Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH4747

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
R668-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak in de zin van de artikelen 89 en 591a Sv.

De justitiabele heeft recht heeft op voorlegging van de zaak aan het tripartite overleg gezien de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijn voor fiscale delicten en douanedelicten (Stc 21 december 2001, nr 248/pag 71. Deze richtlijn bevat in de procedurele waarborging van het una viabeginsel een norm die allereerst strekt tot bescherming van belangen van de justitiabele. Dat brengt mee dat deze er in voorkomende gevallen aanspraak op kan maken dat de voorgeschreven procedure wordt gevolgd, terwijl het niet op de juiste wijze toepassen van de procedure door de opsporende instanties hem niet kan worden tegengeworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

Rekestnummer: R 000666-08

Parketnummer eerste aanleg: geen

BESCHIKKING

op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank te Amsterdam van 15 januari 2008 op het verzoekschrift krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[……….],

woonplaats kiezende ten kantore van mr. R.D. van Heffen,

Frederik Roeskestraat 100, 1076 ED Amsterdam.

Advocaat mr. C.R.H. Freeke te Amsterdam.

1. Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift en de aanvulling daarop strekken tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage € 38.866,02 ter zake van de kosten die verzoekster stelt te hebben gemaakt in verband met de rechtsbijstand en ten bedrage van € 36.864,74 ter zake van kosten voor douanerechtelijke rechtskundige bijstand ten behoeve van voormelde strafzaak, alsmede de kosten voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van het onderhavige verzoekschrift, begroot op € 2.500,00.

2. Procesverloop

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 26 januari 2009 de advocaat-generaal en de advocaat van verzoekster ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

Van de verzoeker is, hoewel zij behoorlijk is opgeroepen, geen vertegenwoordiger verschenen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing.

3. Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

De raadsvrouw van de verzoekster heeft in raadkamer aangevoerd dat er sprake is van een zaak in de zin van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering en heeft daartoe gesteld dat de verzoekster is aangemerkt als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek ter zake een douanedelict, uitgevoerd door de douane. Zij baseert haar stelling onder meer op de feiten dat de verzoekster een aantal malen als verdachte is gehoord, er naar het oordeel van de Douane opzet was bij verzoekster en er over afdoening van de zaak door middel van een transactie besprekingen zijn gevoerd. Bij brief van 30 maart 2007 van mr. C.F.L. Kaijser, namens het bestuur van ’s Rijksbelastingen, Douane Zuid, kantoor Roosendaal, is aan de advocaat van de verzoekster medegedeeld dat de vervolging niet zou worden voortgezet. Met betrekking tot de noodzaak van rechtskundige bijstand is gesteld dat het om een transactiebedrag van 1,8 miljoen euro ging.

Voorts is namens verzoekster gesteld dat als hetgeen zich tijdens het opsporingsonderzoek heeft afgespeeld al niet rechtstreeks als zaak in de zin van de artikelen 89 en 591a Sv moet worden beschouwd er toch in ieder geval een argument voor de gevraagde vergoeding kan worden ontleend aan de omstandigheid dat de kwestie al in de aanvang van het opsporingsonderzoek in het tripartite overleg, waaraan de officier van justitie deelneemt, had moeten worden gebracht; het achterwege laten daarvan is naar de mening van de verzoekster in strijd met de te dezen toepasselijke Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijn voor fiscale delicten en douanedelicten (Stc 21 december 2001, nr 248/pag 71), en deze omissie mag niet ten laste van verzoeker komen.

De advocaat-generaal heeft afwijzing van het verzoek gevorderd omdat naar zijn mening geen sprake is van een zaak in de zin van artikel 591a Sv aangezien de onderhavige zaak nooit is overgedragen of voorgelegd aan het openbaar ministerie. Hij verwijst daartoe naar de beslissing van de raadkamer van de rechtbank Utrecht van 30 juli 1998, NJ 1998, 968 en naar het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 1986, NJ 1987, 726. Met betrekking tot het niet voldaan zijn aan de eerdergenoemde richtlijn is zijn standpunt dat juist is dat in strijd daarmee is gehandeld, maar dat het om een vooral organisatorische instructie gaat waaraan verzoekster geen rechten kan ontlenen.

Het hof is van oordeel dat hetgeen door de verzoekster met betrekking tot de genoemde richtlijn naar voren is gebracht doel treft. Het hof overweegt in dat verband dat de richtlijn, voor zover in deze zaak van belang, inhoudt dat er voor de periode nadat een vermoedelijke overtreding van een douanebepaling aan het licht is gekomen twee fasen worden onderscheiden. In de eerste fase beoordeelt de boete/fraudecoordinator of een zeker drempelbelang is overschreden en er al dan niet van een strafbaar feit sprake is. Als beide voorwaarden zijn vervuld – en niet is betwist dat zulks zich in dit geval voordeed – wordt de zaak in de tweede fase voorgelegd aan het tripartite overleg, waarin onder meer de officier van justitie zitting heeft. In dat overleg wordt dan besloten over voortzetting van het opsporingsonderzoek en eventuele transactiemogelijkheden. Omdat de achtergrond van deze regeling is dat de bestuurlijke en strafrechtelijke benadering elkaar uitsluiten (het una via beginsel) is volgens de richtlijn een tijdige keuze van belang.

In dit geval staat vast dat door de boete/fraudecoordinator een transactiebedrag is genoemd van 1.8 miljoen euro nadat het strafrechtelijk onderzoek zou zijn voltooid. In strijd met paragraaf 3 van de richtlijn is de kwestie echter niet aan het tripartite overleg, dus aan de officier van justitie, voorgelegd.

De op deze gang van zaken gebaseerde conclusie van het Openbaar Ministerie dat de justitiabele geen recht heeft op voorlegging van de zaak aan het tripartite overleg deelt het hof niet. De richtlijn, die in de Staatscourant is gepubliceerd bevat in de procedurele waarborging van het una viabeginsel een norm die allereerst strekt tot bescherming van belangen van de justitiabele. Dat brengt mee dat deze er in voorkomende gevallen aanspraak op kan maken dat de voorgeschreven procedure wordt gevolgd, terwijl het niet op de juiste wijze toepassen van de procedure door de opsporende instanties hem niet kan worden tegengeworpen. In casu leiden deze overwegingen tot de slotsom dat aan de verzoekster vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor rechtsbijstand in redelijkheid niet kan worden geweigerd op de grond dat niet van een zaak in de zin van artikel 591a Sv kan worden gesproken.

Het hof is voorts van oordeel dat [.....] gerechtigd is tot het doen van het verzoek als degene die de kosten waarvan vergoeding wordt gevraagd, heeft gemaakt.

De verzoeker heeft naast de kosten van de raadsman in de strafzaak tevens kosten ten bedrage van € 36.864,74 opgevoerd voor douanerechtelijk rechtskundige bijstand. Blijkens artikel 591a Sv. komen slechts kosten voor vergoeding in aanmerking welke ten behoeve van het onderzoek in de strafzaak zijn gemaakt. De kosten voor douanerechtelijke rechtskundige bijstand in paralelle fiscale procedures vallen hier niet onder. Het hof zal verzoekster in dit deel van het verzoek dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding van de kosten in verband met rechtsbijstand ten behoeve van de strafzaak ten bedrage van

€ 38.866,02 en de kosten van het opstellen, indienen en in raadkamer in eerste aanleg en hoger beroep toelichten van dit verzoekschrift, zijnde het forfaitaire bedrag van € 955,-.

Voor het toekennen van een hogere dan de forfaitaire vergoeding zijn naar ’s hofs oordeel geen termen. Het hof zal het meer of anders verzochte afwijzen.

4. Beslissing

Het hof:

Kent ten laste van ’s Rijks kas aan verzoeker een vergoeding toe van € 37.819,74 (zevenendertig duizend achthonderdennegentien euro en vierenzeventig eurocenten).

Verklaart de verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoek ten bedrage van € 36.864,74 voor douanerechtelijke rechtskundige bijstand.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan verzoeker.

Deze beschikking is gegeven door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R. Veldhuisen, H.W.J. de Groot en R.P.P. Hoekstra, in tegenwoordigheid van A.J. Bekker-van der Molen als griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 23 februari 2009.

De voorzitter van het hof beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor het bedrag van € 37.819,74 (zevenendertig duizend achthonderdennegentien euro en vierenzeventig eurocenten) over te maken naar de rekening van verzoeker voornoemd.

Amsterdam,

De voorzitter