Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH3834

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
24-02-2009
Zaaknummer
23-005546-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdens een verkeerscontrole rijdt verdachte met zijn auto met een snelheid van tussen de 60 en 80 kilometer per uur op een politieambtenaar af, die hem een stopteken gaf. Een aanrijding kon slechts worden voorkomen doordat de politieambtenaar op het laatste moment snel opzij sprong. De verdachte heeft verklaard dat hij de politieambtenaar pas in de binnenspiegel van zijn auto, dus nadat hij de politieambtenaar was gepasseerd, heeft gezien. De verdachte heeft gesteld dat hij niet de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had om deze politieambtenaar aan te rijden. Voorts zou de plek waar de desbetreffende politieambtenaar stond onvoldoende verlicht zijn geweest en zou verdachte op de invoegstrook hebben gereden waar het juist de bedoeling is om snelheid te maken. De verdediging verzoekt onder meer vrijspraak en subsidiair heropening van het onderzoek voor een juiste beoordeling van de omstandigheden.

Het hof wijst het verzoek tot nader onderzoek af, omdat het voor de bewezenverklaring niet van belang is in welke mate verdachte de maximum toegestane snelheid nu wel of niet heeft overtreden. De stelling van de raadsman dat de plek waar het slachtoffer stond onvoldoende was verlicht en dat verdachte op de invoegstrook van de snelweg reed, vindt voorts weerlegging in de verklaring van een ter terechtzitting gehoorde getuige.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer eerst heeft gezien in de binnenspiegel van zijn auto ongeloofwaardig. Het hof is van oordeel dat verdachte het slachtoffer heeft gezien en dat verdachte had moeten en ook tijdig had kunnen stoppen toen het slachtoffer hem een stopteken gaf. Door met een snelheid van tussen de 60 tot 80 kilometer per uur op het slachtoffer af te rijden, in aanmerking genomen dat het van algemene bekendheid is dat een handelen als van verdachte de dood van het slachtoffer ten gevolge kan hebben, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer het leven zou laten en was aldus zijn opzet voorwaardelijk op dat gevolg gericht. Dat de kans zich niet heeft gerealiseerd, is uitsluitend het gevolg van het adequate handelen van het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2009/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

rolnummer: 23-005546-07 (promis)

datum uitspraak: 29 januari 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Haarlem van 29 augustus 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15/700401-07 van het openbaar ministerie tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[adres verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 29 augustus 2007 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 21 oktober 2008 en 15 januari 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A. De vaststaande feiten

[naam politieagent] was op vrijdag 18 mei 2007, omstreeks 22.50 uur, als assistent politie medewerker (surveillant van politie) van het Korps Landelijke Politiediensten in uniform gekleed belast met het toezicht en handhaving ten behoeve van een verkeerscontrole nabij de parkeerplaats Den Ruygen Hoek langs de Rijksweg A4 in de gemeente Haarlemmermeer. Hij droeg een wit-oranje parka, voorzien van retroreflecterende strepen en hij had een brandende zaklamp een zogenaamde Maglite met daarop een oranje kegel. Deze zaklamp gaf een fel oranje licht af. [Naam politieagent] zag een Honda Civic CRX vanaf het pompeiland van het benzinestation Shell Kok naderen. Hij hoorde aan het geluid van de motor van die Honda dat dit met hoge snelheid gebeurde. Hij gaf de bestuurder van de Honda een stopteken met zijn zaklamp en wees tegelijkertijd met zijn gestrekte linkerarm in de richting van de bestuurder en vervolgens, van hem af gezien, naar links. [Naam politieagent] zag dat de bestuurder deze aanwijzing niet opvolgde. Hij hoorde dat de bestuurder van de Honda kennelijk gas gaf, hetgeen hij afleidde uit het toenemende motorgeluid van de Honda. Hij zag dat de Honda met toenemende snelheid op hem af reed. Hij moest naar links opzij springen om niet door de Honda te worden geraakt. De tijd tussen het wegspringen en het voorbijrijden van de Honda bedroeg niet meer dan 1 seconde. De afstand tussen hem en de voorbijrijdende Honda bedroeg op het moment van passeren minder dan 50 centimeter.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2009 heeft [naam politieagent] als getuige onder meer verklaard dat hij op de plaats stond die op de foto met een rode stip is gemarkeerd. De getuige heeft voorts verklaard dat, toen verdachte aan kwam rijden, de weg vóór verdachte vrij was en dat naast hem een cabine van de politie was opgesteld, met daarop twee grote ronde halogeenlampen, die de omgeving goed verlichtten. De reeds vóór het benzinestation aangegeven maximum snelheid bedroeg 30 kilometer per uur en was aangegeven door twee borden. De afstand tussen [naam politieagent] en de auto van de verdachte toen deze bij het benzine station stond, bedroeg ongeveer 100 meter.

De verklaring van [naam politieagent] vindt steun in de verklaringen van [getuige 1 en getuige 2] die op voornoemde tijd en plaats dit voorval hebben gezien.

[Getuige 1] hoofdagent bij het korps Landelijke Politiediensten, heeft verklaard dat hij hoorde dat uit de richting van [naam politieagent] een voertuig kennelijk snel optrok. Hij hoorde dat het motorgeluid snel toenam. Hij keek naar [naam politieagent] en zag dat deze met een zogenaamde Maglite, welke brandde en was voorzien van een oranje kegel, een cirkel beschreef, waarbij hij wees in de richting van de controleplaats. Hij zag dat de personenauto in de richting van [naam politieagent] reed. Na het voltooien van de door [naam politieagent]gegeven aanwijzing bevond de auto zich op een afstand van ongeveer 20 meter van [naam politieagent]. Hij schatte de snelheid op 40 kilometer per uur. Hij hoorde dat het motorgeluid van dit voertuig vervolgens opnieuw snel in sterkte toenam en hij zag dat dit voertuig hard in de richting van [naam politieagent] accelereerde. Hij zag dat [naam politieagent] uit de baan van het voertuig sprong. Hij zag dat deze personenauto op een afstand van ongeveer 30 centimeter langs [naam politieagent] reed. De snelheid van het voertuig bij het passeren van [naam politieagent] schatte hij op 80 kilometer per uur.

[Getuige 2], surveillant bij het korps Landelijke Politiediensten, heeft verklaard dat hij een auto hoge toeren hoorde maken. Hij zag dat een Honda met hoge snelheid in de richting van [naam politieagent] reed. Hij zag dat het voertuig zijn snelheid verhoogde naarmate het dichterbij [naam politieagent] kwam. Hij zag dat [naam politieagent met een ontstoken Maglite, voorzien van een oranje kegel, een stopteken gaf, door deze Maglite met gestrekte arm omhoog te brengen en met zijn ander hand het bedoelde voertuig aan te wijzen. Hij bevond zich op ongeveer 15 meter van [naam politieagent]. Hij zag dat het voertuig met hoge en steeds toenemende snelheid recht op [naam politieagent] afreed. Hij zag dat de afstand tussen het voertuig en [naam politieagent] op dat moment ongeveer 20 meter bedroeg. Hij hoorde dat het voertuig kennelijk nog meer gas gaf, omdat hij hoorde dat de motor hoge toeren maakte. Hij zag dat het voertuig accelereerde. Hij zag dat [naam politieagent] opzij sprong. Hij schatte de afstand tussen het voertuig en [naam politieagent] op het moment van opzij springen op ongeveer 1 à 2 meter. Hij zag dat de afstand tussen het voertuig en [naam politieagent] bij het passeren ongeveer 40 centimeter bedroeg. De snelheid van het voertuig schatte hij op 60 kilometer per uur. [Getuige 2] is samen met zijn collega [naam collega] in hun dienstvoertuig, terwijl zij optische en akoestische signalen voerden, achter de Honda aangereden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [getuige 2], die bij de verkeerspolitie werkzaam is, als getuige verklaard dat het begin van de invoegstrook voor de snelweg A4 een eind verder van de plaats waar [naam politieagent] stond is gelegen, waarbij hij op de foto (pagina 5.01) heeft aangegeven, dat de invoegstrook begint voorbij de plaats waar auto’s van de parkeerplaats de weg op kunnen rijden en dat de maximum snelheid van 30 kilometer per uur, zoals was aangegeven met verkeersborden aan het begin van de invoegstrook die leidde naar het benzinestation, nog niet was opgeheven en derhalve nog steeds van kracht was.

De verdachte heeft verklaard dat de Honda, type Civic CRX met het kenteken [kentekennummer] waarin hij reed, van hem is en dat hij en zijn vriend zijn gestopt bij de Shell aan de Rijksweg A4. Toen hij wegreed, zag hij een politieagent op de weg staan. Hij zag dit door zijn witte jas en de rode lamp die hij in zijn hand had. Hij heeft vervolgens gas gegeven en is weggereden in de richting van Den Haag. Hij reed ongeveer 60 kilometer per uur. Hij had net geschakeld naar de derde versnelling. Hij is rechtdoor gereden. Hij is niet gestopt, omdat hij een beetje teveel op had.

[naam passagier van verdachte] heeft verklaard dat hij op 18 mei 2007 te 23.00 uur als passagier in de Honda CRX op de A4 reed in de richting van Den Haag. De bestuurder was [naam verdachte]. Zij reden het tankstation Ruyghenhoek (het hof begrijpt: Ruygenhoek) op en reden later weer weg. Verderop zag hij een politieauto rechts van de weg staan. Op dat moment reden ze naar zijn schatting 60 kilometer per uur. Ze trokken nog steeds op. Toen ze bij de politieauto waren, zag hij een agent op de weg staan. Hij zag dat hij een rode lantaarn in zijn hand had. Hij zag dat deze agent met de rode lantaarn een gebaar maakte om hen van de weg te halen. Op dat moment schatte hij hun snelheid op 80 kilometer per uur. Hij zag dat de agent recht voor de rechter koplamp stond. Hij zag dat de agent een stap opzij deed. Als hij dat niet zou hebben gedaan dan hadden zij de agent vol aangereden. Seried (het hof begrijpt: de verdachte) stuurde nog naar links. Hij vroeg aan Seried: “Wat doe je nou!” en de verdachte zei toen: “Ik zag hem te laat.” Hij zag dat Seried nog meer gas gaf en snel wegreed in de richting van Den Haag. Hij zag politieauto’s achter hen aankomen. Hij zag dat Seried in zijn binnenspiegel keek en dat Seried de politieauto’s ook gezien moet hebben. Toch bleef Seried hard doorrijden. Ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2009 heeft [naam passagier] als getuige verklaard dat hij en Seried, nadat zij van het benzinestation waren vertrokken, met elkaar in gesprek waren. [Naam passagier] heeft verklaard dat hij [naam politieagent] heeft gezien en hem aan zijn kleding en aan een rode lantaarn herkende als een politieagent. Hij zag dat Seried met korte bewegingen nog naar links stuurde en dat zij vlak daarop de politieagent passeerden. Toen de hij aan Seried vroeg: “Wat doe je nou?” en Seried daarop antwoordde: “Ik zag hem te laat”, waren zij Lindemans drie a vier meter gepasseerd.

Op 18 mei 2007 te 22.50 uur zagen [namen verbalisanten], beiden surveillant, allen behorende tot het Korps Landelijke Politiedienst, dat een persoon als bestuurder van een voertuig, merk Honda, type Civic CRX, kleur grijs, dit bestuurde op de openbare weg, de A4 binnen de gemeente Haarlemmermeer. De bestuurder is gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. De ademtest is afgenomen en het resultaat gaf een alcoholindicatie aan boven de wettelijk vastgestelde limiet. [Namen verbalisanten] hebben de bestuurder aangehouden als verdacht van overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. [Namen verbalisanten] roken bij de aanhouding een sterke penetrante alcohollucht, dat afkomstig was van de adem van verdachte.

De verdachte gaf op te zijn genaamd:

[Naam verdachte], geboren te [geboorteplaats, geboortedatum en adres]

[Naam verbalisant] heeft de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2 onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek.

Het resultaat bedroeg 600 ug/I .

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij op 18 mei 2007 als bestuurder van een voertuig, een personenauto, merk Honda, type Civic, kenteken [nummer] dit voertuig heeft bestuurd op de Rijksweg A4, gemeente Haarlemmermeer en dat hij tevoren alcoholhoudende drank had gedronken.

B. Verklaring van verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij dronken was en dat hij de politieagent pas in de binnenspiegel van zijn auto, dus nadat hij [naam politieagent] was gepasseerd, heeft gezien. De verdachte heeft gesteld dat hij niet de opzet had om [naam politieagent] aan te rijden.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de verdachte het hof verzocht er rekening mee te houden dat hij voor de uitoefening van zijn werk afhankelijk is van zijn rijbewijs. De verdachte brengt voor een Chinees restaurant maaltijden rond. De verdachte heeft voorts verzocht om teruggave van zijn auto, die voor hem een grote emotionele waarde heeft.

C. Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht de verklaring van de verdachte dat hij [naam politieagent] eerst heeft gezien in zijn binnenspiegel, derhalve nadat de verdachte [naam politieagent] was gepasseerd, ongeloofwaardig. Gelet op de verklaringen van de getuigen en de verklaring van de verdachte, afgelegd bij de politie, stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat de verdachte [naam politieagent] heeft gezien en dat verdachte door op [naam politieagent] met steeds toenemende snelheid af te rijden zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat hij [naam politieagent] zou aanrijden en [naam politieagent] ten gevolge daarvan zou komen te overlijden. Zij acht het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

D. Standpunt van de verdediging

De raadsman acht de onder 1 ten laste gelegde opzet niet bewezen, ook niet in voorwaardelijke zin, omdat de verdachte [naam politieagent] pas heeft gezien in de binnenspiegel van zijn auto, derhalve nadat verdachte [naam politieagent] was gepasseerd. Voorts heeft de raadsman gesteld dat de plek waar [naam politieagent] stond, onvoldoende was verlicht en dat de verdachte op de invoegstrook van de snelweg reed, waar het de bedoeling is om snelheid te maken. Gelet op het tijdstip, 22.50 uur, hoefde de verdachte bovendien geen overige verkeersdeelnemers te verwachten. De raadsman heeft verzocht de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde vrij te spreken, alsmede de in beslag genomen auto aan verdachte terug te geven. De raadsman heeft subsidiair verzocht het onderzoek te heropenen. De situatie zoals [naam getuige 2] die als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft beschreven, over de verlichting op de plek waar [naam politieagent] stond, over het begin van de invoegstrook van de snelweg en over de wettelijke toegestane snelheid, blijkt niet uit de foto’s in het dossier. Voor een juiste beoordeling van de omstandigheden acht de raadsman nader onderzoek noodzakelijk.

E. Bijzondere overwegingen nopens het bewezen verklaarde

Verzoek tot heropening van het onderzoek

Het hof acht zich voldoende voorgelicht voor het nemen van een beslissing. Nog afgezien van het feit dat het voor de bewezenverklaring niet van belang is in welke mate verdachte de maximum toegestane snelheid nu wel of niet heeft overtreden, vindt de stelling van de raadsman dat de plek waar [naam politieagent] stond onvoldoende was verlicht en dat verdachte op de invoegstrook van de snelweg reed, weerlegging in de verklaring van de getuige [naam getuige 2], afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep.

Snelheid waarmee gereden is

Het hof is van oordeel dat bevestiging voor de juistheid van de schatting van de snelheid volgt uit de inhoud van de hiervoor onder de rubriek de vaststaande feiten ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde genoemde verklaringen.

Opzet, voorwaardelijk opzet

Uit de vaststaande feiten met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde volgt onder meer dat:

- zowel verdachte als zijn medepassagier een politieambtenaar op de weg zag staan en dat de passagier in de auto van verdachte zag dat de politieambtenaar, die toen op een afstand van ongeveer 20 meter van de auto van de verdachte stond, een gebaar maakte om hen van de weg te halen;

- [naam politieagent] duidelijk herkenbare kledij droeg, die was voorzien van retroreflecterende strepen en dat hij een brandende zaklamp, een zogenaamde Maglite, met daarop een oranje kegel in zijn hand had, die een fel oranje licht afgaf, waarmee hij aan verdachte een stopteken gaf;

- de omgeving waar [naam politieagent] stond goed verlicht was;

- de auto van verdachte op dat moment met hoge en steeds toenemende snelheid recht op [naam politieagent] afreed;

- de verdachte heeft getracht met korte stuurbewegingen naar links [naam politieagent] te ontwijken;

- verdachte te veel op had en dat hij, nadat hij het benzinestation had verlaten, met zijn medepassagier in gesprek was;

- verdachte, nadat hij had bemerkt dat hij [naam politieagent] bijna had aangereden, is doorgereden in de richting van Den Haag;

- verdachte op de snelweg hard door is blijven rijden, hoewel hij moet hebben geweten dat hij werd achtervolgd door politieauto’s.

Op grond van deze feiten en omstandigheden en in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte wist dat een politieambtenaar ternauwernood aan een aanrijding met zijn auto was ontsnapt, acht het hof de verklaring van verdachte dat hij [naam politieagent] eerst heeft gezien in de binnenspiegel van zijn auto ongeloofwaardig. Het hof is van oordeel dat verdachte [naam politieagent] heeft gezien en dat verdachte had moeten en ook tijdig had kunnen stoppen toen [naam politieagent] hem een stopteken gaf. Door met een snelheid van tussen de 60 tot 80 kilometer per uur op [naam politieagent] af te rijden, in aanmerking genomen dat het van algemene bekendheid is dat een handelen als van verdachte de dood van [naam politieagent] ten gevolge kan hebben, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [naam politieagent] het leven zou laten en was aldus zijn opzet voorwaardelijk op dat gevolg gericht. Dat de kans zich niet heeft gerealiseerd, is uitsluitend het gevolg van het adequate handelen van [naam politieagent].

Bewezengeachte

Uit het vorenstaande volgt dat het hof wettig en overtuigend bewezen acht dat het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde:

hij op 18 mei 2007 nabij de parkeerplaats van benzinestation “Den Ruygen Hoek”, gemeente Haarlemmermeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam politieagent], werkzaam als ambtenaar van politie, van het leven te beroven, met dat opzet tijdens een verkeerscontrole met een auto, accelererend tot een snelheid van ongeveer 60 tot 80 km per uur, op die [naam politieagent] is afgereden, waardoor die [naam politieagent] opzij moest springen teneinde te voorkomen dat hij werd aangereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

hij op 18 mei 2007 op de Rijksweg A4, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig, een personenauto, merk Honda, type Civic, kenteken [kentekennummer], dit voertuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 600 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezengeachte:

poging tot doodslag.

Ten aanzien van het onder 2 bewezengeachte:

overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank te Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 102 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te bestuderen voor de tijd van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Tevens heeft de rechtbank de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam politieagent] geleden van € 812,38 toegewezen en de verdachte tevens veroordeeld in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil en de ten behoeve van de tenuitvoerlegging door deze alsnog te maken kosten. De rechtbank heeft voorts aan verdachte de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 812,38 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen. Ten slotte heeft de rechtbank de aan verdachte toebehorende personenauto, kenteken SH-TN-90, Honda CRX, kleur grijs en het kentekenbewijs deel 1 verbeurd verklaard.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen waarvan 138 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen auto, Honda, type Civiv CRX, kenteken [kentekennummer], en het kentekenbewijs deel I, kenteken [kentekennummer]. Voorts heeft de advocaat-generaal toewijzing gevorderd van de vordering van € 812,38 van de benadeelde partij [naam politieagent] en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair 16 dagen vervangende hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft getracht [naam politieagent], die als assistent politiemedewerker met een verkeerscontrole was belast, van het leven te beroven. De verdachte is, nadat [naam politieagent] hem een stopteken had gegeven, met zijn auto met een snelheid van tussen de 60 en 80 kilometer per uur op [naam politieagent] afgereden. Door adequaat te handelen wist [naam politieagent] te voorkomen dat hij als gevolg van het handelen van verdachte zou worden aangereden. Door aldus te handelen heeft verdachte het leven van [naam politieagent] ernstig in gevaar gebracht. De verdachte heeft zich daarbij geen reken¬schap gegeven van de traumatische gevolgen voor [naam politieagent] van zijn handelen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan - kort gezegd - het besturen van een auto op de Rijksweg A4 onder in¬vloed van alcoholhoudende drank. Het alcoholgehalte van zijn adem was 600 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. Door aldus te handelen heeft verdachte de verkeersvei¬ligheid in gevaar gebracht.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 22 december 2008 is de verdachte in het recente verleden eerder voor overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld, doch heeft deze veroordeling hem kennelijk niet kunnen overtuigen van de strafwaardigheid van zijn handelen.

Bij deze stand van zaken en mede gelet op het belang van de bescherming van de politie bij het verrichten van de haar opgedragen taak en op de duur van gevangenisstraffen die het hof in vergelijkbare gevallen als het onder 1 bewezen verklaarde pleegt op te leggen, doet de in eerste aanleg opgelegde gevange¬nisstraf onvoldoen¬de recht aan de ernst daarvan en is het hof, met eenparigheid van stemmen, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen gerechtvaardigd is.

Voor het onder 2 bewezen verklaarde feit acht het hof een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 12 maanden in beginsel passend en geboden.

De verdachte heeft na zijn detentie werk gevonden als maaltijdbezorger voor een Chinees restaurant. Hij woont thuis en heeft een netto inkomen, exclusief fooien van rond

€ 1.200,- per maand. De verdachte stelt dat hij geen alcoholhoudende drank meer drinkt en dat hij zijn lesje nu wel heeft geleerd.

De verdachte heeft 102 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Het hof is – met de advocaat-generaal - van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden is weergegeven, en voorts in aanmerking genomen dat na het plegen van het bewezen verklaarde ten laste van verdachte geen andere strafbare feiten bekend zijn geworden, het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf niet langer moet zijn dan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis. Voorts dient een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm te worden opgelegd om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan dergelijke misdrijven.

Het hof ziet voorts aanleiding te bepalen dat een gedeelte van vier maanden van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voorwaardelijk niet ten uitvoer behoeft te worden gelegd. Voor een geheel voorwaardelijke ontzegging is geen plaats, gelet op de hiervoor genoemde eerdere veroordeling van verdachte.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen, waarvan 138 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, naast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden is.

Verbeurdverklaring Honda Civic.

De in beslag genomen aan de verdachte toebehorende auto, merk Honda, type Civic CRX, kleur grijs, met behulp waarvan het onder 1 bewezen verklaarde is begaan, dient te worden verbeurd verklaard.

Het hof zal de teruggave gelasten van het kentekenbewijs deel I (kenteken [kentekennummer]) aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer, aangezien het kentekenbewijs deel I Rijkseigendom is.

Vordering van de benadeelde partij [naam politieagent]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade van € 812,38 als gevolg van het aan verdachte onder 1 primair bewezen verklaarde.

De vordering is in eerste aanleg toegewezen. De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist, daartoe stellende dat hij niet de opzet heeft gehad om [naam politieagent] aan te rijden.

Voldoende is in dit geding aangetoond dat de benadeelde partij materiële en immateriële schade heeft geleden en dat die schade het recht¬streeks ge¬volg is geweest van het onder 1 bewezenver¬klaarde. Met betrek¬king tot de immate¬riële schade is het hof van oor¬deel dat deze op € 500,-- ge¬steld kan worden. De kosten van rechtsbijstand ad € 312,38 zijn eveneens toewijs¬baar. De vordering van in totaal € 812,38 kan als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken worden toege¬we¬zen.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van € 812,38 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 240 (tweehonderd en veertig) dagen.

Beveelt dat een op 138 (honderdachtendertig) bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op TWEE JAREN.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 jaren.

Verklaart verbeurd 1 personenauto, merk Honda, type Civic CRX, kleur grijs met het kenteken [kentekennummer].

Gelast de teruggave aan de Rijksdienst voor het Wegverkeer van het kentekenbewijs deel I (kenteken [kentekennummer]).

Wijst de vordering van € 812,38 van de benadeelde partij [naam politieagent] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag aan [naam politieagent] op rekeningnummer [nummer] ten name van KLPD/431.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 812,38.

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 16 (zestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. J.P. Splint, W.M.C. Tilleman en N.F. van Manen in tegenwoordigheid van R.A.M. Truijens als griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 januari 2009.