Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH4301

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-01-2009
Datum publicatie
17-03-2009
Zaaknummer
104.004.162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof vindt de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gestelde uitleg van artikel 2.1 onder c van het Sociaal plan, te weten dat de met ingang van 1 januari 2006 in maandelijkse termijnen uitgekeerde compensatievergoeding als inkomensbestanddeel in de berekening van de ontslagvergoeding dient te worden meegenomen, geen steun in de tekst daarvan. In de tekst staan immers expliciet de bestanddelen vermeld die als vaste en gegarandeerde inkomensbestanddelen in de berekening dienen te worden betrokken. Een compensatie-uitkering is daarbij niet genoemd. Evenmin bevat de tekst aanwijzingen die erop duiden dat deze opsomming niet limitatief is. Daarbij komt dat de compensatieregeling op het moment van totstandkoming van het Sociaal plan nog niet bestond. De omstandigheid dat over het compensatiebedrag loonbelasting en sociale lasten worden ingehouden en dat het UWV met het compensatiebedrag rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het dagloon, doen daaraan niet af.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2009/252
AR-Updates.nl 2009-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Nevenzittingsplaats Arnhem

Sector civiel recht

zaaknummer 104.004.162

arrest van de vijfde civiele kamer van 13 januari 2009

inzake

1. [appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellant sub 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Atos Origin Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.B. Falkena.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 december 2006 en 6 juni 2007 die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellant sub 1] en [appellant sub 2]) als eisers en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Atos) als gedaagde heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben bij exploot van 31 augustus 2007 Atos aangezegd van het vonnis van 6 juni 2007 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Atos voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en een nieuwe productie in het geding gebracht. Zij hebben – na vermindering van eis – gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, hun vorderingen alsnog zal toewijzen en Atos zal veroordelen, zakelijk weergegeven:

a. tot betaling aan [appellant sub 2] van een bedrag van € 130.336,08 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

b. tot betaling aan [appellant sub 1] van een bedrag van € 19.696,28 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

c. tot betaling van de proceskosten in beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft Atos de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 6 juni 2007 onder het kopje “de feiten” feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan. Ter wille van de overzichtelijkheid zal het hof hieronder die feiten samenvatten en op een aantal punten aanvullen.

3.1 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn met ingang van 1 september 1969 ([appellant sub 2]) respectievelijk 9 juni 1977 ([appellant sub 1]) in dienst getreden van KPN, de rechtsvoorgangster van Atos.

3.2 [appellant sub 1] had op grond van de CAO van KPN met looptijd van 1 januari 2002 tot 1 januari 2004 recht op prepensioen ingeval hij vanaf 1 april 2000 tot aan het bereiken van zijn prepensioengerechtigde leeftijd in 2013 ononderbroken in dienst van KPN zou zijn.

3.3 [appellant sub 2] had op grond van die CAO recht op een uitkering ingevolge de VUT-regeling indien hij vanaf 31 maart 1996 tot aan het bereiken van zijn VUT-gerechtigde leeftijd in 2009 ononderbroken in dienst van KPN zou zijn.

3.4 In het kader van de overgang van KPN naar Atos per 1 januari 2004 is Atos met de betrokken vakorganisaties een “Protocol overgangsmaatregelen ten behoeve van voormalige medewerkers van KPN” overeengekomen. In dit protocol is in de artikelen 7.4 en 7.5 onder meer bepaald dat de prepensioenregeling respectievelijk de VUT-regeling na 31 december 2003 onverkort van toepassing blijven, onder de voorwaarde dat de medewerker niet afziet van een volledige overdracht van zijn of haar opgebouwde pensioenrechten bij het pensioenfonds van KPN naar het pensioenfonds van Atos.

3.5 Atos heeft, na daartoe verkregen toestemming van het CWI, op 28 december 2005 de arbeidsovereenkomsten met [appellant sub 1] en [appellant sub 2], tezamen met die van 243 andere werknemers, opgezegd, wegens een als gevolg van technologische vernieuwingen en marktontwikkelingen noodzakelijk geworden reorganisatie. De arbeidsovereenkomst van [appellant sub 1] is opgezegd tegen 1 april 2006 en die van [appellant sub 2] tegen 1 juli 2006. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] waren ten tijde van het ontslag beiden 54 jaar.

3.6 In verband met de reorganisatie is Atos met de vakorganisaties Bond van Telecompersoneel, CNV Dienstenbond, FNV Bondgenoten en De Unie het Sociaal plan Atos Origin NL BV Divisie Managed Operations, versie 3.0 (hierna: het Sociaal plan) overeengekomen. Dit Sociaal plan dateert van 30 juni 2005.

3.7 Op grond van artikel 5.1 van het Sociaal plan is aan [appellant sub 2] een ontslagvergoeding toegekend van € 137.428,- bruto en aan [appellant sub 1] een ontslagvergoeding van € 117.676,- bruto. Deze ontslagvergoedingen zijn berekend aan de hand van de in artikel 2.1 onder i van het Sociaal plan gedefinieerde kantonrechterformule, waarbij de correctiefactor is gesteld op 1.

3.8 Op 7 december 2005 heeft Atos met de betrokken vakorganisaties een principeakkoord bereikt over (onder meer) een financiële compensatie ten behoeve van voormalige KPN-medewerkers voor het vervallen van hun vroegpensioenregelingen per 1 januari 2006 (hierna te noemen: de compensatieregeling), dit in verband met de afschaffing van de fiscale voordelen voor de VUT en het prepensioen per die datum door de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling. In deze regeling is onder meer het volgende bepaald:

“Kern van het akkoord is, dat voor medewerkers die aan een van deze regelingen (cs. de prepensioen- en VUT-regeling ten behoeve van ex-KPN-medewerkers en de VUT-regeling ten behoeve van ex-VGZ-medewerkers) deelnemen, en die op 1 januari 2005 jonger dan 55 jaar waren, de regeling vervalt en wordt vervangen door een financiële compensatie. Deze compensatie wordt in gelijke maandelijkse termijnen vanaf 1 januari 2006 uitbetaald.

Alle drie de regelingen worden zo veel mogelijk op dezelfde manier aangepast:

- Daar waar mogelijk wordt een bestaande regeling gehandhaafd;

- Voor medewerkers die op 1 januari 2005 jonger dan 55 jaar waren vervalt de regeling;

- Medewerkers waarvoor een regeling vervalt worden financieel gecompenseerd;

- De compensatie wordt individueel vastgesteld, en is mede afhankelijk van het oorspronkelijke VUT- c.q. prepensioenniveau en de lengte van de oorspronkelijke VUT- c.q. prepensioenperiode;

- De financiële compensatie wordt verstrekt zolang betrokkene in dienst is van Atos Origin. De vroeger gestelde voorwaarde, dat de medewerker bij aanvang van de VUT-of prepensioenperiode nog in dienst van Atos Origin moet zijn, vervalt. Hierdoor worden de compensatiebetalingen veel eerder gedaan dan de oorspronkelijk VUT- of prepensioenbetalingen. Dit voordeel voor betrokkenen wordt gecompenseerd met een verlaging van het uitkeringsniveau. (…)”

3.9 Voor [appellant sub 1] is het compensatiebedrag voor het vervallen van de prepensioenregeling vastgesteld op € 50.305,59. Aan hem is met ingang van 1 januari 2006 tot aan het einde van het dienstverband op 31 maart 2006 een bedrag van € 518,34 bruto per maand uitgekeerd.

3.10 Voor [appellant sub 2] is het compensatiebedrag voor het vervallen van de VUT-regeling vastgesteld op € 179.782,55. Aan hem is met ingang van 1 januari 2006 tot aan het einde van het dienstverband op 30 juni 2006 een bedrag van € 3.870,46 bruto per maand uitgekeerd.

3.11 Op 25 januari 2006 heeft de uit hoofde van het Sociaal plan ingestelde begeleidingscommissie geadviseerd de door [appellant sub 1] verzochte betaling van het volledige compensatiebedrag voor het verlies aan prepensioenaanspraken afgewezen. Atos heeft dit advies overgenomen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in eerste aanleg betaling gevorderd van opgebouwde prepensioen- respectievelijk VUT-aanspraken, althans van een bedrag ter compensatie daarvan. Zij hebben hun vordering primair gegrond op de (inmiddels vervallen) Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) dan wel de Regelen verzekeringsovereenkomst PSW, subsidiair op het Sociaal plan, meer subsidiair op kennelijk onredelijk ontslag en uiterst subsidiair op goed werkgeverschap. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] richt zich tegen de afwijzing door de kantonrechter van hun vordering voor zover gegrond op het Sociaal plan dan wel op kennelijk onredelijk ontslag. In hoger beroep hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voorts hun eis verminderd.

Sociaal plan

4.2 In (de toelichting op) grief 1 stellen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de kantonrechter ten onrechte hun stelling heeft verworpen dat Atos het Sociaal plan niet is nagekomen, door bij de berekening van de ontslagvergoeding geen rekening te houden met de uitkering uit hoofde van de compensatieregeling.

4.3 Artikel 5.1 van het Sociaal plan luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“5.1 Uitkering bij einde dienstverband

Aan De Boventallige werknemer wordt bij einde van de arbeidsovereenkomst een eenmalige vergoeding uitgekeerd. De hoogte van deze eenmalige uitkering wordt berekend aan de hand van de Kantonrechterformule, waarbij de correctiefactor 1,0 bedraagt. (…)”

4.4 Artikel 2.1 luidt, voor zover hier van belang:

“(c) Bruto maandsalaris:

laatstgenoten bruto maandsalaris vermeerderd met vaste en gegarandeerde overige

inkomstenbestanddelen bij de werkgever. Het betreft de volgende bestanddelen:

vakantiegeld, 13e maand, saldo overgangsmaatregelen, 3% regeling, ploegentoeslag,

garantie ploegentoeslag. Voor zover van toepassing teruggerekend naar maandbedragen en

met toepassing van een eventuele deeltijdfactor. Voor consignatietoeslag en overwerk wordt

het gemiddelde van de laatste 3 maanden toegevoegd aan het bruto maandsalaris.

(i) Kantonrechterformule: Formule ter bepaling van de hoogte van een ontslagvergoeding

zoals vastgesteld door de Kring van Kantonrechters in haar “Aanbevelingen met betrekking

tot ontbinding”. De formule luidt AxBxC, waarbij A het gewogen aantal dienstjaren betreft,

B de beloning en C de correctiefactor. (…) De factor B komt in het kader van het Sociaal

Plan overeen met het laatstverdiend Bruto maandsalaris (…) ”

4.5 De vraag of de met ingang van 1 januari 2006 in maandelijkse termijnen uitgekeerde compensatievergoeding als inkomensbestanddeel in de berekening van de ontslagvergoeding dient te worden meegenomen, is een vraag naar de uitleg van het Sociaal plan, in het bijzonder van het begrip “Bruto maandsalaris” als vermeld in artikel 2.1 onder c.

4.6 Het hof overweegt dat gesteld noch gebleken is dat het Sociaal plan dient te worden aangemerkt als CAO. Niet in geschil tussen partijen is dat het Sociaal plan is overeengekomen met de representatieve vakorganisaties en dat partijen jegens elkaar daaraan zijn gebonden.

4.7 Nu [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet als partij bij de totstandkoming van het Sociaal plan zijn betrokken maar daarop wel een beroep kunnen doen, dient de uitleg ervan te geschieden aan de hand van de zogenaamde CAO-norm. Het gaat daarbij om een uitleg naar objectieve maatstaven, dat wil zeggen dat voor die uitleg de bewoordingen van de desbetreffende bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Dit betekent dat het niet aankomt op de bedoelingen van partijen bij de totstandkoming bij het Sociaal plan, voor zover die bedoelingen niet kenbaar zijn uit de tekst van het plan, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven uit de tekst volgt, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in het Sociaal plan gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Ook de bewoordingen van de eventueel bij het Sociaal plan behorende schriftelijke toelichting moeten bij de uitleg worden betrokken.

4.8 Naar het oordeel van het hof vindt de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gestelde uitleg van artikel 2.1 onder c van het Sociaal plan, te weten dat de met ingang van 1 januari 2006 in maandelijkse termijnen uitgekeerde compensatievergoeding als inkomensbestanddeel in de berekening van de ontslagvergoeding dient te worden meegenomen, geen steun in de tekst daarvan. In de tekst staan immers expliciet de bestanddelen vermeld die als vaste en gegarandeerde inkomensbestanddelen in de berekening dienen te worden betrokken. Een compensatie-uitkering is daarbij niet genoemd. Evenmin bevat de tekst aanwijzingen die erop duiden dat deze opsomming niet limitatief is. Daarbij komt dat de compensatieregeling op het moment van totstandkoming van het Sociaal plan nog niet bestond. De omstandigheid dat over het compensatiebedrag loonbelasting en sociale lasten worden ingehouden en dat het UWV met het compensatiebedrag rekening heeft gehouden bij de vaststelling van het dagloon, doen daaraan niet af.

4.9 Ook de tekst van de overige bepalingen van het Sociaal plan biedt geen aanknopingspunten voor de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voorgestane uitleg. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet betwist dat de oorspronkelijke VUT- en prepensioenregelingen een voorwaardelijk recht op vroegpensioen gaven, dat pas zou ingaan op het moment dat zij op de desbetreffende prepensioen- respectievelijk VUT-datum nog in dienst van Atos zouden zijn. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben geen grieven gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de oorspronkelijke VUT- en prepensioenregelingen en de compensatieregeling niet als pensioenregeling in de zin van de PSW kunnen worden aangemerkt, zodat het hof in deze procedure daarvan dient uit te gaan.

4.10 Dit betekent dat artikel 8 lid 2 PSW dat dwingend bepaalde dat een werknemer bij voortijdig ontslag een premievrije aanspraak verkreeg, niet van toepassing was op de vroegpensioenregelingen van KPN/Atos en dat moet worden aangenomen dat deze vroegpensioenrechten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] door het ontslag daadwerkelijk zouden vervallen. Hoewel ten tijde van de totstandkoming van het Sociaal plan bekend was dat werknemers door het ontslag hun vroegpensioenrechten zouden verliezen, hebben de opstellers van het Sociaal plan hierin kennelijk geen aanleiding gezien om voor dit verlies een voorziening op te nemen in het Sociaal plan. Aan de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] overgelegde email van [persoon A] (productie 11 bij de inleidende dagvaarding), die als onderhandelaar voor de FNV bij de totstandkoming van het Sociaal plan is betrokken, komt bij de uitleg van het Sociaal plan geen betekenis toe, aangezien slechts de uit de tekst van het Sociaal plan kenbare bedoelingen bepalend zijn. Voorts is niet gesteld dat het Sociaal plan, doordat daarin niet is voorzien in een compensatie voor het verlies van vroegpensioenrechten of aanspraken op basis van de compensatieregeling, een leemte bevat die moet worden opgevuld op basis van de redelijkheid en billijkheid.

Hardheidsclausule

4.11 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben in (de toelichting op) grief 1 voorts gesteld dat Atos onder toepassing van de hardheidsclausule gehouden is om de compensatie-uitkering als inkomensbestanddeel mee te nemen in de ontbindingsvergoeding, aangezien toepassing van het Sociaal plan tot een evident onbillijke situatie leidt. Deze stelling faalt. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat zij zich – in aanmerking genomen de door hen ontvangen vergoeding – in een evident onbillijke situatie bevinden.

4.12 Het hof neemt daarbij in aanmerking dat in geval het ontslag voor 1 januari 2006 had plaatsgevonden, zij evenmin recht hadden gehad op een prepensioen – of VUT-uitkering dan wel op een bedrag ter compensatie daarvan. Dat medewerkers als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij ontslag hun aanspraken zouden verliezen zonder dat daarvoor compensatie zou worden verleend, was gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 is overwogen bij de totstandkoming van het Sociaal plan onbedoeld noch onvoorzien. Uit de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij memorie van grieven overgelegde email van [persoon A] van 22 januari 2007 blijkt weliswaar dat bij de totstandkoming van het Sociaal plan zogenaamde vutters niet tot de doelgroep werden gerekend en er mede daarom in het Sociaal plan geen ouderenregeling is getroffen, maar uit deze email volgt ook dat met de categorie vutters is bedoeld werknemers van 55 jaar en ouder. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] waren ten tijde van het ontslag beiden 54 jaar en vielen dus niet in die categorie. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het Sociaal plan, doordat daarin geen regeling is getroffen voor medewerkers jonger dan 55 jaar, onredelijk is. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, in geval de compensatieregeling reeds bekend was ten tijde van de totstandkoming van het Sociaal Plan, daarin een regeling zou zijn getroffen voor werknemers die ten gevolge van het ontslag hun rechten ingevolge de compensatieregeling zouden verliezen. Immers ook in de later met de vakorganisaties overeengekomen compensatieregeling is geen voorziening getroffen voor medewerkers met VUT- en prepensioenrechten, terwijl bekend was dat een aantal van hen door het voorgenomen ontslag hun vroegpensioenrechten zouden verliezen en niet langer recht zouden hebben op een compensatie-uitkering. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben hun – door Atos betwiste – stelling dat Atos met één werknemer een van het Sociaal plan afwijkende regeling is overeengekomen, niet onderbouwd, zodat het hof deze stelling passeert.

4.13 Het voorgaande leidt tot oordeel dat Atos niet in strijd met het Sociaal plan heeft gehandeld door bij de berekening van de ontslagvergoeding geen rekening te houden met de compensatievergoeding en evenmin de hardheidsclausule toe te passen. Grief 1 faalt.

Kennelijk onredelijk ontslag

4.14 De vraag die resteert en die in grief 2 is opgeworpen, is of het ontslag van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] desalniettemin kennelijk onredelijk is vanwege de gevolgen ervan voor hen. Het hof stelt bij beantwoording van die vraag voorop dat tussen partijen niet ter discussie staat dat aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een vergoeding is betaald die overeenkomt met hetgeen zij op grond van het Sociaal plan dienen te ontvangen. Dat dit Sociaal plan, dat in overleg met de vakbonden tot stand is gekomen, in zijn algemeenheid geen recht zou doen aan de gerechtvaardigde belangen van de bij het collectief ontslag betrokken werknemers van Atos, is gesteld noch gebleken. Evenmin hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de (bedrijfseconomische) noodzaak voor het collectief ontslag betwist. Waar het in het geschil tussen partijen om gaat is of toekenning van een vergoeding conform het toepasselijke Sociaal plan in het geval van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onbillijk is.

4.15 Volgens vaste rechtspraak vormt de omstandigheid dat een voorziening is aangeboden die in overeenstemming is met een in overleg met een representatieve vakorganisatie gesloten Sociaal plan, niet zijnde een CAO, een aanwijzing dat die voorziening voor de werknemer toereikend is, zij het dat de redelijkheid van die voorziening bij betwisting door de rechter moet worden beoordeeld (vgl. HR 14 juni 2002, NJ 2003, 324).

4.16 [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben ter onderbouwing van hun stelling dat het ontslag kennelijk onredelijk is de volgende omstandigheden aangevoerd:

- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden beiden een lang dienstverband (29 respectievelijk 37 jaar) en bevonden zich ten tijde van het ontslag kort voor hun prepensioen- respectievelijk VUTdatum;

- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden bij het einde van de arbeidsovereenkomst geen recht meer op een vroegpensioenuitkering noch op een uitkering uit hoofde van de compensatieregeling, Atos wist dat en heeft desondanks, hoewel zij daartoe voldoende financiële middelen had, geen regeling getroffen voor werknemers met VUT- en pensioenrechten die door het ontslag niet langer in aanmerking zouden komen voor de compensatieregeling;

- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben zelf bijgedragen aan de VUT- en prepensioenregeling;

- ingeval de compensatieregeling bekend zou zijn geweest bij de totstandkoming van het Sociaal Plan zou het uit hoofde van deze regeling maandelijks uitgekeerde bedrag in het Sociaal plan als inkomensbestanddeel voor de berekening van de ontslagvergoeding zijn aangemerkt;

- in een soortgelijk geval is een van het Sociaal plan afwijkende uitkering verstrekt door Atos;

- [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben gelet op hun leeftijd een slechte arbeidsmarktpositie;

- een aantal in het Sociaal plan opgenomen voorzieningen is niet uitgevoerd door Atos. Zij is tekortgeschoten in haar verplichting [appellant sub 2] en [appellant sub 1] te begeleiden naar een interne dan wel externe herplaatsing.

4.17 Naar het oordeel van het hof leiden deze omstandigheden, noch afzonderlijk, noch tesamen, in aanmerking genomen het belang van Atos bij het ontslag en de aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betaalde ontslagvergoedingen tot het oordeel dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Het hof overweegt daartoe het volgende.

4.18 Door toekenning van de onderhavige vergoeding is naar het oordeel van het hof voldoende rekening gehouden met objectieve factoren als leeftijd en duur van het dienstverband. Voorts neemt het hof in aanmerking, zoals reeds overwogen in rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10, dat de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] opgebouwde vroegpensioenrechten voorwaardelijk waren en zouden vervallen in geval van ontslag. Ook de rechten uit hoofde van de compensatieregeling vervallen in geval van ontslag. Dat zij zelf zouden hebben bijgedragen aan deze regelingen kan hen derhalve niet baten en Atos heeft om die reden ook niet onredelijk gehandeld door geen (extra) voorziening te treffen voor werknemers met vroegpensioenrechten die ten gevolge van de reorganisatie werden ontslagen. De vraag of Atos daar al dan niet de financiële middelen voor had, doet dus niet ter zake. Onvoldoende gesteld noch gebleken is dat ingeval de compensatieregeling bekend zou zijn geweest bij de totstandkoming van het Sociaal plan, deze als inkomensbestanddeel voor de berekening van de ontslagvergoeding zou zijn aangemerkt. Het hof verwijst hierbij naar hetgeen in rechtsoverweging 4.12 is overwogen. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben de door Atos betwiste stelling dat Atos in ieder geval aan één werknemer die recht had op een compensatie-uitkering, een van het Sociaal plan afwijkende regeling heeft aangeboden, niet onderbouwd, zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat. De omstandigheid dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] mogelijk – hoewel zij deze stelling niet nader hebben onderbouwd – gelet op hun leeftijd een slechte arbeidsmarktpositie hebben, weegt naar het oordeel van het hof niet op tegen het (bedrijfseconomische) belang van Atos bij het ontslag.

4.19 Het hof passeert voorts de – voor het eerst in hoger beroep ingenomen – stelling van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat Atos geen inspanningen heeft verricht om hen intern of extern te herplaatsen, waartoe zij op grond van het Sociaal plan wel verplicht was. Het CWI heeft bij het verlenen van toestemming om de arbeidsovereenkomst met [appellant sub 2] en [appellant sub 1] te beëindigen uitdrukkelijk overwogen dat is gebleken dat tot op het moment van de aanvraag er geen mogelijkheden tot herplaatsing voorhanden waren. Gesteld noch gebleken is dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hiertegen verweer hebben gevoerd. Het hof gaat er dan ook vanuit dat Atos de mogelijkheden tot herplaatsing op zorgvuldige wijze heeft onderzocht. Onder die omstandigheden mocht van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] worden verwacht dat zij specifiek hadden gesteld dat er alternatieven waren en zij daarvoor in aanmerking kwamen. Aangezien zij dat hebben nagelaten, gaat het hof aan hun stelling ter zake voorbij. Grief 2 faalt.

4.20 Nu de grieven 1 en 2 falen, faalt eveneens de daarop voortbouwende grief 3.

Slotsom

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 6 juni 2007;

veroordeelt [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Atos begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 251,- voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, H. Wammes en R. Prakke-Nieuwenhuizen, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 januari 2009.