Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH2786

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
13-02-2009
Zaaknummer
07/00157 t/m 07/00161
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanhebbende is taxi-ondernemer. Belanghebbendes kilometeradministratie kende de volgende gebreken: (1) het nullen van de taxameter, (2) het niet volledig invullen van de (vakken op de) rittenstaten en (3) het niet-specificeren van de niet-productieve kilometers. Met deze Km-adm. heeft belanghebbende niet doen blijken dat er minder dan 1000 km privé met de taxi is gereden. Niet gesteld is dat bij belanghebbende sprake was van een ingebouwde kilometertelleronderbreker (KTO).

Bij belanghebbende is BPM nageheven en IB, ZFW en WAZ nagevorderd.

Op de eenheid van de inspectie bestond in situaties als die van belanghebbende een gedragslijn om geen BPM na te heffen en om geen IB, ZFW en WAZ na te vorderen. De aanslagen zijn derhalve in strijd met de ABvBB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2009/25.8 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0364
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 07/00157, 07/00158, 07/00159, 07/00160, 07/00161

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

- de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur.

tegen de uitspraken in de zaken met de kenmerknummers AWB 05/5398, 05/5399, 05/5400, 05/5402 en 05/5403 van de rechtbank Haarlem van 14 februari 2007 in het geding tussen

de inspecteur

en

- [X],

wonende te [Y],

belanghebbende,

gemachtigde M. Harman-van Westrhenen,

- Coöperatieve Vereniging [Z]

gevestigd te [P],

Taxi Z,

gemachtigde M. Harman-Van Westrhenen,

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Met betrekking tot de omzetbelasting (07/00157)

De inspecteur heeft met dagtekening 25 juni 2004 aan Taxi Z over het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 (verder ook: het OB-naheffingstijdvak) een naheffingsaanslag opgelegd in de omzetbelasting (verder ook naheffingsaanslag OB) van € 2.319 en bij beschikking een boete opgelegd van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x € 2.319 =) € 1.159.

Naar daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 14 oktober 2005 de naheffingsaanslag OB gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 20 februari 2007, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.2. Met betrekking tot de inkomstenbelasting 1999 (07/00158)

De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2004 aan belanghebbende voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (verder ook navorderingsaanslag IB 99), berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 12.829 (bedrag van de aanslag ƒ 946), en bij beschikking een boete opgelegd van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x ƒ 946 =) ƒ 473.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 oktober 2005, de navorderingsaanslag IB99 gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 19 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.3. Met betrekking tot de premie Ziekenfondswet 2000 (07/00159)

De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet opgelegd (verder ook navorderingsaanslag ZFW 2000), berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.232 (bedrag van de aanslag ƒ 1.638), en bij beschikking een boete opgelegd van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x ƒ 1.638 =) ƒ 819.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 oktober 2005, de navorderingsaanslag ZFW 2000 gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 19 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.4. Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2000 (07/00159)

De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (verder ook navorderingsaanslag IB 2000), berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.232 (bedrag van de aanslag ƒ 4.566), en bij beschikking een boete opgelegd van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x ƒ 4.566 =) ƒ 2.283.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, van 5 oktober 2005, de navorderingsaanslag IB 2000 gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 19 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.5. Met betrekking tot de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2000 (07/00160)

De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd (verder ook navorderingsaanslag WAZ 2000), berekend naar een vastgesteld premie-inkomen van ƒ 37.788 (bedrag van de aanslag ƒ 773), en bij beschikking een boete opgelegd van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x ƒ 773 =) ƒ 386.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 oktober 2005, de navorderingsaanslag WAZ 2000 gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 19 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.6. Met betrekking tot de inkomstenbelasting 2001 (07/00161)

De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (verder ook navorderingsaanslag IB 2001), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.780 (bedrag van de aanslag € 1.313), en bij beschikking een boete opgelegd van € 666.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 5 oktober 2005, de navorderingsaanslag IB 2001 gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 19 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.7. Met betrekking tot de premie Ziekenfondswet 2001 07/00161)

De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet opgelegd (verder ook navorderingsaanslag ZFW 2001), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.780 (bedrag van de aanslag € 382), en bij beschikking een boete opgelegd van 50% van het bedrag van de aanslag, zijnde (50% x € 382 =) € 191.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, van –naar het Hof begrijpt- 5 oktober 2005, de navorderingsaanslag ZFW 2001 gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 19 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.8. Met betrekking tot de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2001 (07/00161)

De inspecteur heeft met dagtekening 23 april 2004 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen opgelegd (verder ook navorderingsaanslag WAZ 2001), berekend naar een vastgesteld premie-inkomen van € 17.441 (bedrag van de aanslag € 376), en bij beschikking een boete opgelegd van € 211.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, van 5 oktober 2005, de navorderingsaanslag WAZ 2001 gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.

Bij uitspraak van 14 februari 2007, verzonden op 19 februari 2007, heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag en de boetebeschikking vernietigd.

1.9. Met betrekking tot het hoger beroep

Tegen bovenstaande uitspraken heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij beroepschrift van 28 maart 2007, bij het Hof ingekomen op (datumstempel) 27 maart 2007, en aangevuld bij brieven van 10 april 2007.

De gemachtigde van belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

Ter zitting zijn gelijktijdig behandeld: de zaken 07/00157 (OB), 07/00158 (IB 1999), 07/00159 (IB en ZFW 2000), 07/00160 (WAZ 2000) en 07/00161 (IB, ZFW en WAZ 2001).

Na afloop van het onderzoek ter zitting heeft het Hof besloten C als getuige op te roepen. Bij brief van 23 juli 2008 heeft het Hof partijen hierover bericht. Het getuigenverhoor heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 10 september 2008. Het proces-verbaal van getuigenverhoor is bij brieven van 12 september 2008 naar partijen gestuurd. Van het overigens ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

Het Hof stelt de feiten vast zoals hierna opgenomen.

2.1.1. Belanghebbende is werkzaam als taxichauffeur in de regio Amsterdam. In de periode 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001 exploiteerde hij tezamen met zijn broer K. Wiesehahn (hierna ook: zijn broer) een taxibedrijf onder de naam [Taxi Z].

Voor hun werkzaamheden maakten belanghebbende en zijn broer in de periode 28 mei 1999 tot en met 27 mei 2001 (afwisselend) gebruik van dezelfde auto, te weten een Mercedes, met kenteken [aaa] (verder: de taxi). Het kenteken van de taxi stond op naam van belanghebbende. De cataloguswaarde van de taxi was ƒ 101.696.

2.1.2. Met betrekking tot de inkomstenbelasting heeft belanghebbende in zijn aangiften IB voor de jaren 1999 tot en met 2001 geen bijtelling privégebruik auto aangegeven.

2.1.3. Met betrekking tot de omzetbelasting heeft [Taxi Z] niet jaarlijks ter zake van privégebruik van de taxi de zogenoemde 12%-heffing als bedoeld in de laatste volzin van artikel 15, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (verder Uitvoeringsbeschikking OB) voldaan.

2.1.4. Op 22 september 2003 heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld naar de aan belanghebbende toegekende teruggaven BPM over de periode 28 mei 1999 tot en met 27 mei 2001. In het onderzoek is de heffing van IB, OB en de premieafdracht ingevolge de ZFW en de WAZ betrokken, voor wat betreft het privégebruik van de taxi.

Bij de controle zijn de volgende bescheiden overgelegd:

- de rittenkaarten van belanghebbende van 1 juni 1999 tot en met 31 december 2001;

- de rittenkaarten van de broer van 1 juni 1999 tot en met 31 augustus 2000 en van 21 september 2000 tot en met 24 augustus 2001;

- de werkmappen van belanghebbende van 19 april 1999 tot en met 14 mei 2000 en van 15 mei 2000 tot en met 1 juli 2001;

- facturen gericht aan belanghebbende;

- maandlijsten van belanghebbende over 1999, 2000,2001;

- bankafschriften van belanghebbende over 1999, 2000, 2001;

- kasboek van belanghebbende over 1999, 2000, 2001, en

- de maandlijst van september 2000 van de broer.

In het rapport van het boekenonderzoek van 9 maart 2004 staat - onder meer - het volgende:

“2.3 Niet ter inzage verstrekte administratie

De volgende bescheiden zijn niet overgelegd.

- Werkmappen van [de broer]

- Rittenkaarten van [de broer]: 01-09-2000 t/m 20-9-2000

- Gegevens van de taxameter

- Ritten op rekening declaraties

3 Kilometeradministratie

3.1. Algemeen

De kilometeradministratie van de auto bestaat uit de rittenkaarten van de betreffende chauffeurs. Hierop wordt in de vakjes totale km per dienst de stand van de kilometerteller van de auto opgenomen. Als de kaarten van de chauffeurs op datum worden gelegd, moet er in samenhang met een vastgelegde begin- en eindstand een sluitende kilometeradministratie ontstaan.

Belastingplichtige vult zijn rittenkaart als volgt in:

Km.totaal Km.bezet Ritten Oprijsom

Einde dienst Kmteller

Aanvang dienst Kmteller _

Verschil Dagteller Taxameter Taxameter Taxameter

De overige kilometers (naar de garage en dergelijke) worden ten onrechte niet apart geadministreerd maar zijn opgenomen in de totale kilometers van de rittenkaart van die dag.

3.2 Aansluiting

Ondanks dat geen juiste en controleerbare kilometeradministratie wordt bijgehouden is beoordeeld of hetgeen wel aanwezig is gebreken vertoon[t].

Bij het beoordelen van de kilometeradministratie is geconstateerd dat de aansluiting beginstand - verreden kilometers - eindstand niet juist is. Dit betreft de dagdienst op 9-8-2000. Die dienst wordt begonnen met een kilometerstand van 76.095, er wordt in totaal 261 kilometer gereden en de eindstand is 76.336. De volgende dienst (avonddienst 9-8-2000) wordt begonnen met een stand van 76.336. Het aantal verreden (bezette en onbezette) kilometers per rit wordt niet bijgehouden. Ervan uitgaande dat, zoals verklaard door [belanghebbende], op de rittenkaart de kilometerstand van de auto wordt overgenomen, kan worden geconcludeerd dat het totaal aantal verreden kilometers die dag niet juist op de rittenkaart is overgenomen. Het is niet duidelijk waardoor het verschil wordt veroorzaakt.

Tevens is waargenomen dat bij de dienst van 3-4-2000 het aantal bezette kilometers groter is dan het totaal aantal kilometers dat die dag verreden is. Dit is feitelijk onmogelijk. Op de rittenkaart van die dag zijn slechts 6 van de 11 ritten gespecificeerd, wordt geen tijd aankomst rit bijgehouden en worden de verreden (bezette en onbezette) kilometers per rit niet vermel[d].

3.3 Niet verantwoorde ritten c.q. kilometers

Ondanks dat geen juiste en controleerbare kilometeradministratie wordt bijgehouden hebben wij de bij ons aanwezige renseignementen geprobeerd terug te zoeken in de (kilometer)administratie.

Waarnemingen:

Op 21 juni 1999 ziet een belastingdienstmedewerker op de Dam om 15.20 uur 3 personen in de auto met het kenteken [aaa] stappen. Volgens de aanwezige administratie is er op 21 juni 1999 niet met de auto met het kenteken [aaa] gereden. De rittenkaart van 19 juni heeft als stand einde dienst 4.247 en op 22 juni wordt weer met deze stand gestart. Het is niet duidelijk wat voor rit dit is geweest en de verreden kilometers zijn niet terug te vinden in de administratie.

Op 15 februari 2000 wordt er, volgens een in de administratie aanwezige beschikking van het CJIB, met de auto met kenteken [aaa] uni 00.39 uur een verkeersovertreding begaan. Op 12 februari is de kilometerstand einde dienst 46.499. De avonddienst van 15 februari wordt om 19.53 uur met deze stand begonnen. De auto rijdt dus rond op het moment dat deze volgens de administratie stilstaat. Het is niet duidelijk wat voor rit dit is geweest en de verreden kilometers zijn niet terug te vinden in de administratie.

3.4 Conclusie ten aanzien van de kilometeradministratie

Op grond van de volgende punten is er geen sprake van een juiste en controleerbare kilometeradministratie;

- De auto rijdt daadwerkelijk rond op momenten dat er volgens de aanwezige administratie niet gereden is. Er kan op deze momenten met of zonder ingeschakelde taxameter gereden zijn.

- De aansluiting van de kilometeradministratie is niet juist zonder dat hiervoor een verklaring is.

4 Overige administratie

4.1 Taxameter

4.1.1 Vastlegging van ritten in de taxameter

De taxameter is een geijkte, op grond van de Wet personenvervoer voorgeschreven meter waarmee wordt bijgehouden wat de ritopbrengsten van de taxi zijn. De taxameter is een gegevensdrager in de zin van art. 47 AWR.

De gegevens van de taxameter zijn de basis van de administratie en dienen te worden bewaard en desgevraagd aan de inspecteur verstrekt te worden.

In de aankondigingsbrief betreffende het boekenonderzoek zijn de gegevens van de taxameter opgevraagd en ook tijdens het gesprek van 8 oktober 2002 is nogmaals het belang van het overleggen van deze gegevens benadrukt.

Omdat de gegevens van de taxameter niet worden bewaard (en/of aan de inspecteur verstrekt) kunnen deze niet vergeleken worden met de gegevens van de rittenkaarten.

Door het indrukken van een knop op de taxameter wordt het display geschoond en is de dagomzet niet meer oproepbaar. Het "nullen" van de taxameter is gelijk aan het vernietigen van een primaire administratie, hetgeen in strijd is met art. 52 lid 1, 4, 5 en lid 6 AWR (bewaarplicht en de controleerbaarheid van de administratie).In de taxameter worden de gegevens weggeschreven en vastgelegd op een elektronische gegevensdrager. Deze gegevens kunnen kort- en langdurig worden bewaard. Indien er voor wordt gekozen de taxameter zo te programmeren dat de gegevens niet in het geheugen bewaard blijven, moeten de verreden ritten per dienst uitgeprint worden. Hiervoor dient dan wel een printer te worden aangeschaft.

Het vermelden van de ritten op de rittenkaart heeft niet tot gevolg dat de basisgegeven mogen worden vernietigd. Dit is namelijk geen conversie in de zin van art. 52 lid 5 AWR. Omdat de gegevens van de taxameter niet worden bewaard en/of geprint kunnen deze niet worden vergeleken met de gegevens van de rittenkaarten.

4.2 Rittenkaarten

4.2.1 Algemeen

(…)

4.2.2 Aantal rittenkaarten ontbreken

Tijdens het onderzoek is [g]ebleken dat er een aantal rittenkaarten van [de broer] ontbreken. Het gaat daarbij om de rittenkaarten van 1 tot en met 20 september 2000.

4.2.3 Opsomming van gebreken bij het invullen van de rittenkaarten

Tijdens het ingestelde onderzoek is geconstateerd dat de rittenkaarten niet juist worden ingevuld. Dit blijkt uit het volgende:

De volgende vakken zijn niet, dan wel niet altijd, ingevuld,

Vóór 1 januari 2000;

- Km-bezet: aanvang en einde dienst

- Ritten: aanvang en einde dienst

- Oprijsom: aanvang en einde dienst

- Vertrektijd per rit

Vanaf 1 januari 2000;

- tijdstip vertrek en aankomst per rit

- afstand van het vervoer per rit in beladen en onbeladen staat

- kenteken van de auto

4.3 Werkmappen

(…)

4.4 Ritten op rekening

Voor de Taxicentrale Amsterdam worden ook ritten op rekening gereden. Deze ritten worden maandelijks via een zogenaamde declaratielijst bij de taxicentrale gedeclareerd. Een doorslag van dit declaratieformulier is bestemd voor de administratie van de vervoerder.

Tot op heden zijn geen declaraties overgelegd terwijl in de gecontroleerde periode wel ritten op rekening zijn gereden. Doordat geen declaraties zijn overgelegd kan niet gecontroleerd worden of alle gedeclareerde kilometers ook in de kilometeradministratie zijn verantwoord.

4.5 Conclusie ten aanzien van de overige administratie

Op grond van de volgende punten voldoet ook de overige administratie niet aan de eisen zoals vermel[d] in artikel 52 van de AWR.

- Ten aanzien van de taxameter is er niet voldaan aan de bewaarplicht.

- De rittenkaarten zijn niet of niet volledig ingevuld.

- De werkmappen zijn niet op de voorgeschreven wijze ingevuld.

- De ritten op rekening declaraties zijn niet bewaard dan wel niet overgelegd.

Door deze gebreken is de controle op de juistheid en volledigheid van de overige administratie onmogelijk geworden.

5 Chikwadraattoets

(…)

5.2 Conclusie ten aanzien van de chikwadraattoets

Gezien de uitkomst van 32,5 wijken de vermeld[…]e totale kilometers op de rittenkaarten systematisch af in de verdeling van de cijfers zonder dat daar een logische verklaring voor is, anders dan dat de cijfers zeer waarschijnlijk zijn gefingeerd dan wel gedeeltelijk gefingeerd.”

Op basis van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft de inspecteur de onderhavige belastingaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd. Daarnaast is een naheffingsaanslag BPM opgelegd.

2.1.5. Tegen deze aanslagen heeft belanghebbende bezwaar aangetekend. Bij uitspraak op de bezwaren heeft de inspecteur de naheffingsaanslag BPM vernietigd en de overige belastingaanslagen gehandhaafd. Alle boetebeschikkingen zijn vernietigd.

2.1.6. Tot de gedingstukken behoort een brief van 12 april 2000 van de Belastingdienst Ondernemingen Amsterdam 1 aan R.O. Hensen. De brief is ondertekend door R.l. Rohling en C. De brief bevat onder meer het volgende:

“Aangezien u bent ingetreden als vennoot in een Taxi-vennootschap, treft u hierbij aan een beperkt overzicht van de administratieve verplichtingen zoals u die ten opzichte van de fiscus heeft.

(…)

Boekhoudverplichting en bewaarplicht;

Volgens artikel 52 lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna AWR), is een ieder die een bedrijf uitoefen[t] gehouden van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere informatiedragers (de taxameter) op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen alsmede voor de heffing van belasting overige van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Deze gegevens dienen op grond van artikel 52 lid 4 AWR 7 jaar bewaard te blijven.

Belasting op Personenauto’s en Motorrijwielen

Op grond van de wet Belasting op Personenauto’s en Motorrijwielen wordt er een teruggaaf verleend wanneer de auto nagenoeg geheel als taxi is gebruikt. De kilometeradministratie dient dit aan te tonen. De kilometeradministratie van de taxi dient een sluitende te zijn, hiervoor kan o.a. de rittenstaat gebruikt worden. Met behulp hiervan wordt dan het zakelijke en privé gebruik zichtbaar gemaakt.

(…)

Taxameter;

De taxameter is een gegevensdrager in de zin van artikel 47 AWR. De gegevens van de taxameter zijn de basis van de administratie en dienen te worden bewaard. Door het indrukken van een knop op de taxameter wordt het display geschoond en is de dagomzet niet meer op de display oproepbaar. Het “nullen” van de taxameter is gelijk aan het vernietigen van een primaire administratie die op gespannen voet staat met artikel 52 en artikel 6 AWR (bewaarplicht en controleerbaarheid van de administratie). Als een kladboekhouding wordt overgeschreven in het net, mag het klad ook niet worden weggegooid. Dit is namelijk geen conversie in de zin van artikel 52 lid 5 AWR.

Als er wordt genuld is de primaire administratie verdwenen en zijn de in het geheugen vastgelegde gegevens de primaire vastlegging geworden. Dit geheugen (voor zover aanwezig) kan afhankelijk van het type taxameter zichtbaar gemaakt worden. Wanneer belastingplichtige er voor kiest het geheugen niet te printen dienen de rittenstaten volledig te worden ingevuld. Volledig in de zin van opeenvolgend door het cumuleren van de totaalkilometers (van de kilometerteller), de kilometers bezet, de ritten aantallen en de oprijsommen van de taxameter.

Rittenstaten;

De rittenstaat en het werkboekje zijn primaire vastleggingen (de eerste vastlegging na de taxameter) en dienen volledig en zonder voorbehoud, ingevuld te worden.

Wanneer u dit niet doet kan dit tot gevolg hebben dat er bij een kontrole omkering van de bewijslast plaatsvindt.

(…)

Waarnemingen Ter Plaatse;

Ten slotte wil ik u er van op de hoogte brengen dat op diverse locaties en/of tijdstippen steeksproefsgewijs, zichtwaarnemingen of onaangekondigde onderzoeken kunnen worden ingesteld waarbij onder andere de kilometerstand van de auto zal worden opgenomen.”

2.1.7. Tot de gedingstukken behoort een brief van 6 juli 2001 van de Belastingdienst Ondernemingen Amsterdam 1, gericht aan [Taxi Z]’ per adres de broer van belanghebbende, houdende een ‘Verslag waarneming ter plaatse’. In dit verslag is onder meer het volgende vermeld:

“Onlangs is uw taxi in het kader van een ‘waarneming ter plaatse’ aan een kort onderzoek onderworpen.

(…)

Ik heb u verzocht de rittenstaat te tonen. Deze rittenstaat is vergeleken met de stand van de aanwezige taxameter. Hierbij zijn geen verschillen geconstateerd.

Ik wijs u erop dat het juist en volledig invullen van de rittenstaat en het werkboekje, van essentieel belang is voor de bewijskracht van uw administratie. Indien tijdens latere onderzoeken wordt vastgesteld dat de rittenstaat niet juist wordt ingevuld beteken[t] dit dat de administratie door de Belastingdienst wordt verworpen. Dit kan tot gevolg hebben dat bij fiscale procedures de bewijslast bij u komt te liggen.

U bent ingevolge artikel 52 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen verplicht te administreren en de daartoe behorende boeken (werkboekje), bescheiden (tarievenlijsten) en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de voor de heffing van belasting zijnde gegevens hieruit duidelijk en overzichtelijk blijken. De gegevens dient u gedurende 7 jaar te bewaren.”

2.1.8. Bij brief van 9 september 2005 heeft de inspecteur een motivering behorende bij de uitspraken op bezwaar gegeven. Met betrekking tot het bezwaar tegen de naheffingsaanslag BPM is in die brief onder meer het volgende vermeld:

“Beleid.

Op grond van het overleg met het Koninklijk Nederlands Vervoer heeft de Staatssecretaris van Financiën op 23 juli 1999 (…) het besluit genomen hoe de taxiondernemer aannemelijk kan maken dat aan het 90%-criterium is voldaan. De inhoud van deze regeling is als volgt.

• Het gebruik van de auto / het voldoen aan het criterium dat de auto (nagenoeg) geheel als taxi wordt gebruikt kan achteraf worden getoetst.

• In eerste instantie wordt gekeken naar de kilometeradministratie.

• Indien naar het oordeel van de inspecteur de kilometeradministratie op zichzelf onvoldoende is, dan kunnen nadere gegevens uit de administratie in de beoordeling worden betrokken.

• Indien ook deze gegevens geen adequate toetsing mogelijk maken dan is het totaalbeeld dat de Belastingdienst van de ondernemer heeft, relevant.

(…)

In het licht van voornoemde criteria, mijn (aanvullende) constateringen tijdens de bezwaarfase en mede gezien de door u (nader) aangedragen feiten en omstandigheden, één en ander in onderling verband bezien, zie ik na een weging van één en ander in dit specifieke geval aanleiding om wat betreft de naheffing BPM aan uw bezwaar tegemoet te komen”.

2.1.9. Ter zitting van het Hof van 12 september 2007 heeft belanghebbende verklaard:

“Ik heb mij beroepen op een brief van de Belastingdienst uit 1997. Ik hoop deze nog steeds te ontvangen. Ik heb wel brieven uit latere jaren bijgevoegd. De informatievoorziening was slecht. In 2004 is voor het eerst iets over het privé-gebruik gezegd. De werktijdenboekjes hoefden eerst ook nooit te worden getoond. De hele beroepsgroep heeft jarenlang de werkwijze gevolgd zoals belanghebbende dat hier heeft gedaan. Achteraf wordt belanghebbende erop afgerekend dat hij de onbezette ritten niet heeft bijgehouden. In de brief uit 1997 stond niets over privé-gebruik. De handelwijze van belanghebbende is jarenlang gedoogd”.

2.1.10. Ter zitting van het Hof van 12 september 2007 heeft de inspecteur verklaard:

“De brieven waar belanghebbende op doelt betreffen informatie van de Belastingdienst aan taxi-ondernemers.

(…)

In de brief uit 1997 stond niets over het privé-gebruik. Het had er in gekund. Het betreft een beperkt overzicht van rechten en plichten ten opzichte van de fiscus. De oorspronkelijke brief uit 1997 is niet meer beschikbaar. De brief is elk jaar aangepast”.

2.1.11. C heeft ter zitting van 10 september 2008 als getuige het volgende verklaard:

“In 2004 was ik zelf controle medewerker (…). U houdt mij voor dat er in 2004 controle rapporten zijn opgesteld van onderzoeken naar teruggaaf BPM over perioden tussen 1997 en 2002 waarin ook de gevolgen voor IB, de OB, en de WAZ zijn opgenomen. Dat dergelijke rapporten bestonden is mij bekend, maar ik had er zelf geen rechtstreekse bemoeienis mee. Ik herinner mij niet dat ik ooit zelf een dergelijk onderzoeksrapport heb opgesteld. De rapporten waar u op doelt, waren rapporten waarin aan gebreken in de administratie geen consequenties zijn verbonden. Die rapporten zijn mij inmiddels bekend geworden, maar ik kende ze toen niet. In de onderhavige zaak heb ik zelf de controle uitgevoerd en aanvankelijk ook de BPM gecorrigeerd.

Als u zegt dat de gebreken in de controlerapporten die u aan de orde stelde betrekking hadden op het nullen van de taxameter, het niet uitprinten van de gegevens van de taxameter en het niet conform de wet op het personenvervoer invullen van de rittenstaten dan kan ik dat bevestigen. Het is mij ook bekend dat in die rapporten is volstaan met het geven van een waarschuwing aan de belastingplichtige cq. het wijzen op de bewaarplicht.

Ik weet niet of in de aanpak van het controlerapporten die u mij voorhoudt een beleid is te onderkennen. Ik hield mij niet met beleid bezig. Het enige beleid dat mij bekend was, was beleid van de staatssecretaris uit 1995 waarin hij aangeeft wat er in een kilometeradministratie moet staan. Dit beleid betrof het tegenbewijs in het kader van het privé gebruik van een auto van de zaak voor alle betrokken ondernemers en werknemers. In de rapporten komt geen specifiek beleid voor de taxibranche tot uitdrukking.

(…)

Als u mij vraagt naar de verhouding tussen de aantallen controles waarin wel en waarin niet consequenties werden verbonden aan het soort gebreken waarover we het net hadden dan heb ik daar geen inzicht op. Ik ken wel enkele rapporten, maar de gebreken kunnen ook telkens weer wat verschillend zijn.

Naar mijn mening is er een relevant verschil aan te geven tussen de gebreken in de kilometeradministratie bij de door u genoemde controlerapporten aan de ene kant en bij [belanghebbende] aan de andere kant. In de controlerapporten gaat het om formele gebreken, terwijl er bij [belanghebbende] ook is geconstateerd dat feitelijk met de taxi is gereden op een moment dat niet in de administratie is terug te vinden. Maar afgezien van de constateringen dat er op momenten gereden is zonder dat dit terug te vinden is in de kilometeradministratie is er overigens geen verschil in.

(…)”

2.2. Het geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil:

- of belanghebbende conform artikel 42, vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet) overtuigend heeft aangetoond dat de taxi in de jaren 1999 en 2000 (telkens) voor niet meer dan 1.000 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt;

- of belanghebbende conform artikel 3.20, tweede en derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) heeft doen blijken dat de taxi in 2001 voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt;

- of de taxi in het OB-naheffingstijdvak voor niet meer dan 1.000 (1999 en 2000) respectievelijk 500 (2001) kilometer per jaar voor privédoeleinden is gebruikt, en

- of bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat zijn kilometeradministratie adequaat was.

Ter zitting van het Hof van 12 september 2007 heeft de inspecteur – in afwijking van zijn hogerberoepschrift – geconcludeerd tot halvering van de correcties teneinde rekening ermee te houden dat de auto gezamenlijk door belanghebbende en diens broer werd gebezigd.

2.3. De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“4.1. Ingevolge artikel 42, tweede en vijfde lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) worden bij het bepalen van winst uit onderneming de aan het houden van een personenauto verbonden kosten geacht tot een bedrag van ten minste twintig procent van de catalogusprijs - met inbegrip van de omzetbelasting en vermeerderd met de belasting van personenauto's en motorrijwielen - van de auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming, tenzij blijkt dat de auto op jaarbasis voor minder dan 1000, respectievelijk 500, kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

4.2. Gelet op de tekst van de Wet IB 1964 rust op [belanghebbende] de last om overtuigend aan te tonen dat de door hem geëxploiteerde auto voor minder dan 1000, respectievelijk 500, kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. [Belanghebbende] is vrij in de wijze waarop hij dit bewijs levert. [Belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat de auto niet in privé is gebruikt en beroept zich op de kilometeradministratie.

4.3.1. [De inspecteur] heeft gesteld dat de administratie van [belanghebbende] niet conform artikel 52 lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen naar de eisen van het bedrijf zijn gevoerd en dat uit boeken, bescheiden en andere gegevens de voor de heffing van belastingen van belang zijnde gegevens hieruit niet duidelijk blijken. [De inspecteur] heeft een aantal omissies geconstateerd. Ter zitting heeft [de inspecteur] toegelicht dat ingevolge de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 alsmede de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 niet is nageheven omdat daarin, gelet op de verdeling van de bewijslast, anders is beslist. Bij de onderhavige navorderingsaanslagen heeft een rol gespeeld dat de inspecteur niet gelukkig was met de administratie waarbij het totaal van de onderneming een rol speelde. Ter zitting zijn de geschilpunten betreffende de administratie als volgt besproken.

4.3.2. Met betrekking tot [de stelling van de inspecteur] dat slechts productieve kilometers op de rittenkaarten worden opgenomen en dat kilometers naar de garage en dergelijke niet apart worden geadministreerd overweegt de rechtbank als volgt. De inhoud van de door [de inspecteur] aan taxiondernemers verstrekte informatiebrieven, onder andere van 1997 en 2000, met betrekking tot de administratieve verplichtingen zijn niet duidelijk; het is voorstelbaar dat er chauffeurs zijn die de inhoud anders hebben begrepen dan hij door de belastingdienst bedoeld is. [Belanghebbende] heeft ter zitting aangegeven dat met ingang van 2000 de vertrektijden op de rittenkaarten vermeld konden worden, dat er een ontheffing was van het rijtijdenboek en dat er volgens rooster gewerkt werd. Nadat het systeem veranderd was moesten vertrek- en eindtijden ingevuld worden. Tijdens controles is hem nooit verteld dat hij iets fout deed, of dat hij voor belastingdoeleinden zijn rittenkaarten anders in moest vullen. De rechtbank is van oordeel dat aan het achterwege blijven van de uitsplitsing van de niet-productieve kilometers tussen zakelijke kilometers en overige kilometers niet het gevolg kan worden verbonden dat de auto voor meer dan 500 respectievelijk 1000 kilometer voor privé-gebruik aan [belanghebbende] ter beschikking heeft gestaan. De omvang en de aard van de niet-productieve uren zijn door [belanghebbende] ter zitting en in de schriftelijke stukken voldoende verklaard, zoals garagebezoek, het rijden van en naar de wisselplaats en het bezoek aan de accountant.

4.3.3. [De inspecteur] heeft geconstateerd dat er 8 rittenkaarten ontbreken. Ter zitting heeft [de broer van belanghebbende] verklaard dat deze kaarten wellicht bij een verhuizing verloren gegaan zijn, maar dat het slechts 8 kaarten zijn op de duizenden die wel bewaard gebleven zijn. De maandlijsten van deze periode zijn wel bewaard gebleven, hetgeen [de inspecteur] niet heeft weersproken. De rechtbank acht de verklaring van [belanghebbende] aannemelijk en oordeelt dat het hier slechts een zeer kleine omissie betreft, waaraan, vooral gelet op het bestaan van de maandlijsten, niet het door [de inspecteur] gestelde gevolg kan worden verbonden.

4.3.4. [De inspecteur] heeft gesteld dat door een belastingdienstmedewerker is geconstateerd dat op 21 juni 1999 om 15.20 uur op de Dam te Amsterdam drie personen in de auto gestapt zijn en dat deze rit niet in de administratie voorkomt. Ter zitting heeft [belanghebbende] aangegeven dat zijn broer op deze dag ziek is geworden en dat de rit in de administratie verantwoord is op 22 juni 1999.

4.3.5. [De inspecteur] heeft gesteld dat uit de administratie van het CJIB blijkt dat er op 15 februari 2000 om 00.39 uur met de auto een verkeersovertreding is begaan, dat de auto volgens de administratie op dat moment stilstond en dat de rit niet in de administratie terug te vinden is. Ter zitting is gesteld dat de overtreding geconstateerd is in Amsterdam op de Nassaukade hoek Ferdinand Bolstraat. [Belanghebbende] heeft verklaard hij bij de boekhouder in Almere is geweest, dat het mogelijk is dat hij bij terugkomst een broodje shoarma gehaald heeft en dat het adres Nassaukade hoek Ferdinand Bolstraat in Amsterdam niet bestaat. De rechtbank acht het geconstateerde verschil, wat ook zij van de geloofwaardigheid van de verklaring van [belanghebbende], niet van dusdanig gewicht om hieraan de conclusie te verbinden dat de gehele administratie dient te worden verworpen.

4.3.6. Met betrekking tot het verschil tussen 261 en 241 gereden kilometers op 8 en 9 augustus 2000 acht de rechtbank [belanghebbende]s verklaring, dat het hier om een telfout gaat, aannemelijk.

4.3.7. De rechtbank verwijst voor de reactie van [belanghebbende] op [de klacht van de inspecteur] dat [belanghebbende] tot ongeveer half 2000 nooit de vertrektijd op de rittenkaart vermeldde, terwijl zijn broer dat wel deed, naar hetgeen onder 4.3.2. is opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat aan het ontbreken van bepaalde gegevens op de rittenkaarten niet het gevolg kan worden verbonden dat de auto voor meer dan 500 respectievelijk 1000 kilometer voor privé-gebruik aan [belanghebbende] ter beschikking heeft gestaan. De gestelde gebreken doen niet af aan het zakelijke karakter van de genoteerde ritten en hebben niet tot gevolg dat de kilometeradministratie in haar geheel als onbetrouwbaar of onvolledig dient te worden gekwalificeerd.

4.3.8. [De inspecteur] heeft in het controlerapport gesteld dat uit de chikwadraattoets een systematische afwijking blijkt van de verdeling van de cijfers zonder dat daar een logische verklaring voor is anders dan dat de cijfers zijn gefingeerd dan wel gedeeltelijk gefingeerd. [Belanghebbende] heeft aangegeven dat hij vaak precies dezelfde ritten uitvoert bijvoorbeeld tussen Schiphol en bepaalde plaatsen in Amsterdam, zoals bekende hotels. Ook werd vaak vanaf en tussen vaste standplaatsen gereden. De rechtbank acht deze verklaring voldoende geloofwaardig. Aan de registratie van dezelfde ritten, wat tot vermelding van dezelfde cijfers in de administratie leidt, kan niet het gevolg worden verbonden dat de administratie van [belanghebbende] (gedeeltelijk) gefingeerd is. Hierbij hecht de rechtbank betekenis aan de uitleg die [belanghebbende] ter zitting heeft gegeven van de toenmalige regels voor de verdeling van de ritten en het rijden vanaf vaste standplaatsen. [De inspecteur] heeft deze uitleg niet inhoudelijk weersproken.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat de administratie van [belanghebbende] hiaten vertoont maar dat deze, zowel individueel als in samenhang bezien, voldoende aannemelijk door [belanghebbende] zijn verklaard dan wel, voor zover niet of niet voldoende aannemelijk verklaard, van dermate ondergeschikt belang zijn dat verwerping van de gehele administratie niet aan de orde is.

4.5. Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat [belanghebbende] heeft doen blijken dat hij de auto voor minder dan 500 respectievelijk 1.000 kilometer voor privé-doeleinden heeft gebruikt en dat de belastingaanslagen ten onrechte zijn opgelegd. Hetgeen overigens nog door [de inspecteur] is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het gelijk is derhalve aan [belanghebbende]. Het beroep zal gegrond worden verklaard.”

2.4. Beoordeling door het Hof

2.4.1. De systematiek van de administratie

Vaststaat dat belanghebbende tezamen met zijn broer een taxibedrijf heeft geëxploiteerd en dat zij tezamen één taxi gebruikten waarvan zij om en om gebruik maakten. De kilometeradministratie bestaat uit rittenkaarten. Op deze rittenkaarten noteerden belanghebbende en zijn broer dagelijks bij de aanvang en bij het afsluiten van hun dienst de begin- en eindstand van de kilometerteller en de eindstand van de taxameter. De taxameter werd gebruikt bij ritten met klanten; de zogenaamde ‘productieve ritten’. Deze productieve ritten werden op de rittenkaart van die dag gespecificeerd en de aldus gereden kilometers werden per dag getotaliseerd als ‘kilometers bezet’. De overige gereden kilometers (zogenoemde ‘niet-productieve ritten’) werden opgenomen in het op de rittenkaart vermelde totaal van de op die dag gereden kilometers. Aan het einde van de dag werd de taxameter op nul gezet. Er werd geen print van de gegevens van de taxameter gemaakt.

2.4.2. De heffing van IB, ZFW en WAZ

2.4.2.1. Wat de navorderingsaanslagen IB, ZFW en WAZ betreft, is het aan belanghebbende om te doen blijken dat de auto niet meer dan 1000 kilometer (1999 en 2000) respectievelijk niet meer dan 500 kilometer (2001) voor privédoeleinden is gebruikt.

2.4.2.2. Vaststaat dat (het totaal van) de op een dag gereden niet-productieve kilometers slechts is te herleiden als het verschil tussen het totaal aantal gereden kilometers en het totaal aantal ‘kilometers-bezet’ op de rittenkaart van die dag.

De rechtbank heeft overwogen – samengevat weergegeven – dat aan het achterwege blijven van de uitsplitsing van de niet-productieve kilometers niet het gevolg kan worden verbonden dat de auto voor meer dan 500 respectievelijk 1000 kilometer voor privégebruik aan belanghebbende ter beschikking stond en dat belanghebbende de omvang en de aard van de niet-productieve uren voldoende heeft verklaard, zoals garagebezoek, het rijden van en naar de wisselplaats en het bezoek aan de accountant.

2.4.2.3. In hoger beroep herhaalt de inspecteur zijn reeds in eerste aanleg naar voren gebrachte stelling dat belanghebbende als gevolg van het niet-specificeren van de niet-productieve kilometers niet kan voldoen aan zijn (zware) bewijslast. Het niet administreren heeft tot gevolg dat uit de administratie niet blijkt wat in de loop der jaren zoal de aard van de niet-productieve ritten is geweest en wat het aantal kilometers is dat aan de diverse ritten moet worden toegekend. Het zal zeker zo zijn dat er sprake is geweest van ritten naar de garage, naar de wisselplaats, en naar de accountant, maar daarnaast kunnen privéritten zijn gemaakt en aan de hand van de rittenstaten en de overige administratie is geen inzicht te verkrijgen in de vraag of en in welke mate dit het geval is geweest.

2.4.2.4. Het Hof is met de inspecteur – en in afwijking van de rechtbank – van oordeel dat de door belanghebbende gevoerde administratie ongeschikt is om het door artikel 42, vijfde lid, van de Wet IB 1964 respectievelijk artikel 3.20, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001 vereiste bewijs te leveren. De verklaringen van belanghebbende dat hij en zijn broer de auto in wisseldienst hebben bereden, dat zij ieder voor zich een privé-auto hadden voor hun privé-vervoer, en dat zij de auto niet (of althans vrijwel niet) voor privédoeleinden hebben gebezigd, acht het Hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

2.4.3. De heffing van omzetbelasting

2.4.3.1. Gelet op het bepaalde in artikel 15, zesde lid, van de Wet OB juncto artikel 15, eerste lid, van de Uitv. besch.OB is VOF 683 ter zake van het privé-gebruik van de taxi jaarlijks 12 percent omzetbelasting verschuldigd over het bedrag aan kosten dat bij de heffing van inkomstenbelasting beschouwd wordt niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming (verder de 12%-heffing).

2.4.3.2. [Taxi Z] stelt de taxi niet privé te gebruiken en heeft geen 12%-heffing voldaan.

2.4.3.3. De inspecteur stelt dat de 12% heffing achterwege blijft als [Taxi Z] doet blijken dat de taxi voor minder dan 1.000 kilometer privé is gebruikt. Nu - aldus de inspecteur - uit het controlerapport blijkt dat geen juiste kilometeradministratie werd bijgehouden heeft [Taxi Z] dit bewijs niet geleverd. Op deze grond heeft hij met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de Wet OB de zijns inziens verschuldigde omzetbelasting nageheven.

2.4.3.4. Met betrekking tot de vraag of en in welke mate de taxi in privé is gebruikt geldt voor de heffing van omzetbelasting als uitgangspunt dat de bewijslast ter zake daarvan op de inspecteur rust. Hij dient derhalve aannemelijk te maken dat sprake is van privé-gebruik van de taxi (vergelijk HR 24 augustus 1999, nr. 34.608, BNB 1999/384).

2.4.3.5. De omstandigheid dat belanghebbende niet op de voet van artikel 42, vijfde lid, van de Wet IB 1964, respectievelijk artikel 3.20, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001, heeft kunnen doen blijken dat de taxi niet meer dan 1.000 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt houdt op zichzelf en zonder meer nog niet in dat ook voor de heffing van omzetbelasting moet worden uitgegaan van privé-gebruik van de taxi. Dat daadwerkelijk – in meer dan verwaarloosbare mate – van privé-gebruik sprake is, heeft de inspecteur niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de inspecteur (slechts) één concreet geval van privé-gebruik heeft gesteld, en dat belanghebbende heeft verklaard dat dit privé-gebruik hoogstens betrekking kan hebben gehad op het omrijden op de terugweg van een bezoek aan zijn accountant teneinde een broodje shoarma (of iets dergelijks) te nuttigen. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende die avond terugkwam van een bezoek aan zijn accountant en dat de inspecteur, wat er van de verklaring van belanghebbende verder moge zijn, met dit ene geval onvoldoende heeft voldaan aan zijn stel- en bewijsplicht ten aanzien van daadwerkelijk privé-gebruik. De naheffingsaanslag omzetbelasting dient derhalve – reeds op grond van het wettelijke recht – te vervallen.

2.4.4. De beginselen van behoorlijk bestuur

2.4.4.1. Belanghebbende heeft zich beroepen op bij hem gewekt vertrouwen dat zijn wijze van administreren aanvaardbaar was. Hij heeft in dat verband onder meer een beroep gedaan op uit 1997 en 2000 daterende informatiebrieven van de Belastingdienst. Belanghebbende heeft de in 2.1.6. vermelde brief van 12 april 2000 overgelegd. Op grond van de verklaring van de inspecteur ter zitting van het Hof van 13 september 2007 gaat het Hof ervan uit dat de uit 1997 daterende brief niet meer beschikbaar is maar dat het een eerdere versie van dezelfde brief betreft. Belanghebbende heeft voorts een beroep gedaan op het in 2.1.7. vermelde ‘Verslag waarneming ter plaatse’.

2.4.4.2. Het Hof heeft in het door belanghebbende gedane beroep op bij hem gewekt vertrouwen aanleiding gevonden C als getuige te horen. Van diens in 2.1.11. opgenomen getuigenverklaring acht het Hof met name de volgende passage van belang:

“In 2004 was ik zelf controlemedewerker (…) U houdt mij voor dat er in 2004 controle rapporten zijn opgesteld van onderzoeken naar teruggaaf BPM over perioden tussen 1997 en 2002 waarin ook de gevolgen voor IB, de OB, en de WAZ zijn opgenomen. (...) De rapporten waar u op doelt, waren rapporten waarin aan gebreken in de administratie geen consequenties zijn verbonden. (..)

Als u zegt dat de gebreken in de controlerapporten die u aan de orde stelde betrekking hadden op het nullen van de taxameter, het niet uitprinten van de gegevens van de taxameter en het niet conform de wet op het personenvervoer invullen van de rittenstaten, dan kan ik dat bevestigen. Het is mij ook bekend dat in die rapporten is volstaan met het geven van een waarschuwing aan de belastingplichtige cq. het wijzen op de bewaarplicht.”

2.4.4.3. Bij de beoordeling van deze getuigenverklaring en de overige bewijsmiddelen neemt het Hof in aanmerking dat de inspecteur, op wiens weg dit had gelegen, geen controlerapporten of andere bewijsstukken in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat destijds op zijn eenheid een andere (striktere) gedragslijn dan in de controlerapporten waarover De Boer heeft verklaard, heeft bestaan.

2.4.4.4. Het Hof leidt uit de getuigenverklaring van C, bezien in samenhang met de in 2.1.6. vermelde brief, het in 2.1.7. vermelde ‘Verslag waarneming ter plaatse’ en de in 2.1.8. vermelde uitspraak op het bezwaar tegen de BPM, af dat er – in ieder geval op de eenheid van de inspecteur – een gedragslijn bestond om af te zien van naheffing van BPM, en om niet tot navordering van inkomstenbelasting, ziekenfondspremie en premie-WAZ over te gaan in situaties als die van belanghebbende, dat wil zeggen in situaties waarin bij een boekenonderzoek vastgesteld werd dat de gebreken in de kilometeradministratie - nagenoeg uitsluitend - bestonden uit het nullen van de taxameter (zonder een printje van de gegevens van de taxameter te maken en te bewaren), het niet volledig invullen van de (vakken op de) rittenstaten en het niet-specificeren van de niet-productieve kilometers.

Het voorgaande houdt naar ’s Hofs oordeel in dat belanghebbende mag rekenen op dezelfde soepele behandeling als voormelde belastingplichtigen bij wie is volstaan met het geven van een waarschuwing, mits sprake is van een voldoende gelijk geval.

2.4.4.5. Op de vraag of er een relevant verschil is aan te geven tussen de gebreken in de kilometeradministratie bij de controlerapporten enerzijds, en bij belanghebbende anderzijds, heeft de getuige als volgt geantwoord:

“In de controlerapporten gaat het om formele gebreken, terwijl er bij [belanghebbende] ook is geconstateerd dat feitelijk met de taxi is gereden op een moment dat niet in de administratie is terug te vinden. Maar afgezien van de constateringen dat er op momenten gereden is zonder dat dit terug te vinden is in de kilometeradministratie is er overigens geen verschil in”.

2.4.4.6. Het Hof is van oordeel dat de door C genoemde verschillen – welke zijn terug te voeren op twee door de inspecteur in diens gedingstukken aangevoerde constateringen – van onvoldoende gewicht zijn om het geval van belanghebbende te kunnen onderscheiden van dat van de belastingplichtigen bij wie met een waarschuwing is volstaan. Omtrent die constateringen en het daartegen gevoerde verweer overweegt het Hof nader als volgt:

• De inspecteur heeft gesteld dat door een medewerker van de Belastingdienst is geconstateerd dat op 21 juni 1999 om 15.20 uur op de Dam te Amsterdam drie personen in de auto zijn gestapt en dat deze rit niet in de administratie voorkomt. Ter zitting van de rechtbank heeft belanghebbende aangegeven dat zijn broer op deze dag ziek is geworden en dat de rit in de administratie is verantwoord op 22 juni 1999 (zie r.o. 4.3.4. van de rechtbank). Mede gelet op hetgeen is vermeld onder I. in het beroepschrift in eerste aanleg, acht het Hof deze verklaring geloofwaardig en verbindt er de conclusie aan dat de desbetreffende rit – zij het op een formeel onjuiste wijze – in de administratie is verantwoord.

• De inspecteur heeft gesteld dat uit de administratie van het CJIB blijkt dat er op 15 augustus 2000 om 00.39 uur met de auto een verkeersovertreding is begaan, dat de auto volgens de administratie op dat moment niet reed en dat de rit niet in de administratie is terug te vinden. Belanghebbende heeft verklaard dat hij bij de boekhouder in Almere is geweest en op de terugweg is omgereden om een broodje shoarma (of iets dergelijks) te nuttigen. Het Hof acht de verklaring van belanghebbende geloofwaardig voor zover het een bezoek aan de boekhouder betreft. Ook indien de bij terugkeer gemaakte omweg als privé-kilometers wordt geduid, is dat op het totaal van de gecontroleerde periode van ondergeschikte betekenis.

2.4.5.4. Het Hof heeft geen reden de overige, in de terminologie van C als ‘formele gebreken’ te bestempelen tekortkomingen in de administratie van belanghebbende in afwijking van het oordeel van deze getuige als relevant verschil ten opzichte van de met een waarschuwing afgedane gevallen te bestempelen. Het Hof verwijst hierbij – voor zoveel nodig – naar de beoordeling van die gebreken in r.o. 4.3.3., 4.3.6. en 4.3.7. door de rechtbank, waarbij het zich in zoverre aansluit.

2.4.5.5. Het voorgaande houdt in dat de navorderingsaanslagen IB, ZFW en WAZ, die beoordeeld naar wettelijke maatstaven terecht zijn opgelegd, niettemin wegens strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur dienen te worden vernietigd.

2.4.5.6. Het standpunt van de inspecteur dat het nullen van de taxameter zonder het maken en bewaren van een printje van de gegevens van de taxameter, alsmede het niet volledig invullen van de rittenstaten en het niet-specificeren van de niet-productieve kilometers, betekent dat belanghebbende niet voldaan heeft aan zijn administratie- en bewaarplicht van artikel 52, eerste en vierde lid, van de AWR en dat om die reden de omkering en verzwaring van de bewijslast dient in te treden, behoeft geen behandeling meer. Immers ook in de hierboven onder 2.4.4.2. aan de orde zijnde situaties was sprake van dergelijke gebreken zonder dat zulks leidde tot het opleggen van navorderingsaanslagen. Derhalve geldt dat ook indien het standpunt van de inspecteur juist zou zijn, de navorderingsaanslagen IB, ZFW en WAZ in strijd met het vertrouwensbeginsel zijn opgelegd.

Het Hof neemt bij dit oordeel voor zoveel nodig nog in aanmerking dat de inspecteur niet is opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank (in r.o. 4.3.8.) over de chikwadraattoets; het Hof verenigt zich met het desbetreffende oordeel van de rechtbank en de gronden waarop het berust.

2.5. Slotsom

2.5. De slotsom is dat de hogere beroepen ongegrond zijn en dat de uitspraken van de rechtbank met verbetering van de gronden dienen te worden bevestigd.

2.6. Kosten

Nu de hogere beroepen van de inspecteur ongegrond zijn, heeft belanghebbende recht op vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt de vergoeding gesteld op 2,5 (punten per proceshandeling) x 2,5 [7 samenhangende zaken betreffende IB, WAZ en ZFW (1,5 punt) en een zaak betreffende OB (1 punt)] x 1 (gewicht van de zaak) x € 322, ofwel op € 2.012,50 voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraken van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mrs. P.F. Goes, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en J. den Boer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H.M. Milder-Wolbers als griffier. De beslissing is op 11 februari 2009 in het openbaar uitgesproken.

Van de Staat zal per middel (OB, IB, ZFW, WAZ) griffierecht worden geheven van (4 x € 428 derhalve in totaal) € 1.712.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.