Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:296

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-03-2009
Datum publicatie
03-03-2014
Zaaknummer
106.002.651-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanbestende vennootschap betaalt niet en biedt geen verhaal. Aansprakelijkheid van bestuurders van vennootschap?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

(rolnummer 585/05)

17 maart 2009

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZESDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT IN PRINCIPAAL BEROEP,

GEÏNTIMEERDE IN INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. H.J. Blaisse, te Amsterdam,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE].,

gevestigd te [plaats],

GEÏNTIMEERDE IN PRINCIPAAL BEROEP,

APPELLANTE IN INCIDENTEEL BEROEP,

advocaat: mr. A. van Hees, te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna respectievelijk [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 3 mei 2007 een tussenarrest uitgesproken. Voor het procesverloop tot die datum verwijst het hof naar dat tussenarrest.

Bij aktes van respectievelijk 26 juli 2007 en 4 oktober 2007 hebben [appellant] respectievelijk [geïntimeerde] zich uitgelaten naar aanleiding van het tussenarrest.

Vervolgens hebben partijen aan het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In genoemd tussenarrest heeft het hof overwogen dat het voor de beoordeling van de derde en achtste grief van [appellant] behoefte heeft aan deskundige voorlichting, deels (namelijk met betrekking tot de onder 4.12 en 4.20 besproken kwesties) door middel van een aanvullende rapportage door de in eerste aanleg benoemde deskundige, deels (namelijk met betrekking tot de onder 4.15 besproken kwestie) door middel van een nieuw deskundigenbericht.

2.2.

Ten aanzien van de door het hof voorgestelde vraagstelling heeft [appellant] in zijn akte laten weten dat hij deze onderschrijft en geen nadere concrete vragen voorstelt. [geïntimeerde] heeft in haar akte de suggestie gedaan om in de vraagstelling onder 4.15 de woorden “onder meer” toe te voegen (“of [appellant] op 17 februari 1999 naar redelijke verwachting de mogelijkheid had om ten behoeve van de nakoming van de verplichtingen van [X] tegenover onder meer [geïntimeerde] (tijdig) zonodig aanvullende financiële middelen te verkrijgen uit de verkoop van de bestaande registraties”). Het hof volgt [geïntimeerde] niet in deze suggestie. Het eventuele belang van de crediteurenpositie van [appellant] op genoemde datum is in dit stadium niet aan de orde. Ter vermijding van mogelijk misverstand zal het hof de desbetreffende zinsnede uit de vraagstelling schrappen.

2.3.

Ten aanzien van de professie en persoon van de te benoemen deskundige(n) voor het uit te brengen deskundigenbericht heeft na de hierboven onder 1 vermelde aktewisseling een veelvuldige en langdurige correspondentie plaatsgehad tussen de advocaten van partijen en de griffier. Het hof zal tot deskundige benoemen [Y] voor het in r.o. 4.12 en 4.20 van het tussenarrest bedoelde nadere onderzoek. Voor het in r.o. 4.15 bedoelde onderzoek zal het hof twee deskundigen benoemen: eveneens [Y] en daarnaast drs. M. Hermse RV.

2.4.

In het tussenarrest is reeds beslist dat het voorschot voor het loon en de kosten van de deskundigen door elk van partijen bij helfte dient te worden betaald.

3 Beslissing

Het hof

gelast een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

  • -

    a) wat is uw oordeel over hetgeen in het rapport van [Z] van 29 juli 2005 (productie 36 bij memorie van grieven) is vermeld op de tweede en derde bladzijde onder a (vgl. het tussenarrest onder 4.12)?;

  • -

    b) wat is uw oordeel over hetgeen in het genoemde rapport van [Z] is vermeld op de derde en vierde bladzijde onder b (vgl. eveneens het tussenarrest onder 4.12)?;

  • -

    c) wat is uw oordeel over het bezwaar van [appellant] zoals toegelicht bij memorie van grieven onder 2.66 tegen de overweging van de rechtbank dat [X] tegelijk met het verstrekken van de lening van f 1 miljoen door [appellant] een bedrag van f 325.000,- aan Ace heeft geleend (vgl. het tussenarrest onder 4.20)?;

  • -

    d) blijken uit uw onderzoek andere feiten en omstandigheden en/of geeft uw onderzoek aanleiding tot het maken van andere opmerkingen die van belang kunnen zijn voor een juiste beoordeling van deze zaak?


benoemt tot deskundige om het onderzoek naar aanleiding van de vragen (a) t/m (d) te verrichten:

[adres]

gelast een onderzoek door deskundigen ter beantwoording van de volgende vragen:

(1) had [appellant] op 17 februari 1999 naar redelijke verwachting de mogelijkheid om zonodig aanvullende financiële middelen te verkrijgen uit de verkoop van de bestaande registraties? Bij de beantwoording hiervan zou (in elk geval) aandacht moeten worden besteed aan de volgende kwesties (alle beoordeeld vanuit het perspectief van de redelijke verwachting op 17 februari 1999):

  • -

    zou verkoop de continuïteit van de onderneming in gevaar brengen?

  • -

    welke gevolgen zou verkoop hebben voor de winstgevendheid van de onderneming?

  • -

    zou ‘contractproductie’ of het bedingen van ‘afgeleide registraties’ zoals door [appellant] gesteld, mogelijk zijn geweest?

  • -

    zouden de registraties gemakkelijk en op korte termijn te gelde kunnen worden gemaakt?

  • -

    wat zou de te verwachten opbrengst zijn?

  • -

    hoe zou de opstelling zijn van de bank en GOM, in aanmerking genomen de kredietovereenkomst van 7 september 1998 (productie 3 bij conclusie van antwoord) en de participatieovereenkomst (productie 4 bij conclusie van antwoord)?

(2) blijken uit uw onderzoek andere feiten en omstandigheden en/of geeft uw onderzoek aanleiding tot het maken van andere opmerkingen die van belang kunnen zijn voor een juiste beoordeling van deze zaak?


benoemt tot deskundigen om gezamenlijk het onderzoek naar aanleiding van de vragen (1) en (2) te verrichten:

[adres]

en

[adres]

bepaalt dat de griffier een afschrift van dit arrest aan de deskundigen zal toezenden;

bepaalt dat partijen vóór 7 april 2009 kopieën van de overige gedingstukken aan de deskundigen zullen doen toekomen en dat zij de deskundigen voorts zullen voorzien van aanvullende gegevens indien zij dit noodzakelijk achten voor hun onderzoek;

bepaalt dat de deskundigen het onderzoek zelfstandig – dat wil zeggen niet onder leiding van het hof – zullen verrichten;

bepaalt dat aan de deskundige [Y] een bedrag groot € 9.284,- incl. BTW en aan de deskundige Hermse een bedrag groot € 35.000,- incl. BTW als voorschot op loon en kosten toekomt;

bepaalt dat zowel [appellant] als [geïntimeerde] vóór 7 april 2009 € 22.142,- zal overmaken op rekeningnummer [Y] van het gerechtshof te Amsterdam onder vermelding van zaaknummer 106.002.651/01;

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na deponering van deze voorschotten de deskundigen hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundigen pas dan met het onderzoek behoeven te beginnen;

bepaalt dat de deskundigen een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht zullen inleveren ter griffie van het hof vóór 14 juli 2009, onder indiening van hun declaratie onder vermelding van zaaknummer 106.002.651/01;

verstaat dat de deskundigen bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, dat uit het schriftelijke bericht van de deskundigen moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan en dat van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken in dit schriftelijke bericht melding wordt gemaakt;

verwijst de zaak naar de rol van 25 augustus 2009 voor het nemen van een memorie na deskundigenbericht, eerst door [appellant] en vervolgens door [geïntimeerde], waarbij wordt bepaald dat, indien het deskundigenbericht niet voor 14 juli 2009 zal zijn ontvangen, [appellant] aanhouding zal worden verleend zodanig dat hij minstens een termijn van zes weken zal hebben voor het opstellen van zijn memorie, waarna aan [geïntimeerde] eenzelfde termijn voor contra-memorie zal worden verleend als aan [appellant] ter beschikking heeft gestaan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.F. Schütz, R.J.F. Thiessen en M.M.M. Tillema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2009.