Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2009:2111

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-09-2009
Datum publicatie
14-04-2014
Zaaknummer
23-004397-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen terroristisch oogmerk

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-004397-07

datum uitspraak: 3 september 2009

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Amsterdam van 26 juni 2007 in de strafzaak onder parketnummer 13-529170-06 van het openbaar ministerie tegen

Verdachte,

geboren te A op B,

adres: C.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 26 juni 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 20 augustus 2009.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte - onder bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM - zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd voor de duur van twee jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringstoezicht alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 220 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door hechtenis voor de duur van 110 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag.

Vrijspraak

Het hof acht het terroristisch oogmerk in het de verdachte primair ten laste gelegde niet bewezen, gelet op de daarvoor in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht gegeven definitie. Mede gelet op de wetsgeschiedenis wordt daaronder immers verstaan ‘het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen’ (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, p. 2). Deze typering maakt duidelijk dat -in het kader van de beantwoording van de vraag of een misdrijf is begaan met een terroristisch oogmerk- niet beslissend is welk gevolg door de gedraging wel of niet kan worden verwezenlijkt, maar welk gevolg de dader met zijn gedraging daadwerkelijk beoogde. Daarvoor zijn geen serieuze en geloofwaardige aanwijzingen in het dossier en evenmin tijdens het onderzoek ter terechtzitting gevonden (arrest van het Gerecht van Eerste Aanleg van het Europese hof te Luxemburg van 2 september 2009 in de zaak El Morabit). Deze subjectieve intentie acht het hof in de onderhavige zaak niet wettig en overtuigend bewezen.

Met betrekking tot het de verdachte subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat bij de verdachte het oogmerk heeft bestaan de geadresseerden van het door de verdachte verstuurde e-mailbericht te bedreigen met de dood dan wel zwaar lichamelijk letsel. Op basis van het psychologisch rapport, opgemaakt door D., moet veeleer worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ‘negatieve manier om aandacht (voor zijn eigen persoon) te vragen’ (p. 7 en 13), zonder dat vorenbedoeld oogmerk bij verdachte heeft bestaan.

Gelet op het hiervoor overwogene is naar het oordeel van het hof derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de derde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.W.J. den Ottolander, mr. R.C.P. Haentjens en mr. A.G. Korvinus, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 september 2009.

Mr. A.G. Korvinus is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.