Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH5207

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-02-2009
Datum publicatie
09-03-2009
Zaaknummer
200.003.911/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afhandeling nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2009, 66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

Beslissing van 17 februari 2009 in de zaak onder zaaknummer 200.003.911/01 NOT van:

[X],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

gemachtigde: R. van den Heuvel,

t e g e n

MR. [Y],

notaris te [plaats],

GEÏNTIMEERDE.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Ter griffie van het hof alhier is op 27 maart 2008 ingekomen een verzoekschrift van appellante, verder te noemen klaagster, waarbij zij tijdig hoger beroep heeft ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Rotterdam, verder te noemen de kamer, van 28 februari 2008, waarbij de klacht van klaagster tegen geïntimeerde, verder te noemen de notaris, ongegrond is verklaard. Op 1 april 2008 is ter griffie van het hof een aanvulling op het verzoekschrift met bijlagen binnengekomen. Van de zijde van de notaris is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van het hof ingekomen op 23 april 2008.

1.2. Ter griffie van het hof is op 21 november 2008 nog een nader stuk ingekomen aan de zijde van klaagster en op 24 november 2008 een nader stuk aan de zijde van de notaris.

1.3. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 27 november 2008. Klaagster, haar gemachtigde en de notaris zijn verschenen en allen hebben het woord gevoerd.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie alsmede van de hiervoor genoemde stukken.

3. De feiten

3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld, met in achtneming van het navolgende.

3.2. De kamer heeft in de beslissing waarvan beroep in rubriek 3.3., 4.2., 4.3. en 5.2., als vaststaand feit aangenomen, dat mr. [Z] kandidaat-notaris is. Dit is gebleken onjuist te zijn. Voor het overige zal het hof van de door de kamer in eerste aanleg vastgestelde feiten uitgaan.

4. Het standpunt van klaagster

4.1. Klaagster verwijt de notaris dat hij geen voldoende voortvarendheid aan de dag heeft gelegd bij de afwikkeling van de nalatenschap van de oom van klaagster, de heer B.P. [X]. In die nalatenschap waren klaagster, haar broer, de heer A. [X] en haar neef, de heer R. [X], tot erfgenamen benoemd. Door de zaken op zijn beloop te laten heeft de neef van klaagster, eigenmachtig kunnen optreden in weerwil van de benoeming door erflater van de notaris tot executeur-testamentair. Klaagster is dan ook van mening dat doordat de notaris verzaakt heeft zich van zijn taak te kwijten de afwikkeling van de nalatenschap niet is geschied overeenkomstig de uiterste wilsbeschikking van erflater. Blijkens diens laatste testament wenste erflater gecremeerd te worden in plaats van te worden begraven.

4.2. Voorts wordt de notaris verweten dat hij zich partijdig heeft opgesteld en hem meer de belangen van de neef voor ogen stonden. Klaagster is naar haar mening buiten de verdeling van de inboedel gehouden. Het betrof hier zowel door haar persoonlijk in bruikleen gegeven goederen als andere zaken, waaronder een tv en videorecorder, welke door erflater aan klaagsters zoon zouden zijn toegedacht. Door nalatigheid van de notaris heeft de neef buiten klaagster om de woning kunnen ontruimen en de inboedel kunnen verdelen c.q. weggeven aan andere personen dan de erfgenamen. Volgens klaagster zouden in de woning ook nog oude munten en contant geld aanwezig moeten zijn geweest. Bij klaagster is het sterke vermoeden gerezen dat deze door haar neef zijn ontvreemd. Tenslotte wijst klaagster in verband met dit klachtonderdeel er op dat, evenals de notaris, ook mevrouw [Z] (juriste op het notariskantoor) haar vooringenomenheid in het bijzonder liet blijken door begrip te tonen voor het feit dat erflater uiteindelijk is begraven.Voorts is klaagster van mening dat mevrouw [Z],zich in het algemeen liet leiden door (de belangen van)haar neef.

4.3. Verder is de klaagster van mening dat zij door mevrouw [Z] tijdens een op 26 januari 2007 na kantoortijd gevoerd telefoongesprek onheus is bejegend.

5. Het standpunt van de notaris

5.1. De notaris verweert zich als volgt.

5.2. Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel heeft de notaris naar voren gebracht dat hij zich voor een voldongen feit gesteld zag, doordat de neef reeds een begrafenis had geregeld. Hierdoor was het voor hem niet meer mogelijk nog uitvoering te geven aan de wens van erflater te worden gecremeerd ,zoals opgenomen in de laatste wilsbeschikking van erflater. De neef heeft in de namiddag van 22 november 2006, daags na het overlijden van erflater, telefonisch contact gezocht met het notariskantoor; hierbij deelde hij mee dat blijkens een intern rapport van het verzorgingshuis de erflater aan een medewerkster van het verzorgingshuis kenbaar had gemaakt begraven te willen worden. De medewerkster van het notariskantoor heeft de neef toen meegedeeld dat volgens het laatst bij het kantoor bekende testament de notaris tot executeur was benoemd en de neef te verstaan gegeven dat hij contact met de notaris diende op te nemen alvorens over te gaan tot het regelen van de uitvaart. Eerst op 23 november 2006 heeft de notaris de bevestiging ontvangen van het CTR dat erflaters bekende testament diens laatste, niet herroepen testament was. Toen de notaris vervolgens bleek dat de teraardebestelling van erflater reeds op zaterdag 25 november 2006 zou plaatsvinden heeft de notaris gemeend de door de neef getroffen regelingen niet meer te moeten veranderen.

5.3. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel heeft de notaris betoogd dat hij wederom buitenspel gezet was bij de ontruiming van de woning op de maandag na de begrafenis, waartoe de neef opdracht had gegeven. Nadat mevrouw [Z] op 29 november 2006 tevergeefs telefonisch contact had opgenomen met het verzorgingshuis vernam zij eerst op 1 december 2006 dat de woning al ontruimd was. Hierna heeft zij de neef hierover ter verantwoording geroepen en hem gesommeerd alle administratie en/of andere zaken, die hij in bezit had van erflater, af te geven op kantoor. Diezelfde middag nog heeft de neef de administratie van erflater afgegeven, waarbij hij heeft medegedeeld dat alle roerende zaken reeds verdeeld dan wel weggegeven waren. De notaris wijst er op dat op 23 november 2006 aan de neef telefonisch was medegedeeld, dat vanaf 29 november 2006 de nalatenschap behandeld zou worden door mevrouw [Z].

5.4. Ten aanzien van het klachtonderdeel met betrekking tot de onheuse bejegening van klaagster door mevrouw [Z] op 26 januari 2007 stelt de notaris dat mevrouw [Z] klaagster op 31 januari 2007 een brief heeft geschreven, waarin zij schrijft het gevoerde telefoongesprek te betreuren en haar uitnodigt voor een persoonlijk gesprek op kantoor, al dan niet in aanwezigheid van de notaris. Klaagster heeft laten weten aan een dergelijk gesprek geen behoefte te hebben.

6. De beoordeling

6.1. In de op 1 april 2008 en 21 november 2008 door het hof van klaagster ontvangen stukken formuleert klaagster klachten met betrekking tot hetgeen is geschied na de behandeling van haar klacht door de kamer. Het hof kan echter geen kennis nemen van klachten die voor het eerst in hoger beroep naar voren worden gebracht en zal klaagster daarom in deze klachten niet ontvankelijk verklaren.

6.2. Ten aanzien van de klacht dat nalatigheid van de notaris ertoe heeft geleid dat de erflater niet is gecremeerd, maar begraven overweegt het hof dat niet is gebleken dat de notaris te weinig voortvarend is opgetreden en dat hem niet kan worden verweten dat hij onder de door hem geschetste omstandigheden heeft besloten de reeds getroffen regeling voor de begrafenis van erflater niet te veranderen.

Dit onderdeel van de klacht is ongegrond.

6.3. Ten aanzien van het niet voortvarend optreden van de notaris bij de afwikkeling van erflaters nalatenschap is het hof, anders dan de kamer, van oordeel dat dit onderdeel van klaagsters klacht gegrond is. Het notariskantoor was reeds op 22 november 2006 bekend met het overlijden van erflater op 21 november 2006. Een medewerker van het notariskantoor heeft pas op 29 november 2006 contact gezocht met het verzorgingshuis van erflater.Het hof is van oordeel dat de notaris op deze wijze niet adequaat heeft gehandeld. Het had op de weg van de notaris gelegen om direct na in kennis te zijn gesteld van het overlijden van erflater contact op te nemen met het verzorgingstehuis om zich kenbaar te maken als executeur en te verzoeken om afsluiting van de woning. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat kamers en woningen van verzorgingstehuizen over het algemeen zeer snel na overlijden moeten worden ontruimd. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de notaris ermee bekend was dat de neef de regeling van de begrafenis reeds aan zich had getrokken. Door niet voldoende voortvarend te handelen heeft de notaris de neef in staat gesteld eigenmachtig op te treden.

Dit klachtonderdeel is gegrond.

6.4. Ten aanzien van de door klaagster ervaren partijdigheid is het hof van oordeel dat door te handelen als hiervoor is overwogen bij klaagster de indruk kan zijn gewekt dat de notaris meer oog had voor de belangen van de neef dan die van klaagster. Het hof is echter niet van oordeel dat de notaris in dit verband verwijtbaar heeft gehandeld

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.5. Het hof is van oordeel dat het handelen en nalaten van mevrouw [Z] onder de tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van de notaris valt en wel op grond van het feit dat zij anders dan als kandidaat-notaris werkzaam is op het kantoor van de notaris. In het midden kan echter blijven of mevrouw [Z] klaagster tijdens het telefoongesprek van 26 januari 2006 onheus heeft bejegend: met de kamer is het hof van oordeel dat zij passend heeft gehandeld door klaagster schriftelijk te laten weten het gesprek te betreuren en voor een gesprek op kantoor, al dan niet in aanwezigheid van de notaris, uit te nodigen.

Dit klachtonderdeel is ongegrond.

6.6. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als in deze procedure niet ter zake dienend, buiten beschouwing blijven.

6.7. Het hof is van oordeel dat het gegrond verklaarde onderdeel van de klacht niet zodanig ernstig is dat aan de notaris terzake een maatregel zou moeten worden opgelegd.

6.8. Het vooroverwogene leidt mitsdien tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- verklaart klaagster niet ontvankelijk in haar voor het eerst in hoger beroep geformuleerde klachten;

- vernietigt de bestreden beslissing met uitzondering van de daarin vervatte vaststelling van de feiten en met in acht name van de aanvulling onder rubriek 3.2. en opnieuw rechtdoende;

- verklaart de klacht deels gegrond, zoals onder 6.3. overwogen, en voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat aan de notaris geen maatregel zal worden opgelegd.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, F.A.A. Duynstee en C.P. Boodt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 17 februari 2009.

Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam

Reg.nr. 22/07

Beslissing op een klacht als bedoeld in artikel 99 van de Wet op het notarisambt van:

[X],

wonende te [plaats],

klaagster,

- tegen -

mr. [Y],

notaris te [plaats],

hierna te noemen de notaris.

1. Het verloop van de procedure

1.1

De Kamer heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- klaagschrift d.d. 5 juni 2007;

- verweerschrift d.d. 23 juli 2007;

- brief van klaagster d.d. 14 september 2007.

1.2

De mondelinge behandeling van de klacht heeft plaatsgevonden tijdens de vergadering van de Kamer op 17 januari 2008. Daarbij zijn zowel klaagster, als de notaris verschenen. Partijen hebben hun standpunten tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht.

2. De feiten

De Kamer gaat uit van de navolgende feiten:

2.1

De oom van klaagster, de heer B.P. [X] (hierna: de oom) is op 21 november 2006 overleden. Op grond van de uiterste wilsbeschikking van de oom zijn klaagster, haar broer A. [X] en haar neef R. [X] (hierna: de neef) benoemd tot enig erfgenamen. De notaris is op grond van het testament benoemd tot executeur testamentair en tot uitvoerder van de crematie van de oom.

2.2

Op 25 november 2006 is de oom begraven te [plaats].

2.3

Op 27 november 2007 is de woning van de oom – in verzorgingshuis de Steenplaat – ontruimd.

3. De klacht

3.1

In essentie verwijt klaagster de notaris dat hij niet voldoende voortvarend heeft gehandeld met betrekking tot de afhandeling van de nalatenschap van de oom en haar neef zich daardoor vele vrijheden kon permitteren en aldus heeft de notaris zich partijdig opgesteld. Hieraan legt klaagster – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag;

3.2

Klaagster stelt dat haar oom is begraven in [plaats] terwijl hij in zijn testament had verklaard dat hij gecremeerd wenste te worden. Voorts is de woning van de oom door de neef ontruimd zonder dat klaagster hierbij aanwezig was, waarbij een televisie en videorecorder – die door de oom aan de zoon van klaagster waren beloofd – zijn weggeven aan een vrijwilliger. Daarnaast zijn door klaagster aan haar oom in bruikleen gegeven goederen verdwenen. Klaagster heeft dit op 30 november 2006 aan de notaris gemeld.

3.3

Voorts stelt klaagster dat zij tijdens een telefoongesprek van 26 januari 2007 met de kandidaat-notaris mr. [Z] (hierna: de kandidaat-notaris) door de kandidaat-notaris onheus is bejegend.

4. Standpunt van de notaris

4.1

De notaris stelt dat de neef pas op 22 november 2006 telefonisch contact heeft opgenomen met een medewerkster van de notaris. Tijdens dit telefoongesprek werd de medewerkster voor het voldongen feit gesteld dat de neef een begrafenis voor zijn oom geregeld had. Eerst op 23 november 2006 kon de notaris met zekerheid vaststellen wat de inhoud van de laatste wilsbeschikking van de oom was en dat de notaris executeur-testamentair was. Voorts heeft de neef aangegeven dat de oom op 18 november 2006 blijkens een intern rapport zorg en welzijn aan een verzorgster van het verzorgingstehuis te kennen heeft gegeven dat hij wenste te worden begraven.

4.2

Op 23 november 2006 heeft een medewerkster van de notaris de neef medegedeeld dat de notaris benoemd was tot executeur-testamentair en dat hij de nalatenschap verder zou afwikkelen. De kandidaat-notaris heeft op 29 november 2006 getracht in contact te komen met de neef en het verzorgingshuis. Eerst twee dagen later werd de kandidaat-notaris medegedeeld dat de woning van de oom – in opdracht van de neef – reeds was ontruimd. De notaris stelt dat hij en zijn medewerkers wederom voor een voldongen feit werden gesteld en dat een en ander hem dus niet kan worden aangerekend. Voorts is de neef door de kandidaat-notaris op 27 februari 2007 schriftelijk aangesproken op zijn gedrag na het overlijden van de oom en is hij gesommeerd de door klaagster in bruikleen gegeven goederen terug te geven.

4.3

Voorts stelt de notaris dat de kandidaat-notaris klaagster op 31 januari 2007 een brief heeft geschreven waarin zij meedeelt het telefoongesprek van 26 januari 2007 te betreuren en waarin zij klaagster uitnodigt voor een persoonlijk gesprek, al dan niet in aanwezigheid van de notaris. Klaagster heeft echter te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een dergelijk gesprek.

5. De beoordeling

5.1

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 98 van de Wna. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.

5.2

Ervan uitgaande – zoals klaagster en de notaris doen – dat het door de kandidaat-notaris met klaagster gevoerde telefoongesprek als bedoeld onder 3.3 onder verantwoordelijkheid van de notaris valt, overweegt de Kamer het volgende. Kennelijk is dat telefoongesprek niet correct verlopen. De reactie daarop zoals vermeld onder 4.3 is passend. Onder deze omstandigheid is dit onderdeel van de klacht ongegrond.

5.3

Het eigenmachtig handelen van de neef kan de notaris niet worden aangerekend. Voordat de notaris kennis had kunnen nemen van het overlijden van de oom had de neef de begrafenis van de oom geregeld. Voorts heeft de neef, ondanks zijn wetenschap dat de notaris tot executeur was benoemd, kort na het overlijden de woning van de oom ontruimd. Wellicht had ontruiming kunnen worden voorkomen indien de notaris eerder contact had opgenomen met het verzorgingtehuis. Het handelen van de notaris was echter niet dermate weinig voortvarend dat de klacht op dit onderdeel gegrond is.

5.4

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Kamer van oordeel dat van partijdig handelen door de notaris geen sprake is. De klacht is derhalve ongegrond.

5.5

De Kamer heeft ter zitting wel vastgesteld dat een meer voortvarend optreden van de notaris bij klaagster de indruk had kunnen wegnemen dat de notaris zich teveel door de neef liet leiden bij de afwikkeling van de nalatenschap, ook al zou de feitelijke uitkomst daardoor niet of nauwelijks zijn veranderd. De Kamer heeft voorts ter zitting vastgesteld dat de notaris heeft toegezegd thans de nalatenschap voortvarend te willen afwikkelen en eventuele bevoordeling van de neef bij de verdeling te zullen rechttrekken en daarom een cijfermatig overzicht aan erfgenamen te zullen verstrekken.

6. De beslissing

De Kamer van Toezicht over de Notarissen en Kandidaat-notarissen te Rotterdam,

verklaart de klacht ongegrond;

Deze beslissing is gegeven door mrs. W. van Veen, L.J. Sarlemijn, R. van der Galiën, R.G.M. Gores en H.M. Kolster in tegenwoor¬digheid van de secretaris, W. Blokland.

Uitgesproken ter openbare vergadering op 28 februari 2008.

De secretaris, De voorzitter,

W. Blokland W. van Veen

Deze beslissing is verzonden op:

Tegen deze beslissing kan binnen dertig dagen na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.