Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH5943

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-03-2009
Datum publicatie
18-03-2009
Zaaknummer
07/00742 en 00743
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift gesteld dat ten onrechte is afgeweken van de ingediende aangifte. Hierin ligt naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar een grond voor het maken van bezwaar tegen de aanslagen besloten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0641
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 07/00742 en 07/00743

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

[X], wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. drs. J. de Jong (Paerel Advies accountants & belastingadviseurs) te Amsterdam,

tegen de uitspraken in de zaken no. AWB 06/11956 en 06/11957 van de rechtbank Haarlem van 23 augustus 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam, de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 6 september 2002 aan belanghebbende voor het jaar 1998 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.320.289, en voor het jaar 1999 een aanslag vermogensbelasting (VB), berekend naar een vermogen van ƒ 4.373.000. Belanghebbende heeft tegen deze belastingaanslagen met dagtekening 16 oktober 2002 bezwaarschriften ingediend.

De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 9 oktober 2006 de bezwaarschriften niet ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) ingesteld.

Bij mondelinge uitspraken van 23 augustus 2007, waarvan processen-verbaal zijn verzonden op 28 augustus 2007, heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschriften van 2 oktober 2007, bij het Hof ingekomen op dezelfde datum.

De inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2008. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Van belanghebbende is op 21 juni 2000 een aangifte IB/PVV 1998 en VB 1999 bij de Belastingdienst ingekomen waarin een belastbaar inkomen van ƒ 320.289 en een vermogen van ƒ -/- 1.626.619 is aangegeven.

2.2. De inspecteur heeft met dagtekening 6 september 2002 in afwijking van de door belanghebbende ingediende aangifte een aanslag IB/PVV 1998 opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.320.289, en een aanslag VB 1999, berekend naar een vermogen van ƒ 4.373.000.

2.3. Belanghebbende heeft met dagtekening 16 oktober 2002 bezwaarschriften tegen voormelde belastingaanslagen ingediend, waarvan de inhoud als volgt luidt:

“Namens mijn cliënt, de heer [X], maak ik bezwaar tegen bovengenoemde aanslag.

De reden van dit bezwaar is, in eerste instantie, gelegen in het feit dat ten onrechte is afgeweken van de ingediende aangifte”.

2.4. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 9 oktober 2006 de bezwaarschriften niet ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een motivering, en dit als volgt toegelicht:

“Op 16 oktober 2002, dus tijdig, is pro forma bezwaar gemaakt.

Op 14 november 2002 is een ontvangstbevestiging verzonden waarbij uitdrukkelijk op het ontbreken van een motivering werd gewezen en waarbij de gelegenheid werd geboden om voor 12 december 2002 dat vormverzuim te herstellen. Daar is geen reactie op binnengekomen.

Op 22 september 2006 bent u nogmaals in de gelegenheid gesteld om binnen 2 weken alsnog dit vormverzuim te herstellen. Tot op heden heb ik geen reactie ontvangen.

Beslissing op het bezwaar

Ik verklaar het bezwaar niet ontvankelijk.

Beoordeling van het bezwaar

Indien een bezwaar niet voldoet aan de eisen in art. 6:5 AWB kan het bezwaar niet ontvankelijk worden verklaard.

De afwijking op de aangifte is in voldoende mate gemotiveerd. Het bezwaar was echter niet gemotiveerd. Er is ruimschoots gelegenheid geboden het verzuim te herstellen. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Dat betekent dat het bezwaar niet ontvankelijk is.

Ambtshalve toetsing heeft niet geleid tot wijziging van de aanslag”.

2.5. De rechtbank heeft met betrekking tot beide belastingaanslagen de door belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard en geoordeeld dat de inspecteur het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren. De rechtbank heeft hierover overwogen:

“Het bezwaar voldoet niet aan de eisen van artikel 6:5 Awb, en eiser is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Eisers stelling dat de zinsnede ‘De reden van dit bezwaar is in eerste instantie, gelegen in het feit dat ten onrechte is afgeweken van de ingediende aangifte’ reeds als toereikende grond van het bezwaar is aan te merken onderschrijft de rechtbank niet. Daaraan valt immers niet te ontlenen welke concrete bezwaren eiser heeft tegen de hem opgelegde aanslag of op welke argumenten hij zijn zienswijze stoelt. Ook valt eiser te verwijten dat hij heeft nagelaten te reageren op de uitnodigingen van verweerder de gronden van zijn bezwaar aan te vullen”.

2.6. In hoger beroep stelt belanghebbende onder verwijzing naar HR 5 oktober 2007, nr. 43.328, BNB 2007/327, dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De inspecteur stelt dat dit arrest niet van toepassing is in het onderhavige geval.

2.7. Het Hof komt tot een andere beoordeling dan de rechtbank. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, en artikel 6:6, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar bevat, respectievelijk dat het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien hieraan niet is voldaan.

Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschriften van 16 oktober 2002, door te stellen dat ten onrechte is afgeweken van de ingediende aangifte, tot uitdrukking gebracht dat hij met de inspecteur van mening verschilde over de juistheid van de correcties die de inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen had aangebracht. Hierin ligt naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar een grond voor het maken van bezwaar tegen de aanslagen besloten.

2.8. De slotsom is dat de bezwaarschriften ten onrechte door de inspecteur niet-ontvankelijk zijn verklaard en dat de hogere beroepen gegrond zijn. De uitspraken van de rechtbank dienen te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof de uitspraken van de inspecteur vernietigen, de bezwaarschriften van belanghebbende ontvankelijk verklaren, de behandeling van de zaken voor een inhoudelijke beoordeling terugwijzen naar de inspecteur en hem opdragen opnieuw op de bezwaarschriften uitspraak te doen.

Proceskosten

Belanghebbende heeft recht op vergoeding van de in beroep en hoger beroep geheven griffierechten en op vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Er is sprake van twee samenhangende zaken. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt die vergoeding gesteld op € 966 = 3 (beroepschrift, hogerberoepschrift, zitting voor het Hof) x € 322 x 1 (wegings-factor) x 1 (samenhangende zaken) voor rechtsbijstand.

3. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraken van de rechtbank;

- verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken van de inspecteur;

- verklaart de door belanghebbende tegen de in het geding zijnde belastingaanslagen gerichte

bezwaarschriften ontvankelijk;

- wijst de zaken ter verdere behandeling terug naar de inspecteur en draagt de inspecteur op om

opnieuw op de bezwaarschriften uitspraak te doen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 966

en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet voldoen; en

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van de

beroepen en de hogere beroepen betaalde griffierecht van (2 x € 38 + 2 x € 106 =) € 288.

Aldus vastgesteld door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en A.O. Lubbers, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier.

De beslissing is op 4 maart 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.