Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH2788

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-02-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
05/00392
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Douanekamer acht buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 508, lid 3, van het UCDW aanwezig. Nu er geen sprake is van kennelijke nalatigheid wordt het verzoek om de vergunning passieve veredeling tot een jaar voor de aanvraag te laten terugwerken, ingewilligd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

DOUANEKAMER

Uitspraak

in de zaak nr. 05/392 DK

de dato 3 februari 2009

1. De procedure

1.1. Op 25 januari 2005 is door L.E.C. Kanters van KPMG Trade & Customs

bij de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam (hierna: Douanekamer) een beroepschrift ingediend namens de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A], belanghebbende. Het beroep heeft betrekking op de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Douane Zuid (hierna: de inspecteur) van 29 december 2004, nr. […], waarbij het bezwaar van belanghebbende tegen de afwijzing van haar verzoek tot het afgeven van een vergunning passieve veredeling met terugwerkende kracht tot 17 januari 2002, ongegrond werd verklaard.

1.2. Van belanghebbende is door de griffier een griffierecht van € 273,-- geheven. Het beroepschrift is bij brief van 18 april 2005 nader gemotiveerd. De inspecteur heeft het beroepschrift bij verweerschrift bestreden.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2008. Namens

belanghebbende zijn verschenen mr. A. Wolkers en mr. E.H. Mennes. Namens de inspecteur zijn verschenen [C en D]. Partijen hebben ieder een pleitnota voorgelegd en voorgelezen. De Douanekamer rekent de pleitnota’s tot de gedingstukken.

2. De vaststaande feiten

2.1. Belanghebbende verkoopt elektronische mechanische producten, zoals elementen voor centrale verwarming en delen voor artikelen voor gezelschapsspelen. Zij koopt onderdelen in bij leveranciers, hoofdzakelijk gevestigd in de Europese Gemeenschap en brengt deze over naar met haar verbonden fabrikanten in Hongarije en Slowakije - destijds geen leden van de Gemeenschap – waar deze producten worden geassembleerd tot eerder genoemde eindproducten.

2.2. Aan [B] is op 14 oktober 2001 surséance van betaling verleend. Het bedrijf is nadien failliet verklaard. Belanghebbende, opgericht op 1 november 2001, heeft de onderneming met een ingekrompen personeelsbestand voortgezet.

2.3. Op 4 november 2002 is bij de inspecteur telefonisch een doorlopende

vergunning passieve veredeling aangevraagd. Een schriftelijke aanvraag is,

vanwege ziekte van de binnen de onderneming met douanetaken belaste persoon, eerst bij brief van 14 januari 2003 ingediend, waarbij verzocht is de vergunning met ingang van 17 januari 2003 te doen ingaan. Op 6 juni 2003 is de vergunning afgegeven onder nummer […]. In de vergunning is bepaald dat zij in werking treedt met ingang van 9 juni 2003.

2.4. Bij brief van 4 mei 2004 heeft belanghebbende gevraagd alsnog de eerder verzochte ingangsdatum van 17 januari 2003 aan te houden. Bij brief van de inspecteur van 1 juni 2004 is de vergunning in die zin aangepast.

2.5. Bij brief van 26 mei 2004 heeft belanghebbende verzocht de vergunning, met toepassing van artikel 508, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 (hierna: UCDW) terugwerkende kracht te verlenen tot een jaar voor de indiening van de aanvraag.

2.6. Bij beschikking van 6 augustus 2004, nr. 568/405263, heeft de inspecteur het verzoek afgewezen.

3. Het geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur het sub 2.5. bedoelde verzoek terecht heeft afgewezen.

4. Het standpunt van belanghebbende

4.1. In casu is sprake van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 508, lid 3, UCDW. Uit de door de Commissie gepubliceerde ‘Aanwijzingen”, Pb. C-269/01 van 24 september 2001, blijkt dat het verlies van een afnemer door zijn faillissement is te beschouwen als een bijzondere omstandigheid. Het ligt dan voor de hand dat het verlies van een afnemer door het faillissement van de verkoper/importeur ook als bijzondere omstandigheid wordt aangemerkt. Beide situaties leiden tot hetzelfde resultaat: geen afzetmogelijkheid binnen de Europese Gemeenschap. Om die reden is niet eerder een vergunning passieve veredeling aangevraagd; zolang niet vaststaat dat de goederen, na assemblage in Hongarije of Slowakije, teruggebracht zullen worden naar de Gemeenschap.

moeten zij worden aangegeven voor de douaneregeling ‘uitvoer’.

4.2. In de loop van 2002 bleek dat de oude klanten van [B] weer orders plaatsten. Pas toen kon een vergunning passieve veredeling worden aangevraagd. Voorafgaand aan de uitvoer van de onderdelen kon dat niet, omdat toen onzeker was of het eindproduct kon worden afgezet in de Gemeenschap.

4.3. De inspecteur stelt ten onrechte dat alleen sprake kan zijn van buitengewone omstandigheden indien het gaat om omstandigheden die van buiten de onderneming komen, niet door de onderneming te beïnvloeden zijn, en indien de situatie vreemd is in het leven dat een onderneming kan doormaken. De voorbeelden in de ‘Aanwijzigen’ wijzen in een andere richting.

4.4. Van bedrog of kennelijke nalatigheid is geen sprake. Er is geheel volgens de regels gehandeld.

5. Het standpunt van de inspecteur

5.1.Op 1 juni 2004 is een vergunning passieve veredeling afgegeven, waarin de door belanghebbende gevraagde datum van ingang 17 januari 2003 is vermeld. Tegen deze aangepaste vergunning zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze onherroepelijk is komen vast te staan. Het verzoek van 26 mei 2004 waarin een (nog) eerdere ingangsdatum werd genoemd, doet daaraan niet af. Er is ook geen sprake van een nieuwe of herhaalde aanvraag.

5.2. Het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ dient restrictief te worden uitgelegd. Het is geen spijtoptantenvoorziening. Uit de jurisprudentie en uit de ‘Aanwijzingen’ blijkt dat het moet gaan om van buiten komende omstandigheden die niet door de onderneming te beïnvloeden zijn, en vreemd zijn aan het leven dat een onderneming kan doormaken. De aangevoerde omstandigheden voldoen daaraan niet. Ze houden alle verband met de specifieke problemen van de onderneming zelf.

5.3. Belanghebbende mag worden geacht te beschikken over expertise op douanegebied. Zij had aanvankelijk een douanefunctie in haar bedrijf ondergebracht, liet zich adviseren door douaneagenten en belastingadviseurs, gespecialiseerd in douanezaken, en had ervaring met het laten indienen van in- en uitvoeraangiften.

De regeling passieve veredeling mag inhoudelijk ingewikkeld zijn, de aanvraag is dat niet.

Belanghebbende heeft onvoldoende zorgvuldigheid betracht door pas op 26 mei 2004, toen de toetreding van Slowakije en Hongarije tot de Gemeenschap

al een feit was, haar verzoek om terugwerkende kracht tot een jaar voor de indiening van de aanvraag te doen.

De conclusie is dat belanghebbende bij de aanvraag kennelijk nalatig is geweest.

6. De rechtsoverwegingen

6.1. De Douanekamer acht aannemelijk dat de na de ‘doorstart‘ bestaande onzekerheid of de afnemers van het gefailleerde bedrijf [B] bereid zouden zijn om het afnemen van geassembleerde producten voort te zetten, het handelen van belanghebbende, waaronder het uitstel van de aanvraag van een vergunning passieve veredeling, mede hebben bepaald. De Douanekamer acht die omstandigheden van dien aard, dat zij voor de toepassing van artikel 508, lid 3, van de Uitvoeringsverordening CDW als ‘buitengewoon’ hebben te gelden.

6.2. De Douanekamer is in aansluiting daarop van oordeel dat, indien onder dergelijke omstandigheden de aanvraag voor de vergunning voorshands achterwege blijft, niet van ‘kennelijke nalatigheid’ in de zin van genoemd artikel 508, lid 3, UCDW kan worden gesproken. Dat ook aan de overige voorwaarden van deze bepaling, zoals met name de aanwezigheid van een economische behoefte en de afwezigheid van pogingen tot bedrog, is voldaan, is tussen partijen niet in geschil.

6.3. Nu aan de voorwaarden van artikel 508, lid 3, UCDW is voldaan dient het verzoek van belanghebbende, de vergunning te doen terugwerken tot een jaar voordat de aanvraag werd ingediend, alsnog te worden ingewilligd.

6.4. In het midden kan blijven of de vergunning met de aanvankelijke ingangsdatum inmiddels formele rechtskracht had gekregen. Artikel 508, lid 3, bevat geen procedurele belemmeringen om het in die bepaling toegekende recht in te roepen bij een later verzoek met een gewijzigde ingangsdatum, waarmee dat recht kan worden gerealiseerd.

6.5. Het beroep is gegrond.

7. De proceskosten

De Douanekamer acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, welke met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op 2 (beroep, verschijnen ter zitting) x 1,5 (gewicht van de zaak) x 322 = € 966.

8.De beslissing

De Douanekamer:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak en de beschikking van 6 augustus 2004;

- bepaalt dat de vergunning […] terugwerkt tot een jaar voordat

de vergunning is aangevraagd, te weten tot 17 januari 2002;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een

bedrag groot € 966;

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de

behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 273,--,

en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die dat griffie-

recht moet vergoeden.

Aldus vastgesteld op 3 februari 2009 door mrs. F.H.M. Possen, voorzitter, en

A. Bijlsma en K. Kooijman, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Beroep in cassatie

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.