Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH1241

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
07/00267
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is benadeeld doordat de inspecteur hem niet heeft gehoord. Het Hof wijst de zaak terug naar de inspecteur om belanghebbende te horen en opnieuw uitspraak te doen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2009-0340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk P07/00267

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X],

wonende te [Z],

belanghebbende,

gemachtigde mr. J.C.J. Smallenbroek,

tegen de uitspraak in de zaak AWB nummer 06/10260 van de rechtbank Haarlem van 2 april 2007 in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest/ kantoor Roosendaal,

de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

De inspecteur heeft met dagtekening 28 februari 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen berekend naar een belastbaar inkomen van € 26.333.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 juni 2006, het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 2 april 2007, op 4 april 2007 verzonden, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft (de gemachtigde van) belanghebbende hoger beroep ingesteld bij beroepschrift gedagtekend 16 mei 2007, bij het Hof ingekomen op 16 mei 2007 en aangevuld bij brief van 19 juni 2007.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2008. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2002 aangifte inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (hierna: IB/ PVV) gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € -/- 25.936. Naar aanleiding van deze aangifte heeft er tussen de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur een briefwisseling plaatsgevonden.

2.1.2. Bij schrijven van 13 februari 2006 heeft de inspecteur belanghebbendes gemachtigde, voor zover hier van belang, als volgt geïnformeerd:

“(..) In mijn brief van 10 januari 2006 heb ik u verzocht om een reactie op mijn voornemen om af te wijken van de aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2002 van (belanghebbende) (…) Tot nu toe heb ik geen reactie van u ontvangen. Daarom zal ik de aangifte behandelen zoals vermeld in de brief van 10 januari 2006 en in de brief van 22 november 2005.(…)

“(…) Het berekende inkomen (…) volgens de aangifte € -/- 25.639

Totaalbedrag van de afwijking(en)` € + 52.369

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 26.333

Als u het niet eens bent met de beslissing, kunt u, nadat u het aanslagbiljet heeft ontvangen, hiertegen in bezwaar gaan. Op het aanslagbiljet staat vermeld hoe u dient te handelen (…).”

2.1.3. Met dagtekening 28 februari 2006 is de aanslag IB/ PVV 2002 vastgesteld.

2.1.4. Bij brief van 26 april 2006 schrijft de gemachtigde van belanghebbende aan de inspecteur het volgende:

”(…) Onder verwijzing naar uw telefoongesprek van heden met mijn secretaresse doe ik u hierbij toekomen in kopie het bezwaarschrift tegen [Hof: de te name van belanghebbende gestelde aanslag inkomstenbelasting 2002], dat ik op 20 maart jl. heb verzonden naar de belastingdienst (…)”

2.1.5. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de brief van 20 maart 2006 waarnaar in het hiervoor genoemde schrijven van 26 april 2006 wordt verwezen. In deze brief is het volgende geschreven:

“(…) Inzake: Bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting 2002 ten name van [X]

Aanslagnummer 660.14.803.H.26 d.d. 28 februari 2006 (…)

Geachte heer, mevrouw,

Hierdoor kom ik namens cliënt de heer [X]s wonende [Z] in bezwaar tegen de door u opgelegde aanslag inkomstenbelasting 2002 onder aanslagnummer [aaa] gedagtekend 28 februari 2006 (…).”

2.1.6. Tot de stukken van het geding behoort een brief van de gemachtigde aan de inspecteur, gedagtekend 12 juni 2006, waarin, voor zover van belang, het volgende is opgenomen:

“ Echter indien u de gevoerde correspondentie bestudeert, komt u wellicht ook tot de conclusie, dat het beter is dat er een gesprek plaatsvindt tussen ondergetekende en de behandelend bezwaarambtenaar. Indien u dat bent verzoek ik u een afspraak met mij te maken (…).”

2.1.7. Op 28 juni 2006 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar van belanghebbende met dagtekening 26 april 2006 niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is in de periode tussen het opleggen van de aanslag en de uitspraak op bezwaar niet gehoord.

2.2. Geschil

In geschil is primair de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV2002.

2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Voor de daartoe gebezigde gronden verwijst het Hof naar de uitspraak van de rechtbank.

2.4. Beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.4.1. Belanghebbende stelt dat de aanslag niet eerder dan op 26 april 2006 is bekend-gemaakt, maar dat zijn gemachtigde reeds bij brief van 20 maart 2006 bezwaar tegen de aanslag IB/ PVV 2002 heeft gemaakt, zodat hij ontvankelijk is in zijn bezwaar. Belanghebbende heeft geen kopie van de aanslag ontvangen en een kopie van de aanslag had, nu alle correspondentie sinds 1997 met de gemachtigde werd gevoerd, naar het kantoor van de gemachtigde moeten worden verzonden. De gemachtigde heeft aan de brief van 13 februari 2006 het vertrouwen ontleend en mogen ontlenen dat hij een kopie van de aanslag zou ontvangen. Bovendien dient de uitspraak van de rechtbank te worden vernietigd nu belanghebbende in de bezwaarfase ondanks een daartoe strekkend verzoek, ten onrechte niet is gehoord.

2.4.2. De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende bestreden. De aanslag is tijdig verzonden naar het bij de Belastingdienst bekende adres van belanghebbende. Over een andere wijze van adressering van het aanslagbiljet waren geen afspraken gemaakt. Eerst bij de brief van 26 april 2006 is door de gemachtigde bezwaar tegen de aanslag gemaakt. Betwist wordt dat daadwerkelijk op 20 maart 2006 een bezwaarschrift is ingezonden. Overigens blijkt uit dat bezwaarschrift dat de gemachtigde bekend was met de aanslag en dat is in strijd met diens stelling dat de aanslag pas op 26 april 2006 bekend is geworden. Wat de gestelde schending van de hoorplicht betreft, stelt de inspecteur dat kon worden afgezien van horen omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is.

2.4.3. Het Hof stelt voorop dat als eerste moet worden beoordeeld of er reden is voor vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank op de door belanghebbende aangevoerde grond dat belanghebbende niet is gehoord alvorens de inspecteur op het bezwaar heeft beslist.

2.4.4. Uit artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) jo. artikel 25, vierde lid van de Algemene wet rijksbelastingen (hierna: AWR) volgt dat een belanghebbende, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid moet worden gesteld te worden gehoord alvorens de inspecteur op het bezwaar beslist. Tussen partijen staat vast dat namens belanghebbende een dergelijk verzoek is gedaan in de vorm van de in onderdeel 2.1.6. van deze uitspraak opgenomen brief. Voorts staat vast dat de inspecteur dit verzoek niet heeft gehonoreerd.

2.4.5. De inspecteur heeft ten aanzien van de hoorverplichting in zijn verweerschrift in hoger beroep verklaard dat er gelet op de feiten en omstandigheden sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift, zodat ingevolge artikel 7:3, aanhef en onderdeel a, van de Awb van het horen kon worden afgezien. Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur in aan-vulling op dit standpunt nog verklaard dat belanghebbende niet in zijn belangen is geschaad en in dit kader opgemerkt dat met betrekking tot de inhoudelijke kwestie uitgebreid met gemachtigde van belanghebbende is gecorrespondeerd.

2.4.6. De uitzonderingen op de hoorverplichting als opgenomen in artikel 7:3 van de Awb, waaronder de door de inspecteur gestelde kennelijke niet-ontvankelijkheid, dienen, aangezien zij een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure vormen, restrictief te worden toegepast. Naar het oordeel van het Hof kan de inspecteur slechts afzien van het horen van belanghebbende op grond van artikel 7:3, aanhef en onderdeel a, van de Awb indien in redelijkheid geen twijfel mogelijk is over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Het Hof verwijst in dit verband naar hetgeen bij de parlementaire behandeling is opgemerkt over de toepassing van deze bepaling:

"De bepaling in onderdeel a ziet op het geval dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit kan zich bij voorbeeld voordoen indien bezwaar wordt gemaakt door iemand die kennelijk geen enkel belang bij het desbetreffende besluit heeft. Aangetekend zij, dat het horen alleen achterwege kan blijven indien redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de niet-ontvankelijkheid. (...) Koestert het bestuurs-orgaan slechts twijfel aan de ontvankelijkheid van het bezwaar, dan dient de belanghebbende wèl in de gelegenheid te worden gesteld om te worden gehoord." (Memorie van toelichting, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 146)

2.4.7. Het enkele feit dat sprake is van een termijnoverschrijding rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof niet de conclusie dat er sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar, omdat er immers sprake zou kunnen zijn van een verschoonbare termijn-overschrijding. Belanghebbende beroept zich onder meer op het bij hem en zijn gemachtigde door de brief van de inspecteur van 13 februari 2006 gewekte vertrouwen dat de aanslag (ook) aan de gemachtigde zou worden toegezonden en daarmee - zo begrijpt het Hof - op verschoonbaarheid van een (eventuele) termijnoverschrijding. Bovendien heeft de gemach-tigde gesteld dat hij reeds bij een eerder geschrift dan het door de inspecteur als zodanig aangemerkte bezwaarschrift bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag, en wel – tijdig – bij het geschrift van 20 maart 2006. Gelet op deze stellingen van de gemachtigde is er naar het oordeel van het Hof in redelijkheid twijfel mogelijk over de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, zodat van een kennelijke niet-ontvankelijkheid op grond waarvan het horen achterwege zou mogen blijven, geen sprake is. Volledigheidshalve merkt het Hof op dat de inspecteur met het achterwege laten van het horen in strijd heeft gehandeld met paragraaf 6.2.2. van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht 1997, waarin wordt bepaald dat de inspecteur in een geval van een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaarschrift de belasting-plichtige toch hoort indien deze daarom heeft verzocht.

2.4.8. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende door het achterwege laten van het horen is benadeeld, aangezien hij met de inspecteur van mening verschilt omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan en omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld tijdens een hoorgesprek zijn stelling te onderbouwen dat het bezwaar tijdig is, dan wel feiten en omstandigheden aan te voeren die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb. Hieraan doet naar het oordeel van het Hof niet af dat de gemachtigde in de fase voorafgaande aan het bezwaar inhoudelijk met de inspecteur over de hoogte van de aanslag heeft gecorrespon-deerd.

2.4.9. Nu belanghebbende door het achterwege laten van het horen is benadeeld moeten de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank naar het oordeel van het Hof worden vernietigd. Het Hof zal de zaak naar de inspecteur terugwijzen teneinde belanghebbende te horen en opnieuw uitspraak op het bezwaar te doen. Het Hof ziet in het onderhavige geval geen aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien nu de stellingen van belanghebbende nopen tot een nader feitelijk onderzoek waarvan de uitkomst niet op voorhand duidelijk is. Daarbij komt dat belang-hebbende het Hof niet onvoorwaardelijk heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien. Gelet op het voorgaande behoeven de overige klachten van belanghebbende geen behandeling.

2.4.10. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar dienen te worden vernietigd.

2.4.11. Het Hof acht termen aanwezig de inspecteur te veroordelen in de kosten die belang-hebbende met betrekking tot het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt de proceskostenvergoeding voor de in beroep en in hoger beroep gemaakte kosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 644 (= 4 ter zake van proceshandelingen x 0,5 ter zake van wegingsfactor x € 322).

3. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- verklaart het bij de rechtbank ingediende beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

- wijst de zaak terug naar de inspecteur teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen alsnog te worden gehoord,

- draagt de inspecteur op opnieuw uitspraak te doen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644 en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten aan belanghebbende moet vergoeden,

- gelast de Staat het voor de behandeling in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 144 aan belanghebbende te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mrs. E.F. Faase, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en J. den Boer, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J.H.M. Milder-Wolbers als griffier. De beslissing is op 14 januari 2009 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.