Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:BH0274

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-01-2009
Datum publicatie
21-01-2009
Zaaknummer
06/00199 en 06/00200
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De ambtenaar die de aanslag in de leges heeft vastgesteld was daartoe niet bevoegd, aangezien de heffingsambtenaar in een mandaatbesluit die ambtenaar slechts had gemandateerd voor de invordering en niet mede voor de heffing van de leges. Niet aannemelijk is dat hier sprake was van een verschrijving in het mandaatbesluit.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 231
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/369
V-N 2009/20.28 met annotatie van Redactie
FutD 2009-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken P06/00199 en 06/00200

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

X,

wonende te Z, belanghebbende,

gemachtigde mr. A, advocaat te P, de gemachtigde,

tegen de uitspraak in de zaken met nummers SBR 07/2744 en 07/2748 van de rechtbank Utrecht van 13 april 2006 in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Lopik,

de heffingsambtenaar.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft in verband met de voorgenomen bouw door hem van een werktuigenberging een aanvraag ingediend bij de gemeente Lopik. Voor het in behandeling nemen van die aanvraag is van belanghebbende € 458 aan leges geheven.

1.2. Tevens heeft belanghebbende in verband met de voorgenomen bouw door hem van een bedrijfswoning een aanvraag ingediend bij de gemeente Lopik. Voor het in behandeling nemen van die aanvraag is van belanghebbende € 2.088 aan leges geheven.

1.3. De bezwaren van belanghebbende tegen de heffing van de onder 1.1 en 1.2 vermelde bedragen zijn bij uitspraken van 10 augustus 2005 ongegrond verklaard.

1.4. De door belanghebbende tegen deze uitspraken ingestelde beroepen zijn door de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) bij uitspraak van 13 april 2006, verzonden op 21 april 2006, ongegrond verklaard.

1.5. Tegen deze uitspraken heeft belanghebbende bij beroepschrift van 26 mei 2006, bij het Hof ingekomen op 30 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft het beroep op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesplitst en heeft daaraan de nummers 06/00199 en 06/00200 toegekend. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. De hoger beroepen zijn behandeld op de zitting van 9 maart 2007. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.7. Na de zitting heeft het Hof de gemachtigde op de voet van artikel 8:45 van de Awb verzocht schriftelijk inlichtingen te verstrekken. De gemachtigde heeft dit gedaan bij brief van 15 juli 2008; de heffingsambtenaar heeft op deze brief gereageerd bij brief van 22 juli 2008, waarvan een afschrift aan de gemachtigde is verzonden. Bij brief van 4 augustus 2008 heeft belanghebbende verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling.

1.8. Van de heffingsambtenaar is op 13 oktober 2008 een nader stuk ontvangen, voorzien van bijlagen. Aan de gemachtigde is een afschrift van deze brief en de bijlagen gezonden.

1.9. Het onderzoek ter zitting is hervat op 24 oktober 2008. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden. Het Hof heeft een kopie van de door de gemachtigde ter zitting voorgedragen en overgelegde pleitnota ter kennisneming aan de – ter zitting niet aanwezige – heffingsambtenaar gezonden.

2. Overwegingen

2.1. Feiten

2.1.1. De heffing van de onder 1.1 en 1.2 vermelde bedragen heeft plaatsgevonden bij twee brieven aan belanghebbende van 7 maart 2005. Het slot van deze brieven luidt als volgt:

“Hoogachtend,

De heffingsambtenaar,

namens hem,

het hoofd van het bureau R.O.V.,

(handtekening ambtenaar; Hof)

(B)”.

2.1.2. Het slot van de onder 1.3 vermelde uitspraken van 10 augustus 2005 luidt als volgt:

“Hoogachtend,

Burgemeester en wethouders van Lopik;

namens hen,

de heffingsambtenaar,

(handtekening ambtenaar; Hof)

(C)”.

2.1.3. Bij beroepschrift, gedagtekend 21 september 2005, heeft de gemachtigde tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Dit beroepschrift is bij de rechtbank ingekomen op 26 september 2005.

2.2. Geschil

In hoger beroep is in geschil of de onder 1.1 en 1.2 vermelde bedragen aan leges terecht van belanghebbende zijn geheven.

2.3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer het volgende overwogen (de rechtbank duidt belanghebbende aan als eiser en de heffingsambtenaar als verweerder):

“2.3 De rechtbank stelt voorop dat de (verwachte) uitkomst van een aanvraagprocedure niet richtinggevend is voor het al dan niet mogen heffen van leges voor een bouwaanvraag.

2.4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder in deze gevallen terecht leges heeft geheven voor bouwaanvragen en niet gehouden was eisers aanvragen richting een procedure voor een zogenoemd principeverzoek te leiden. Daarbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de uitspraak van het Hof Amsterdam van 13 juli 2005, gepubliceerd in het Belastingblad van 10 februari 2006 (nr. 3), onder nr. 11. Anders dan in die zaak legt eiser zich niet neer bij de beoordeling van verweerder. De omstandigheid dat hij bezwaar en beroep heeft ingesteld tegen de betreffende besluiten op zijn aanvragen onderschrijft het betoog van verweerder dat eiser wel degelijk bouwaanvragen heeft ingediend. Hetzelfde geldt voor eisers stelling ter zitting dat hij geen principeverzoeken heeft ingediend, omdat tegen een beslissing op dergelijke verzoeken geen rechtsmiddelen openstaan.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het eiser vrij heeft gestaan de aanvragen op enig moment in te trekken en dat het eiser - die juridisch wordt bijgestaan - op dit punt niet aan gelegenheid of adequate informatie over de stand van zaken in de behandeling van de bouwaanvragen heeft ontbroken.

2.5 Mede gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eisers stelling dat hier geen sprake is geweest van het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een bouwvergunning niet kan worden gevolgd. Wat betreft eisers stelling dat verweerder gelet op het beleid in omliggende gemeenten tot verlaging of teruggave van de leges had moeten overgaan, overweegt de rechtbank dat verweerder zich bij het in rekening brengen van leges terecht heeft gebaseerd op de verordening van verweerders gemeente en dat niet is gebleken dat die verordening onjuist is toegepast. Mede gelet op het voorgaande is de rechtbank, anders dan eiser, van oordeel dat hier geen sprake is van zodanige omstandigheden dat de betreffende legesheffingen niet redelijk zouden zijn te achten. Dat de betreffende aanvragen niet zijn voorgelegd aan de welstandscommissie of aan de provincie, zoals gesteld door eiser, laat onverlet dat een inhoudelijke beslissing op de betreffende aanvragen is genomen.”

2.4. Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en de processen-verbaal van het verhandelde ter zittingen.

2.5. Toepasselijke regelgeving

2.5.1. De Verordening op de heffing en invordering van Leges 2004 van de gemeente Lopik (de Verordening) is vastgesteld op 16 december 2003 en bekendgemaakt in het in die gemeente huis-aan-huis verspreide blad Zenderstreeknieuws op 23 december 2003. De Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam “leges” worden rechten geheven ter zake van het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

(…)

Artikel 5 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.”

2.5.2. De tarieven voor bouwvergunningen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de bij de Verordening behorende tarieventabel De onder 1.1 en 1.2 vermelde bedragen aan leges zijn berekend op de voet van dit hoofdstuk.

2.5.3. Tot de gedingstukken behoort een ‘Mandaatbesluit gemeente Lopik’, vastgesteld op 18 juni 2002, dat voor zover hier van belang als volgt luidt:

Staf middelen

Attributie

Nr. grondslag Aanwijzing ambtenaar naam

1 Art. 231, lid 2, sub b en c Gemw (…) Aangewezen als gemeenteambtenaar, bedoeld in genoemde artikelen van de Gemeentewet (sub b. belast met heffing gem.belastingen en sub c. belast met invordering gem.belastingen (…) De heer C

6 Art. 229, eerste lid, aanhef en onder b Gemw Aangewezen als invorderingsambtenaar ten aanzien van rechten voor het genot van diensten, door of vanwege het gemeentebestuur verstrekt, conform de Legesverordening De heer C

2.6. Overwegingen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep bij de rechtbank

2.6.1. De onder 1.3 vermelde uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend 10 augustus 2005 en blijkens een op de uitspraken geplaatste stempelafdruk op dezelfde dag bekendgemaakt. Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van die wet, diende het beroepschrift uiterlijk op 21 september 2005 door de rechtbank te zijn ontvangen. Het beroepschrift, dat is gedagtekend 21 september 2005, is per post verzonden en door de rechtbank ontvangen op 26 september 2005.

2.6.2. In artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bepaald dat bij verzending per post een bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van die termijn is ontvangen. Op grond van de dagtekening van het beroepschrift en de verklaring van belanghebbende ter zitting van 24 oktober 2008, dat hij het beroepschrift op 21 september 2005 voor de laatste lichting van de brievenbus persoonlijk op de post heeft gedaan, acht het Hof aannemelijk dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Nu het beroepschrift binnen een week na afloop van die termijn is ontvangen, zijn de beroepen tijdig ingediend.

Ten aanzien van de bevoegdheid tot heffing van de leges

2.6.3. De onderhavige legesheffing behoort tot de gemeentelijke belastingen als bedoeld in artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet. Ingevolge deze bepaling geschiedt de heffing van die belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ingevolge artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet gelden de bevoegdheden van de inspecteur, waaronder de bevoegdheid belastingaanslagen vast te stellen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen.

2.6.4. Bij aanwijzingsbesluit van 18 juni 2002, aangehaald onder 2.5.3 onder het kopje ‘Attributie’, nr. 1, heeft het college van burgemeester en wethouders C aangewezen als de gemeenteambtenaar, belast met de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. In dit besluit is onder nr. 6 dezelfde persoon aangewezen als invorderingsambtenaar ten aanzien van de daar genoemde leges. Bij mandaatbesluit van dezelfde datum, aangehaald onder 2.5.3 onder het kopje ‘Staf middelen’, nr. 5, heeft C het hoofd van het bureau Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting gemandateerd om namens hem op te treden voor de invordering van bouwleges.

2.6.5. Het Hof stelt vast dat de bevoegdheid tot het invorderen van de onderhavige leges wel is gemandateerd aan het hoofd van het bureau Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting, maar de bevoegdheid om een aanslag in die leges op te leggen niet. B was derhalve niet bevoegd om in zijn hoedanigheid van hoofd van het bureau R.O.V. namens de heffingsambtenaar de verschuldigdheid van leges door belanghebbende vast te stellen. De heffingsambtenaar had hem daartoe immers geen mandaat verleend. Hieruit volgt dat de onderhavige leges zijn geheven door een daartoe niet bevoegde ambtenaar.

2.6.6. De heffingsambtenaar heeft nog gesteld dat sprake is van een verschrijving in het onder 2.5.3 aangehaalde Mandaatbesluit, in die zin dat onder Staf middelen, punt 5, ten onrechte alleen de invordering van bouwleges is vermeld. Het Hof kan de heffingsambtenaar hierin niet volgen. In het tot de gedingstukken behorende besluit van 10 juli 2002 met als onderwerp “Vaststelling mandaatstelsel, attributiebesluit en algemeen machtigingsbesluit sector Grondgebied” is bij de onder II aan C gegeven aanwijzing eveneens slechts sprake van mandatering inzake de invordering van bouwleges. Niet aannemelijk is dan ook dat het dienovereenkomstig vastgestelde Mandaatbesluit op dit punt een misslag bevat.die op één lijn kan worden gesteld met een kennelijke verschrijving. In dit verband merkt het Hof nog op, dat ook de in het aanwijzingsbesluit onder nr. 6 getroffen specifieke regeling voor bepaalde leges slechts op de invordering van die leges betrekking heeft.

Slotsom

2.6.7. Uit het sub 2.6.3 tot en met 2.6.6 overwogene volgt dat het gelijk aan belanghebbende is. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen bespreking meer. De uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag moeten worden vernietigd.

2.6.8. Ten overvloede merkt het Hof nog op dat het voorbij gaat aan de omstandigheid dat de uitspraken op bezwaar zijn ondertekend namens Burgemeester en wethouders van Lopik, welk college daartoe, gelet op de onder 2.6.3 genoemde wetsbepalingen, niet bevoegd was. Het Hof neemt aan dat de heffingsambtenaar uit eigen hoofde dezelfde beslissing zou hebben genomen en dus de de door Burgemeester en wethouders gedane uitspraken voor zijn rekening zou hebben willen nemen.

2.7. Proceskosten

2.7.1. Het Hof acht termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in het beroep en het hoger beroep. Voor kosten van door de gemachtigde verleende rechtsbijstand worden toegekend 5 punten (beroepschrift en zitting rechtbank, beroepschrift Hof, zitting Hof, schriftelijke inlichtingen en nadere zitting Hof) maal 1 (wegingsfactor gewicht van de zaak) maal € 322, dat is € 1.610. Voor reiskosten van belanghebbende worden toegekend € 10 voor de zitting bij de rechtbank en € 33 voor de zittingen bij het Hof, in totaal dus € 43. Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gesteld noch gebleken.

2.7.2. Ook het griffierecht van beide instanties, € 37 en € 105,-, dient aan belanghebbende te worden vergoed.

3. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraak van de heffingsambtenaar;

- vernietigt de van belanghebbende geheven leges, vermeld onder 1.1 en 1.2;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende en gelast de

gemeente Lopik deze kosten, groot € 1.653, aan belanghebbende te voldoen;

- gelast de gemeente Lopik het griffierecht van het geding in eerste aanleg en van het hoger beroep, in totaal € 142,-, aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld op 16 januari 2009 door mr. O.B. Onnes, voorzitter, mrs. H.E. Kostense en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Aalst, griffier. De beslissing is op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken.

De griffier: De voorzitter:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.