Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH3869

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
23-005319-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

promis-arrest betreffende achtervolging medewerkers na overval op Albert Heijn-filiaal. Poging doodslag, meermalen gepleegd en afpersing. Noodweer(-exces).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-005319-07

datum uitspraak: 27 januari 2009

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 24 augustus 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15-700092-07 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1978],

niet ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens,

thans gedetineerd in P.I. Flevoland, HvB Lelystad te Lelystad.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 augustus 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 9 oktober 2007 en 13 januari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadslieden naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaarde

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

onder 1

hij op 7 februari 2007 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde 1] en [benadeelde 2], medewerkers van Albert Heijn, van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van die [benadeelde 1] en die [benadeelde 2] heeft geschoten en vervolgens die [benadeelde 2] met een vuurwapen op korte afstand in de buikstreek en in de pols heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

onder 2

hij op 7 februari 2007 te Haarlem met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 3], hoofdcaissière van Albert Heijn, filiaal gelegen aan de Eksterlaan, heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag met een waarde van ongeveer 1000 euro, toebehorend aan [filiaalhouder], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een vuurwapen in de richting van die [benadeelde 3] heeft gehouden en daarbij haar dreigend de woorden heeft toegevoegd: "overval" en "geld" en "vullen" en "vullen, geld, kalm blijven".

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Uit de verklaringen van [benadeelde 3]1, [benadeelde 1]2 en [benadeelde 2]3, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat op 7 februari 2007 omstreeks 22.00 uur een man met een ingepakt hoofd het filiaal van Albert Heijn, gelegen aan het Eksterlaan 67 te Haarlem, is binnengekomen.

Die man heeft uit een witte plastic tas een vuurwapen te voorschijn gehaald. Hij heeft de tas in de richting van [benadeelde 3] gegooid en onder meer gezegd: "vullen, geld, kalm blijven". De man hield het wapen daarbij steeds op haar gericht. Nadat zij het geld in de tas heeft gedaan, heeft de man de tas gepakt en is hij de winkel uitgelopen.

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn daarop achter de man aangegaan. [benadeelde 1] heeft eerst nog een vlaggenstok van de winkel meegenomen. Omdat de man het wapen nog in zijn hand had, bleven zij tijdens de achtervolging op gepaste afstand. Op enig moment - in het begin van de achtervolging - zijn [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de man kort uit het oog verloren ([benadeelde 1] heeft het in dit verband over twee à drie minuten, [benadeelde 2] heeft het over vijf à tien seconden).

Juist op dat moment probeert [benadeelde 1] contact te maken met het telefoonnummer 0900-8844 van de politie, welk contact kort daarop tot stand is gekomen.

Dan zien [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de man - nog steeds met het wapen in zijn hand - achter een auto vandaan komen en wegrennen, waarop zij de achtervolging wederom inzetten. Tijdens deze achtervolging zien zij dat de man zich meerdere malen naar hen omdraait en het wapen op hen richt en in ieder geval éénmaal daadwerkelijk in hun richting schiet.

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] volgen de man uiteindelijk een doodlopende steeg te Haarlem in. Het is donker in de steeg. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voelen dat een spray in hun gezicht wordt gespoten, hetgeen hun zicht nog verder beperkt. Zij voelen zich in het nauw gedreven. Op een gegeven moment krijgt [benadeelde 1] de kans en slaat hij de man met een grote bos met sleutels in het gezicht en met zijn vuisten tegen diens achterhoofd. [benadeelde 2] slaat de man meerdere keren met de vlaggenstok, die hij tijdens de achtervolging van [benadeelde 1] heeft overgenomen en nog steeds bij zich draagt. Als zij denken de man te kunnen overmeesteren zien zij dat de man opstaat, zijn wapen op [benadeelde 2] richt en schiet. [benadeelde 2] wordt in zijn buik geraakt en loopt tevens een verwonding aan zijn pols op4.

[benadeelde 1], die nog steeds telefonisch contact heeft met de politie, ziet dat de man de steeg uitrent en blijft hem volgen totdat de man op de Stalpaert van der Wielenstraat door verbalisanten wordt aangehouden. De verklaring van [benadeelde 1] dat die man en hij de steeg zijn uitgelopen, vindt steun in de waarneming van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die in de Stalpaert van der Wielenstraat twee mannen zien lopen; één man met donkere kleding en één man met bedrijfskleding van het Albert Heijn-filiaal5. Voornoemde verbalisanten houden op aanwijzing van de medewerker van het Albert Heijn-filiaal de in het donker geklede man, die verdachte blijkt te zijn, aan. Zij zien dat het hoofd van de verdachte onder het bloed zit en dat hij onvast ter been is. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zien naast de verdachte een wit plastic tasje liggen met daarin € 1005,-6, zij zien op ongeveer 15 meter afstand van de verdachte een geweer met afgezaagde loop7 liggen en uit de kleding van de verdachte komt een donker gekleurde muts.

De verdachte heeft ontkend dat hij strafbaar betrokken is geweest bij de overval van de Albert Heijn aan de Eksterlaan te Haarlem. Hij stelt dat hij eerder die avond in een coffeeshop door anderen moet zijn gedrogeerd en dat één of meer van die anderen in Haarlem de bedoelde overval hebben gepleegd en - kennelijk toen zij even uit het zicht van de achtervolgers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] waren - de verdachte andere kleding hebben aangetrokken, het vuurwapen in zijn handen hebben geduwd en hem de tas met de buit hebben gegeven.

In het verlengde hiervan is door de verdediging betoogd dat, gelet op het feit dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de overvaller uit het oog zijn verloren, sprake kan zijn geweest van een persoonswisseling. Nu geen ander bewijs voorhanden is dat de verdachte de overvaller is geweest, behoort de verdachte dan ook te worden vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde overval.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht de verklaring dat de verdachte is gedrogeerd en - kennelijk achter de desbetreffende auto - in de plaats is gesteld van de echte dader(s) niet aannemelijk.

Aan de verdediging moet worden toegegeven dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de verdachte aan het begin van de achtervolging kort uit het oog zijn verloren. Echter, gelet op het feit dat dit moment maar kort heeft geduurd, het feit dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de man die achter de auto vandaan komt - in de directe nabijheid van waar zij hem even daarvoor uit het oog zijn verloren - zonder meer herkennen als de man die zij uit het Albert Heijn-filiaal zijn gevolgd én het feit dat op een vrouw in het begin van de achtervolging na, geen andere personen op de achtervolgingsroute en in het bijzonder niet bij de desbetreffende auto aanwezig waren, zoals door [benadeelde 1] is verklaard, gaat het hof aan het bestaan van de mogelijkheid van een persoonswisseling voorbij.

Daar komt nog bij dat de verklaring van de verdachte dat hij was gedrogeerd niet strookt met zijn gedragingen tijdens (het tweede deel van) de achtervolging. Verdachte heeft toen immers getracht uit de handen van zijn achtervolgers te blijven door weg te rennen, daarbij heeft hij die achtervolgers blijkens hun verklaring afgelegd tegenover de rechter-commissaris een en ander toegeroepen, heeft hij meerdere malen een wapen op hen gericht en daadwerkelijk met dat wapen geschoten en heeft hij traangas in het gezicht van zijn achtervolgers gespoten. Dat handelen duidt, naar het oordeel van het hof, op een tegenwoordigheid van geest en niet op de door de verdachte gestelde toestand.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdediging van de verdachte heeft voorts aangevoerd dat sprake was van noodweer. De verdediging stelt daartoe dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in die steeg zodanig (excessief) geweld tegen de verdachte hebben toegepast, dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen, ook op de wijze zoals hij heeft gedaan, namelijk door gericht met het vuurwapen te schieten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Vaststaat dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geweld jegens de verdachte hebben toegepast. Echter, uit de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2], zoals hiervoor weergegeven, blijkt dat zij de verdachte aanvankelijk slechts hebben achtervolgd nadat hij het Albert Heijn-filiaal, gelegen aan de Eksterlaan te Haarlem, had overvallen. Tijdens deze achtervolging - en aldus gelegen op een moment ruimschoots voor het moment waarop [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geweld jegens de verdachte hebben toegepast - heeft de verdachte meerdere malen een wapen op hen gericht, heeft hij met dat wapen in hun richting geschoten en heeft hij traangas in de ogen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] gespoten.

Nu sprake is geweest van een ontdekking op heterdaad, [benadeelde 1] en [benadeelde 2] mitsdien bevoegd waren de verdachte aan te houden en de verdachte zich aan die aanhouding heeft willen onttrekken door geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] aan te wenden, komt de verdachte geen beroep op noodweer toe. Het door [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toegepaste geweld is naar het oordeel van het hof ook niet als excessief of disproportioneel te beschouwen, gelet op het feit dat de verdachte bewapend was met een vuurwapen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde

poging tot doodslag, meermalen gepleegd

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld als hierboven vermeld bij de beoordeling van het beroep op noodweer en daarop subsidiair een beroep op noodweerexces gegrond.

Nu gezien het vooroverwogene geen sprake is geweest van een noodweersituatie, faalt het beroep op noodweerexces eveneens. Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Voorts heeft de verdediging - naar het hof begrijpt - ter terechtzitting aangevoerd dat zelfs indien de verdachte de overval zou hebben gepleegd, hij daarvoor niet strafbaar is omdat hij zich die overval niet meer kan herinneren door geheugenverlies. Voor zover de raadsman hiermee een beroep op afwezigheid van alle schuld doet wordt dit verweer verworpen.

Nu het geheugenverlies, indien al aanwezig, is ontstaan nà de door de verdachte gepleegde strafbare feiten, is dit geheugenverlies immers niet relevant voor de beoordeling van de geestestoestand van de verdachte ten tijde van het plegen van die feiten.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van een over de verdachte uitgebracht Pro Justitia rapport van 24 oktober 2008, opgesteld door F.R. Kruisdijk, psychiater, en A.J. de Groot, psycholoog van het Pieter Baan Centrum, met als conclusie dat de verdachte ter zake van de hem tenlastegelegde feiten volledig toerekeningsvatbaar was.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het hem tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis. Daarnaast is hij veroordeeld tot vergoeding van de door de benadeelde partijen geleden schade; aan [benadeelde 2] tot een bedrag van EUR 3.285,90, aan [benadeelde 1] tot een bedrag van EUR 3.942,66 en aan [benadeelde 3] tot een bedrag van EUR 3.581,16, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen en nog niet aan de verdachte teruggegeven voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis. Daarnaast vordert hij dat de verdachte wordt veroordeeld tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade; aan [benadeelde 2] tot een bedrag van EUR 3.285,90, aan [benadeelde 1] tot een bedrag van EUR 3.942,66 en aan [benadeelde 3] tot een bedrag van EUR 3.581,16, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voorts vordert hij onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet aan de verdachte teruggegeven voorwerpen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een supermarkt. Hij heeft na sluitingstijd de toen nog in die supermarkt aanwezige medewerkers bedreigd met een geweer met afgezaagde loop. Hij heeft een medewerkster gedwongen de inhoud van een kassa in een plastic tas te stoppen en is er vervolgens met die tas vandoor gegaan.

Verdachte heeft zich bij dit alles enkel laten leiden door eigen financieel gewin en heeft op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevoelens van zijn slachtoffers. Een dergelijk afpersing behoort tot de categorie strafbare feiten die grove inbreuk maken op de rechtsorde en gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving veroorzaken, in het bijzonder bij de direct betrokkenen. Naar de ervaring leert kampen slachtoffers van dergelijke misdrijven in psychisch opzicht nog geruime tijd met de gevolgen daarvan.

Twee medewerkers hebben zich voornoemd handelen van verdachte niet willen laten welgevallen en zijn met gevaar voor eigen leven achter de verdachte aangegaan. Verdachte heeft daarbij niet alleen gedreigd om hen neer te schieten, maar heeft op straat tijdens de achtervolging ten minste één keer van korte afstand in de richting van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geschoten en heeft daarna in de steeg van zeer korte afstand op [benadeelde 2] gericht en geschoten, die door dat schot op twee plaatsen op zijn lichaam is getroffen, namelijk in zijn buik en aan zijn pols. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hadden door dit handelen van verdachte het leven kunnen verliezen. Dat dit niet is gebeurd is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.

Deze dramatische gebeurtenis zal voor hen beiden nog langdurige nadelige lichamelijke en psychische gevolgen hebben. Geweldsmisdrijven als deze veroorzaken bij de slachtoffers daarvan veelal gevoelens van onveiligheid en brengen in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 januari 2009 is verdachte eerder - zij het geruime tijd geleden - ter zake van een geweldsdelict veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 1 en 2 bewezengeachte met betrekking tot deze voorwerpen is begaan, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het hem onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 3.942,66 zoals aan haar in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het onder 1 tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder 2 tenlastegelegde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen.

De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij zich niet schuldig acht aan het onder 2 tenlastegelegde feit.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.

De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van het toegewezen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een wapen, kleur: bruin met afgezaagde loop en houten kolf, serienummer 02342346

- een huls.22, kleur: koper

- een busje traangas, CS-REIZGAS, type: 77000 anti atack

- een patroon, kleur: metaal

- twee stukjes metaal.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 2], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 3.285,90 (drieduizend tweehonderdvijfentachtig euro en negentig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 3.285,90 (drieduizend tweehonderdvijfentachtig euro en negentig cent), zulks ten behoeve van [benadeelde 2].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 46 (zesenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 1]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 3.942,66 (drieduizend negenhonderdtweeënveertig euro en zesenzestig cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 3.942,66 (drieduizend negenhonderdtweeënveertig euro en zesenzestig cent), zulks ten behoeve van [benadeelde 1].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 49 (negenenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 3]:

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 3], wonende te [woonplaats], rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 3.581,16 (drieduizend vijfhonderdeenentachtig euro en zestien cent), te vermeerderen met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 3.581,16 (drieduizend vijfhonderdeenentachtig euro en zestien cent), zulks ten behoeve van [benadeelde 3].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 (zevenenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. Mijnsberge, mr. F.W.J. den Ottolander en mr. F.A. Hartsuiker, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 januari 2009.

Mr. Mijnsberge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 3] met nummer PL1229/07-016773, in de wettelijke vorm opgemaakt op 8 februari 2007 door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden brigadier van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina’s 77-83).

2 Een proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 1] met nummer PL1229/07-016773, in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 februari 2007 door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], beiden hoofdagent van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina’s 186-194).

3 Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] met nummer PL1229/07-020991, in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 maart 2007 door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 6], [verbalisant 7] en [verbalisant 8], respectievelijk hoofdagent, inspecteur en hoofdagent van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina’s 226-230).

4 Een proces-verbaal van verhoor van [getuige ] met nummer PL1229/07-016773, in de wettelijke vorm opgemaakt op 10 februari 2007 door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent van de regiopolitie Kennemerland betreffende het door [benadeelde 2] op 7 februari 2007 gelopen letsel (doorgenummerde pagina’s 212-214).

5 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1222/07-016773, in de wettelijke vorm opgemaakt op 8 februari 2007 door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 9] en [verbalisant 10], respectievelijk brigadier, inspecteur, inspecteur en brigadier van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina’s 90-92).

6 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1229/07-016773, in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 februari 2007 door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11], brigadier van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina 152).

7 Een proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot vuurwapens met nummer PL122L/07-016773, in de wettelijke vorm opgemaakt op 8 maart 2007 door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12], hoofdagent van de regiopolitie Kennemerland (doorgenummerde pagina's 176-177).