Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH6990

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-03-2009
Datum publicatie
25-03-2009
Zaaknummer
07/00180
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De door belanghebbende op de muur aangebrachte schildering is een openbare aankondiging. Tot 2003 is die nooit in de heffing van reclamebelasting betrokken ondanks een controle in 1997. Belanghebbende mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat de belastbaarheid van de muurschildering bij die controle is onderzocht. Als er na die controle wél aanslagen voor de vlakbij aangebrachte logo’s volgen, maar niet voor de muurschildering, mag belanghebbende aannemen dat de inspecteur de aanwezigheid van de muurschildering op haar fiscale merites heeft beoordeeld en tot onbelastbaarheid heeft geconcludeerd. Naheffingsaanslag wordt wegens strijd met het vertrouwensbeginsel vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/721 met annotatie van Redactie
V-N 2009/21.4 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0673
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Eerste Meervoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep – na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden – van

X B.V.,

gevestigd te Y, belanghebbende,

vertegenwoordigd door Z te Rotterdam, D

tegen een uitspraak van

de directeur Dienst Gemeentebelastingen Rotterdam,

de heffingsambtenaar.

1. Loop van het geding

1.1. Van belanghebbende is ter griffie van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage een beroepschrift ontvangen op 24 mei 2004. Het beroep is gericht tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar, gedagtekend 20 april 2004, op het door belanghebbende op 17 februari 2004 ingediende bezwaarschrift tegen een aan haar opgelegde aanslag in de reclamebelasting.

1.2. De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 31 januari 2004 over het jaar 2003 zes op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de reclamebelasting van de gemeente Rotterdam opgelegd ten bedrage van in totaal € 1.123,84. Op het bezwaar van belanghebbende tegen één van deze aanslagen heeft de heffingsambte¬naar bij de onder 1.1 vermelde uitspraak deze aanslag - ten bedrage van € 992,14 - gehandhaafd.

1.3. Op 22 juni 2005 heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage mondeling uitspraak gedaan, nr. BK-04/01531, waarbij – voor zover hier van belang – het beroep gegrond is verklaard, de bestreden uitspraak is vernietigd en de aanslag is verminderd met € 992,14

Op 9 september 2005 heeft genoemd gerechtshof de mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke.

1.4. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage op 8 juli 2005 beroep in cas¬satie ingesteld

Op 30 maart 2007 heeft de Hoge Raad der Nederlanden onder nr. 42.353 arrest gewe¬zen, waarbij het beroep gegrond is verklaard, de uitspraak van het Gerechtshof te ’s Gravenhage – behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht – is vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing met inachtneming van het arrest is verwe¬zen naar het Gerechtshof te Amsterdam.

1.5. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de hen door de griffier geboden gele¬genheid om een schriftelijke reactie op het arrest in te dienen.

1.6. Het beroep is behandeld ter zitting van 6 februari 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Voor de feiten verwijst het Hof naar hetgeen onder ‘4. Vaststaande feiten’ in de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 9 september 2005 is vermeld, voor zover dat hierna is ingelast.

“4.1. Belanghebbende exploiteert een bedrijf dat op het terrein van bliksembeveiliging en ontstoringstechniek opereert. Het verricht tevens inspectie- en adviesdiensten. Belanghebbende heeft de beschikking over een pand aan de […]straat 30 te Rotterdam. Dat pand is gesitueerd op het bedrijven/industrieterrein C te D, een deelgemeente van de gemeente Rotterdam (hierna: deelgemeente). Het bedrijventerrein grenst aan een vrij nieuwe woonwijk. Één zijkant van het pand bestaande voor een deel uit een betonnen muur van circa 6 bij circa 10 meter grenst direct aan een openbaar plantsoen.

4.2. Kort na de bouw, medio 1996, is vanwege de gemeente gestart met het stedelijk project "Schoon, Heel en Veilig" met als kerntaak het industrieterrein een facelift te geven. Door een ad hoc projectgroep van de gemeente Rotterdam werden destijds gesprekken gevoerd met de bedrijven op het bedrijventerrein C. Het was de bedoeling te komen tot onder andere een beter ogend bedrijvenpark, alsmede tot een omgeving waar mensen zich veiliger zouden voelen. Meer groenvoorzieningen en minder trucs langs de weg waren zoal aspecten die daartoe zouden moeten bijdragen.

4.3. Naar aanleiding van de gevoerde gesprekken is het idee ontstaan even bedoelde zijmuur van een muurschildering te laten voorzien.

Het idee om de grauwe zijgevel op te sieren met een kleurrijk kunstwerk werd door de deelgemeente dan ook zeer toegejuicht. De muurschildering was allereerst bedoeld als verfraaiing en had tevens de functie te voorkomen dat de desbetreffende muur zou worden gebruikt voor het aanbrengen van graffiti.

4.4. (…)

4.5. Aan belanghebbende is ter zake van de muurschildering een aanslag in de recla¬mebelasting voor het jaar 2003 opgelegd ten bedrage van € 992,14.”

2.2. Voorts stelt het Hof de volgende feiten vast:

2.2.1. Op de onderhavige zijgevel van haar bedrijfspand heeft belanghebbende, nadat eerst de muurschildering van circa 56,5 m2 was aangebracht, links naast de schildering een logo met de naam van het bedrijf (circa 1,50 m2) en de tekst ‘BLIKSEMBEVEILI¬GING ? ONTSTORINGSTECHNIEK’ (circa 2 m2) laten aanbrengen.

Hetzelfde logo en dezelfde tekst zijn tevens aan de voorzijde van belanghebbendes pand aangebracht.

Genoemde logo’s en teksten worden hierna gezamenlijk ook aangeduid met ‘de bedrijfsaanduiding’.

2.2.2. De muurschildering stelt een persoon voor die aan de oever van een rivier kijkt naar een onweersbui boven een aan de overzijde van het water gelegen grote stad; in de onweerslucht zijn bliksemschichten te zien.

2.2.3. Het aanbrengen van de muurschildering kostte ongeveer ƒ 11.500.

2.2.4. In een - naar het Hof veronderstelt - locale krant stond naar aanleiding van de publieke onthulling van de muurschildering het volgende bericht:

“Bliksem ‘slaat in’ bij bedrijf op C

D - “Het imago van D heeft een verfje nodig. En ik ben daarom blij dat dit bedrijf het initiatief heeft genomen om dit te doen”, aldus een tevreden E, dagelijks bestuurder van de deelgemeente E. De eerste stap ter ver¬fraaiing van het bedrijvenpark C in D is gezet. De onthulling van een enorme muurschildering bij [belanghebbende] […] van afgelopen zaterdag moet leiden tot een vervolg waaraan veel bedrijven gaan meedoen. De officiële handeling werd ver¬richt door E en directeur F van het beschilderde bedrijf. De aanleiding van de muurschildering was het onlangs gehouden onderzoek, waaruit bleek dat de C aan een opknapbeurt toe is. [Belanghebbende] is gespecialiseerd in bliksem¬beveiliging en ontstoringstechniek, hetgeen schitterend terug te zien is op de levensgrote muurschildering die gemaakt is door G, werkzaam bij een reklamebureau (…). “Wij hopen dat deze muurschildering een positieve uitstraling heeft voor de deel¬gemeente. Ook als bedrijf willen wij hiermee een stukje bekendheid geven aan C”, aldus een woordvoerder van [belanghebbende].”

2.2.5. Na het aanbrengen van de muurschildering en de bedrijfsaanduiding heeft (een medewerker van) de heffingsambtenaar omstreeks 1997 de situatie ter plekke opgeno¬men.

Vervolgens heeft de heffingsambtenaar belanghebbende voor het jaar 1997 - uitslui¬tend - aanslagen in de reclamebelasting opgelegd ter zake van de bedrijfsaanduiding.

Ook voor de jaren 1998 tot en met 2002 volgden - uitsluitend - aanslagen in de recla¬mebelasting ter zake van de bedrijfsaanduiding.

Voor het jaar 2002 leidde de bedrijfsaanduiding (2 logo’s en 2 teksten) tot aanslagen van in totaal € 108,03; voor 2003 tot aanslagen van in totaal € 114,14.

2.2.6. Zonder dat er iets met betrekking tot de muurschildering of de bedrijfsaandui¬ding is veranderd, heeft de heffingsambtenaar voor het jaar 2003 voor het eerst een afzonderlijke - aanslag in de reclamebelasting voor de muurschildering opgelegd.

2.2.7. Ten tijde van de mondelinge behandeling bevonden de muurschildering en de belendende bedrijfsaanduiding zich nog steeds op de zijgevel van belanghebbendes pand.

3. Het geschil na verwijzing

De Hoge Raad heeft omtrent het cassatieberoep overwogen:

“3.2. Artikel 2 van de Verordening reclamebelasting 2003 van de gemeente Rotterdam (hierna: de Verordening) luidt: 'Ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg wordt een belasting geheven onder de naam 'reclamebelasting'.'

3.3. Voor het Hof was in geschil of voor de heffing van de reclamebelasting van de gemeente Rotterdam de muurschildering moet worden aangemerkt als een openbare aan¬kondiging in de zin van de Verordening.

3.4. Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld dat onder de term 'openbare aankondigin¬gen' dient te worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de in geding zijnde muurschildering geen openbare aankondiging is. Het Hof heeft daartoe redengevend geacht dat het hier een unieke, artis¬tieke muurschildering betreft en voorts dat belanghebbende met het aanbrengen van de muurschildering enkel en alleen heeft beoogd haar bijdrage te leveren aan het veiliger en schoner maken van het industrieterrein in het kader van het stedelijk project 'Schoon, Heel en Veilig'. Ten slotte heeft het Hof overwogen dat aan zijn oordeel niet afdoet de omstan¬digheid dat de muurschildering het oog van het publiek trekt, zodanig dat naar alle waar¬schijnlijkheid ook de eveneens op de zijmuur aangebrachte teksten, welke terecht in de heffing van de reclamebelasting zijn betrokken, worden opgemerkt.

3.5. Het middel, dat zich keert tegen voormeld oordeel van het Hof, slaagt. Indien het Hof heeft bedoeld dat een unieke, artistieke muurschildering niet een tot het publiek gerichte mededeling kan zijn welke erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Dat zelfde is het geval indien het Hof heeft gemeend dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een tot het publiek gerichte mededeling welke erop is gericht de belangstel¬ling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd, geen betekenis toekomt aan een verband tussen de muurschildering waar het om gaat en andere reclame-uitingen van het bedrijf.

Indien het Hof heeft bedoeld te oordelen dat in het onderhavige geval de muurschildering niet erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aan¬gekondigd, behoefde zijn oordeel nadere motivering, welke echter in zijn uitspraak ont¬breekt. De enkele omstandigheid dat het oogmerk van belanghebbende een ander was dan het doen van een openbare aankondiging, kan dat oordeel niet dragen.

3.6. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.”

Na verwijzing moet derhalve opnieuw worden onderzocht of de muurschildering is aan te merken als een openbare aankondiging in de zin van de Verordening. Belang¬hebbende heeft voor het Gerechtshof te ’s-Gravenhage voorts een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Ook de gegrondheid van dit beroep dient na verwijzing nog te worden onderzocht.

4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het pro¬ces-verbaal van de zitting van 6 februari 2009.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Naar het oordeel van het Hof vormt de muurschildering, hoewel die uniek en ar¬tistiek is, in combinatie met de vlak daarnaast aangebrachte bedrijfsaanduiding een tot het publiek gerichte mededeling welke erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd. Daaraan doet niet af dat belang¬hebbendes oogmerk een ander was dan het doen van een openbare aankondiging. Der¬halve is de muurschildering een openbare aankondiging in de zin van de Verordening.

5.2. In haar bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ingediende beroepschrift heeft belanghebbende gesteld dat de muurschildering meer dan zes jaar niet in de heffing is betrokken, terwijl in de periode tussen 1997 en 2003 verscheidene ambtenaren ten behoeve van aanslagen in de reclamebelasting de situatie hebben beoordeeld.

Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat zij zich op het vertrouwensbeginsel beroept en wel in die zin dat zij stelt dat zij aan het uitblijven van aanslagen in de reclame¬belasting ter zake van de muurschildering, nadat de situatie ter plekke door of namens de heffingsambtenaar was beoordeeld, redelijkerwijs het vertrouwen kon ontlenen dat de muurschildering niet in de heffing van reclamebelasting zou worden betrokken.

Ter zitting van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft belanghebbende tevens gesteld: ‘Er is iemand van de gemeente langs geweest een aantal jaren geleden. […] Hij heeft het aantal m2 van de muurschildering opgenomen. Hij zei mij dat dit buiten de aanslag zou blijven’.

5.3. De heffingsambtenaar stelt in zijn verweerschrift dat er geen specifieke toetsing heeft plaatsgevonden, dat er geen toezeggingen met betrekking tot de onbelastbaarheid van de muurschildering zijn gedaan en dat de intensiteit van de controle vanaf 2003 is toegenomen, ‘waardoor er meer aankondigingen zijn geconstateerd’.

5.4. Met betrekking tot het vertrouwensbeginsel overweegt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof is het ondenkbaar - en de heffingsambtenaar heeft zulks ter zitting ook erkend - dat de (medewerker van de) heffingsambtenaar, toen hij omstreeks 1997 - in ieder geval na het aanbrengen van de muurschildering en de bedrijfsaanduiding - de situatie ter plaatse beoordeelde, de muurschildering niet heeft gezien.

Daaruit leidt het Hof af dat zo de heffingsambtenaar bij zijn waarneming ter plaatse omstreeks 1997 al niet het standpunt had ingenomen dat de muurschildering geen belastbaar object in de zin van de Verordening vormde, belanghebbende in ieder geval heeft mogen aannemen dat de heffingsambtenaar dat standpunt had ingenomen. Im¬mers, belanghebbende mocht er redelijkerwijs van uitgaan dat bij die controle de belastbaarheid van de op de muur aangebrachte objecten - waaronder de muurschilde¬ring - is onderzocht. Als er dan vervolgens wél aanslagen voor de in de onmiddellijke nabijheid van die muurschildering aangebrachte openbare aankondigingen volgen en niet voor de muurschildering zelf, terwijl die schildering - gelet op haar grootte - tot een ruim 16 keer hogere aanslag zou leiden dan de aanslagen ter zake van hetgeen overigens op die muur als openbare aankondiging is aangebracht, mag belangheb¬bende aannemen dat de heffingsambtenaar de aanwezigheid van de muurschildering op haar fiscale merites heeft beoordeeld (zie ook Hoge Raad 18 december 1991, nr. 27.127, BNB 1992/182).

Daaraan kan nog worden toegevoegd dat de onbelastbaarheid van de muurschildering niet dusdanig in strijd komt met een juiste toepassing van de Verordening dat belang¬hebbende de heffingsambtenaar niet aan zijn (impliciete) standpunt mocht houden.

5.5. Derhalve komt het Hof tot de slotsom dat de heffingsambtenaar gebonden is aan zijn (impliciete) standpuntbepaling dat de muurschildering niet in de heffing van de reclamebelasting zou worden betrokken. Het beroep is derhalve gegrond.

Gelet hierop laat het Hof de door de heffingsambtenaar bestreden stelling van belang¬hebbende, dat was toegezegd dat de muurschildering niet in de heffing zou worden betrokken, onbesproken.

6. Proceskosten

6.1. Nu het beroep gegrond is acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Alge¬mene wet bestuursrecht die belanghebbende in de procedure voor het Gerechtshof te ’s-Gravenhage en dit Hof heeft moeten maken. Als zodanig komen in aanmerking de verlet- en reiskosten van belanghebbende ter zake van het bijwonen van de zittingen bij beide hoven. De verletkosten stelt het Hof vast op (2 x 4 uur x € 53,09 =) € 424,72.

De reiskosten stelt het Hof vast op de geschatte kosten van het reizen tussen D en ’s Gravenhage en tussen D en Amsterdam, respectievelijk € 15 en € 35, dat is in totaal € 50.

6.2. Voor zover belanghebbende een kostenvergoeding verzoekt voor de reis- en ver¬letkosten van de ter bijstand naar het Hof meegekomen F, overweegt het Hof dat de kosten van ter bijstand met belanghebbende meegekomen personen - niet zijnde derden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen - op basis van het Besluit pro¬ceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking komen. Vaststaat dat F - de directeur van belanghebbende - geen professionele rechtsbijstand-ver¬lener is.

6.3. Overige kosten zijn niet gesteld of gebleken.

6.4. De in deze zaak te vergoeden proceskosten komen daarmee uit op (€ 424,72 + € 50 =) € 474,72, te verminderen met het bedrag van de reeds door het Gerechtshof te ’s Gravenhage uitgesproken kostenveroordeling van € 100, dat is per saldo € 374,72.

7. Beslissing

Het Hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak van de heffingsambtenaar,

- vernietigt de litigieuze aanslag in de reclamebelasting, en

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 374,72 en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet voldoen.

De uitspraak is vastgesteld op 6 maart 2009 door mrs. P.F. Goes, voorzitter van de belastingkamer, O.B. Onnes en W.M.G. Visser, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier.

De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cas¬satie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.