Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH4192

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-02-2009
Datum publicatie
03-03-2009
Zaaknummer
08-00042
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In 2002 ontvangen afkoopsom van kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet aangegeven. Navorderingsaanslag met 50% boete wegens (voorwaardelijk) opzet. Hof oordeelt dat sprake is van grove schuld en dat een boete van 25% passend en geboden en tevens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P08/00042

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X.

wonende te Z,

belanghebbende,

gemachtigde mr. H.A J. Kalsbeek,

tegen de uitspraak in de zaak met nummer AWB 07/2949 van 12 november 2007 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft met dagtekening 17 november 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.027 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.213. Tevens is een boete van € 2.641 opgelegd.

Belanghebbende heeft tegen de boete tijdig een bezwaarschrift ingediend.

Bij uitspraak van 15 maart 2007 heeft de inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de inspecteur tijdig beroep ingesteld bij de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank). Bij uitspraak van 12 november 2007, verzonden op 27 november 2007, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 8 januari 2008, bij het Hof ingekomen op dezelfde datum. Het beroepschrift is aangevuld bij brief van 11 februari 2008.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. Belanghebbende sloot op 1 december 1986 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule af bij Centraal Beheer. De einddatum van de polis was 1 augustus 2002. De polis is op belanghebbendes verzoek afgekocht. Belanghebbende ontving te dier zake in 2002 een bedrag van € 12.577,50.

Op het door belanghebbende op 5 juli 2002 ingevulde en ondertekende formulier ‘Betaalwijze éénmalige uitkering uit expiratie’ is onder meer vermeld:

‘Centraal Beheer Achmea zal de uitkering verminderen met hetgeen volgens wettelijke voorschriften moet worden ingehouden.’

Bij brief van 5 augustus 2002 deelde Centraal Beheer belanghebbende mede dat voormeld bedrag op belanghebbendes rekeningnummer was overgemaakt. In deze brief was voorts vermeld ‘Voor de goede orde maken wij u er nog op attent, dat wij de belastingdienst over deze uitkering hebben ingelicht.’

2.1.2. Belanghebbende deed voor het jaar 2002 aangifte van een belastbaar inkomen uit werk en woning van {€ 30.487 (uitkering UWV-GAK) + € 962 (inkomsten eigen woning) =} € 31.449 en van een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.213. Met dagtekening 21 augustus 2008 is de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen conform de aangifte vastgesteld.

2.1.3. Bij brief van 14 juni 2006 vroeg de inspecteur belanghebbende informatie over diens aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002, met name over de afkoop van voormelde verzekering. Belanghebbende antwoordde bij brief van 14 juli 2006 waarin hij onder meer vermeldde:

“Voorzover ik begrijp had het bedrag van € 12.577,66 in box 1 moeten worden aangegeven. Dit is kennelijk niet gebeurd, reden waarom ik u verzoek mijn aangifte te corrigeren.”

2.1.4. De inspecteur deelde belanghebbende bij brief van 1 augustus 2006 onder meer mede:

“Hierbij stel ik u op de hoogte van mijn voornemen aan u een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 op te leggen met een vergrijpboete. Hierbij heb ik rekening gehouden met de informatie die betrekking heeft op de verzekering van Centraal Beheer. (…)

Inkomen uit werk en woning

(…)

De in de aanhef vermelde polis bevat een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Uit uw informatie blijkt dat deze verzekering is afgekocht. Als u op de expiratiedatum een uitkering ineens ontvangt is er, fiscaal gezien, ook sprake van afkoop van de lijfrenteverzekering. De afkoopsom van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is belast als inkomsten uit periodieke uitkeringen. Aangezien het bedrag van deze afkoopsom niet in de aangifte is opgenomen ben ik van plan het belastbaar inkomen uit werk en woning in afwijking van de aangifte als volgt vast te stellen.

(…)

Vast te stellen belastbaar inkomen uit werk en woning € 44.027

Boete

Ik ben voornemens tegelijk met de belastingaanslag een boete op te leggen.

Motivering boete

De afkoopsom van de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is ten onrechte niet in de aangifte opgenomen. In verband met de uitkering is door u een brief van de verzekeraar ontvangen. Op basis van de in deze brief opgenomen informatie had u redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de afkoopsom geheel tot het inkomen behoorde. Ondanks de in de brief opgenomen informatie is de afkoopsom niet in de aangifte opgenomen. Verder is het, nu het bedrag van de afkoopsom aanzienlijk is, onaannemelijk dat u in het geheel niet hebt stilgestaan bij de fiscale consequenties van de afkoopsom. Daar komt nog bij dat het van algemene bekendheid is dat een uitkering op grond van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule belast is als de premie daarvoor in aftrek is gebracht. Een zodanige polis is immers juist vanwege de fiscale consequenties aangegaan: aftrek van de premie en belastbaarheid van de uitkeringen. U was op de hoogte van de verplichting om de afkoopsom in de aangifte op te nemen. Door de afkoopsom niet in de aangifte te vermelden heeft u zich willens en wetens bloot gesteld aan de aanmerkelijke kans dat de aangifte er toe zou leiden dat te weinig belasting zou worden geheven (voorwaardelijk opzet). Daarom ben ik van plan een boete op te leggen van 50%.”

2.1.5. De in het geding zijnde navorderingsaanslag en boete zijn vastgesteld zoals aangekondigd.

2.1.6. Belanghebbende heeft in het jaar 2004 eveneens een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule, althans gedeeltelijk, afgekocht. De afkoopsom is niet in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 vermeld. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor dat jaar is het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning verhoogd met de afkoopsom ad € 25.000. Er is geen boete opgelegd.

2.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft belanghebbendes beroep ongegrond verklaard waarbij zij het volgende heeft overwogen:

“5.1 Van kwade trouw is sprake indien eiser (Hof: belanghebbende) opzettelijk onjuiste aangifte deed of zich willens en wetens blootstelde aan de aanmerkelijke kans een onjuiste aangifte te doen, als gevolg waarvan de aanslag IB/PVV 2002 te laag is vastgesteld. Onder het begrip opzet valt ook te begrijpen het welbewust aanvaarden van de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat te weinig belasting wordt geheven.

5.2 Uit het vermelde onder 3.4 leidt de rechtbank af dat, voorafgaande aan het overmaken van de afkoopsom van Centraal Beheer aan eiser, eiser kontakt heeft gehad met Centraal Beheer. Eiser heeft weliswaar ontkend dat hij de hiervoor onder 3.5 vermelde brief van Centraal Beheer heeft ontvangen maar verweerder (Hof: de inspecteur) heeft, niet dan wel onvoldoende weersproken, gesteld dat Centraal Beheer bij kontakten, zowel schriftelijk als mondeling, over tot expiratie komende kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule verzekerden altijd wijst op de fiscale gevolgen indien verzekerde het lijfrentekapitaal ineens laat uitkeren. Daarbij komt dat het onder de nemers van dergelijke verzekeringen van algemene bekendheid is dat uitkeringen, al dan niet in termijnen, uit lijfrenteverzekeringen waarvoor in het verleden premieaftrek is genoten, tot het inkomen behoren. Voorts wijst de toelichting bij de aangifte op dit onderdeel op het belastbare karakter van de, in verhouding tot het inkomen van eiser hoge, afkoopsom. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser wel degelijk een verwijt kan worden gemaakt van het doen van onjuiste aangifte. Gelet op de omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser bewust het risico heeft aanvaard dat te weinig belasting zou worden geheven.

5.3 Met betrekking tot het beroep van eiser op zowel het gelijkheidsbeginsel als het vertrouwensbeginsel in verband met het feit dat in de navorderingsaanslag 2002 wel een boete van 50% is begrepen terwijl in de aanslag over 2004 geen boete is begrepen, is de rechtbank van oordeel dat zowel het beroep op het gelijkheidsbeginsel als het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder heeft namelijk onweersproken gesteld dat met betrekking tot de hoogte van de in de navorderingsaanslagen te begrijpen boete sprake is van landelijk beleid dat consequent wordt toegepast. Het verschil in behandeling tussen de jaren 2002 en 2004 is gegrond op het feit dat over 2002 een navorderingsaanslag is opgelegd terwijl met betrekking tot 2004 verweerder kon volstaan met het opleggen van een primitieve aanslag op basis van de gecorrigeerde aangifte. Er is derhalve geen sprake van gelijke gevallen. “

2.3. Omvang van het geschil in hoger beroep

In geschil is primair of het aan het (voorwaardelijk)opzet van belanghebbende is te wijten dat hij de afkoopsom niet in zijn aangifte heeft vermeld als gevolg waarvan hij te weinig belasting heeft betaald.

Indien geen sprake is van opzet, dan stelt de inspecteur subsidiair dat sprake is van grove schuld.

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en naar het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

2.5. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.5.1. De inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat belanghebbende zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn aangifte ertoe zou leiden dat te weinig belasting zou worden geheven, doordat hij de afkoopsom niet in zijn aangifte heeft vermeld en zelfs niet heeft geïnformeerd naar de fiscale gevolgen van de afkoop.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur met hetgeen hij hiertoe heeft aangevoerd, deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

2.5.2. Ter zitting heeft belanghebbende zijn standpunt dat geen sprake is van grove schuld, alsmede dat de inspecteur tardief zou zijn geweest met het aanvoeren van deze stelling, ingetrokken.

Alsdan volgt het Hof de inspecteur in diens subsidiaire stelling. Naar het oordeel van het Hof is de aldus toepasselijke boete van 25 procent, ofwel € 1.320, passend en geboden voor het niet in aanmerking nemen van de onderhavige afkoopsom.

Belanghebbendes stelling dat het, gezien de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is een hoge boete op te leggen, ziet op het oordeel van de rechtbank dat een boete van 50 procent terecht is. Naar het oordeel van het Hof is, zoals hiervoor overwogen, een boete van 25 procent passend en geboden en naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar.

Omstandigheden op grond waarvan overigens tot vermindering van de boete zou moeten worden overgegaan, zijn gesteld noch gebleken.

2.5.3. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank en van de inspecteur dienen te worden vernietigd en de boete dient te worden verminderd tot 25 procent van de nagevorderde belasting, ofwel € 1.320.

2.6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, ziet het Hof aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vastgesteld op € 1.288 (2 punten voor het indienen van het beroepschrift en het hoger beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank en van het Hof met een waarde per punt van € 322, met een wegingsfactor van 1). De reiskosten van belanghebbende naar Haarlem en Amsterdam komen eveneens voor vergoeding in aanmerking en worden gesteld op de kosten openbaar vervoer tweede klas Amsterdam-Haarlem, ofwel op € 6,70, verhoogd met de kosten van twaalf strippen ad afgerond € 6. De totale vergoeding bedraagt dan € 1.300,70.

2.7. Griffierecht

Belanghebbende heeft recht op vergoeding van het griffierecht in beide instanties, bedragende (€ 39 + € 106 =) € 145.

3. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de boete tot een bedrag van € 1.320;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.300,70

en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze voor de behandeling van het

beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 145.

Aldus vastgesteld door mrs. A. Bijlsma, voorzitter, F.H.M. Possen en M.J. Hamer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V.M. Maat als griffier. De beslissing is op 23 februari 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.