die aan de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden als zodanig ten behoeve van derden worden toevertrouwd, moeten op die rekening worden gestort. Ten laste van die rekening mag hij slechts betalingen doen in opdracht van een rechthebbende. De gerechtsdeurwaarder is verplicht een tekort in het saldo van de bijzondere rekening terstond, daarom onmiddellijk (toevoeging Kamer), aan te vullen, tenzij hij aannemelijk kan maken dat hem terzake van het tekort geen verwijt kan worden gemaakt. Blijkens de memorie van toelichting strekt het bepaalde in voormeld artikel er toe derden, voor wie de gerechtsdeurwaarder in verband met zijn werkzaamheden tijdelijk gelden onder zich neemt, te beschermen tegen déconfitures, fraude daaronder begrepen.

4.2 De gerechtsdeurwaarder heeft de klacht inhoudelijk op geen enkele wijze bestreden. Vast staat dat de gerechtsdeurwaarder op 23 september 2008 drie keer een bedrag van € 50.000,00 heeft opgenomen van een kwaliteitsrekening bij de [ ]. Vast staat ook dat de gerechtsdeurwaarder op 1 en 3 oktober 2008 een bedrag van in totaal € 550.000,00 contant heeft opgenomen bij de [ ] in [ ] en dat bedrag heeft overgeboekt naar een privé-rekening in [ ]. Op geen enkele wijze is gebleken dat hij die betalingen heeft verricht in opdracht van een rechthebbende.

4.3 Ter zitting van 4 november 2008 heeft het BFT verklaard dat de gerechtsdeurwaarder het BFT bij het onderzoek heeft medegedeeld dat hij het geld uit handen van Nederlandse banken wilde houden in verband met het tegen de gerechtsdeurwaarder in kortgeding gewezen vonnis. De gerechtsdeurwaarder heeft het BFT verklaard dat hij bevreesd was dat [ ] met het vonnis in de hand het geld van de bank zou halen. Deze verklaring is door de gerechtsdeurwaarder niet weersproken, hoewel hij daartoe vanaf het moment dat hem de uitspraak en het proces-verbaal van de zittting van 4 november 2008 zijn toegezonden de gelegenheid had.

4.4 Hiermee staat vast dat de gerechtsdeurwaarder de tenuitvoerlegging van het door de voorzieningenrechter te [ ] gewezen vonnis opzettelijk heeft gefrustreerd. Hoewel het een voorlopig oordeel betreft, dient de Kamer van dat vonnis uit te gaan. Dat is op zich al dermate in strijd met de tuchtrechtelijke norm als vastgelegd in artikel 34 van de Gerechtsdeurwaarderswet dat de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk in ernstige mate laakbaar heeft gehandeld.

4.5 In nadere rapportage van het BFT van 28 november 2008 staat vermeld dat de gerechtsdeurwaarder volgens eigen zeggen het bedrag van € 700.000,00 contant heeft overhandigd aan een zekere heer [ ]. Deze zou werkzaam zijn bij [ ] en zou ervoor kunnen zorgen dat de gerechtelijke procedure tussen de gerechtsdeurwaarder en [ ] zou worden beëindigd. Het vertrouwen dat de heer [ ] daadwerkelijk bij [ ] werkzaam was, heeft de gerechtsdeurwaarder ontleend aan het feit dat de heer [ ] goed op de hoogte was van de diverse procedures die tussen de gerechtsdeurwaarder en [ ] aanhangig waren. De gerechtsdeurwaarder heeft verklaard geen verdere persoonlijke gegevens betreffende de heer [ ] te kunnen verstrekken, en niet te hebben vastgesteld dat de heer [ ] bevoegd was [ ] te vertegenwoordigen. De heer [ ] heeft de gerechtsdeurwaarder een kwitantie toegezegd die de gerechtsdeurwaarder nog niet heeft ontvangen.

4.6 Naar het oordeel van de Kamer is het gegeven dat een de gerechtsdeurwaarder een aan een derde toekomend bedrag ad € 700.000,00 contant heeft overhandigd aan een persoon waarvan geen andere gegevens bekend zijn dan een naam, een ernstige schending van de tuchtrechtelijke norm. Zonder enige plausibele nadere verklaring en in strijd met het door de voorzieningenrechter gewezen vonnis is een bedrag van € 700.000,00 aan de derdengeldrekening(en) van de gerechtsdeurwaarder ontrokken. Ook staat vast dat daarmee een groot bewaringstekort is ontstaan dat niet terstond door de gerechtsdeurwaarder is aangezuiverd. Door de gerechtsdeurwaarder is niets aangevoerd op grond waarvan hem terzake van het ontstane tekort geen verwijt kan worden gemaakt.

4.7 Gelet op het bedrag dat nog verschuldigd is aan derden, anders dan [ ], is het risico naar het oordeel van de Kamer groot dat deze andere derden de aan hen toekomende gelden niet krijgen uitbetaald. Dit is ontoelaatbaar en aan deze situatie dient een einde te worden gemaakt.

5. Het voorgaande leidt ertoe dat de door het BFT ingediende klacht naar het oordeel van de Kamer gegrond dient te worden verklaard. De gerechtsdeurwaarder heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet en heeft niet voldaan aan de herhaalde verzoeken van het BFT het bewaringstekort aan te zuiveren. Ook heeft de gerechtsdeurwaarder, nadat de voorzieningenrechter zijn handelen als onrechtmatig heeft gekwalificeerd, opzettelijk de tenuitvoerlegging door het door de voorzieningenrechter gewezen vonnis gefrustreerd. Naar het oordeel van de Kamer is het handelen van de gerechtsdeurwaarder ontoelaatbaar en een zeer ernstige overtreding van de tuchtrechtelijke norm. Dergelijk onrechtmatig handelen is bovendien schadelijk voor het aanzien van de beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders als geheel. Onder deze omstandigheden is slechts één maatregel denkbaar om aan deze toestand een einde te maken, te weten ontzetting van de gerechtsdeurwaarder uit zijn ambt.

6. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

BESLISSING

De Kamer voor Gerechtsdeurwaarders:

?verklaart de klacht gegrond;

ontzet de gerechtsdeurwaarder uit zijn ambt, welke maatregel van kracht wordt nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden.

Aldus gegeven door mr. M.M. Beins, plaatsvervangend-voorzitter, mr. N.C.H. Blankevoort en J. Smit, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 december 2008 in tegenwoordigheid van de secretaris.

Coll.

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na dagtekening van verzending van het afschrift van de beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.