Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BX6293

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
23-003694-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijgesproken van poging tot moord op broef. Veroordeeld terzake van poging tot doodslag (met kracht met groot vleesmes in de onderbuikstreek gestoken) tot een gevangenisstraf en gelast tevens dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd. Beroep op noodweer verworpen nu geenszins aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Een beroep op noodweerexces kan daarom evenmin slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-003694-06

datum uitspraak: 5 december 2008

TEGENSPRAAK

ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Alkmaar van

18 juli 2006 in de strafzaak onder de parketnummers 14-810127-06 en 14-010150-04 (TUL) van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I..

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 juli 2006 en op de terechtzittingen in hoger beroep van 30 september 2008 en 21 november 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

Bewezenverklaarde

Bespreking van ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren

Namens de verdachte heeft de raadsman gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

De raadsman heeft daartoe ten eerste aangevoerd dat de verklaring van de aangever over de toedracht van de steekpartij niet overeenkomt met hetgeen de verdachte daarover heeft verklaard. Temeer nu de verklaring van de aangever in het dossier op geen enkele wijze nader wordt ondersteund, moet deze onvoldoende betrouwbaar worden geacht en kan deze niet bijdragen tot het bewijs, aldus de raadsman.

Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte niet de opzet had zijn broer te doden.

Het hof verwerpt dit deze verweren en overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd over de toedracht van de steekpartij.

Daar staat tegenover dat de aangever consistent en gedetailleerd heeft verklaard over hetgeen op 20 maart 2006 is voorgevallen en dat de verklaringen van de verdachte en de aangever op essentiële punten overeenkomen.

Het hof gaat gelet op de verklaringen uit van het volgende:

De verdachte heeft op 20 maart 2006 op straat zijn broer, het latere slachtoffer, ontmoet.

De verdachte is uit zijn scootmobiel gestapt en heeft samen met zijn broer op straat een sigaret staan roken. De verdachte heeft vervolgens zijn broer met een mes, dat hij van te voren tussen zijn broeksband had gestopt, gestoken.

De verdachte heeft derhalve zijn broer met een vleesmes met een lemmet van circa 20 centimeter lang gestoken in de buikstreek, een zeer kwetsbaar deel van het lichaam. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn broer als gevolg hiervan zou komen te overlijden.

Partiële vrijspraak

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord op zijn broer.

Het hof acht de eigen verklaring van de verdachte, dat hij het mes van te voren tussen zijn broeksband had gestopt in verband met een mogelijke ontmoeting met zijn broer, alsmede de verklaring van getuigen, dat de verdachte in het verleden regelmatig heeft gezegd dat hij zijn broer zou willen doden, onvoldoende voor het bewijs dat de verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gestoken. De verdachte zal dan ook van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 20 maart 2006 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (verdachtes broer) van het leven te beroven, met dat opzet uit zijn, verdachtes, voertuig een groot vleesmes heeft gepakt en dat mes in zijn broeksband heeft gestopt en naar die [slachtoffer] is toegestapt en in gesprek is geraakt met die [slachtoffer] en die [slachtoffer] met kracht met dat mes in de onderbuikstreek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november 2008

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Ik heb op 20 maart 2006 in [plaats] mijn broer [slachtoffer] met een mes in de buikstreek gestoken.

2. Een proces-verbaal met nummer PL 1030/06-141051 van 22 maart 2006, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [namen verbalisanten] .

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 maart 2006 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer] (het hof begrijpt: I):

Ik heb al langere tijd problemen met mijn broer [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte). Op 20 maart 2006 ben ik naar mijn woning gelopen. Op de hoek [naams straat] kwam ik mijn broer tegen in zijn scootmobiel. We raakten in gesprek. Hij stapte van zijn scootmobiel. Toen hij dicht bij mij stond, stak hij mij plotseling met een mes in de buik.

Ik voelde dat hij het mes verder in mijn buik probeerde te duwen, maar ik kon dat tegenhouden en het mes uit mijn buik trekken. Ik ben overgebracht naar het ziekenhuis en daar ben ik geopereerd.

3. Een geneeskundige verklaring van H.D. Tjeenk Willink, chirurg, gedateerd 21 maart 2006 (doorgenummerde pagina 57).

Een kopie van deze verklaring is als bijlage I aan dit arrest gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer

Namens de verdachte heeft de raadsman gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dan wel noodweerexces, omdat hij door zijn broer, het slachtoffer, werd aangevallen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de feiten en omstandigheden zoals het hof deze hiervoor reeds heeft vastgesteld, is geenszins aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Het steken met het mes door de verdachte kan derhalve niet zijn geboden uit hoofde van een - tegen die wederrechtelijke aanranding - noodzakelijk gebleken verdediging.

Een beroep op noodweer komt de verdachte dan ook niet toe. Gelet op het voorgaande kan een beroep op noodweerexces evenmin slagen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het tenlastegelegde (poging tot moord) veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, met bevel dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank heeft beslist dat de in beslag genomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer, dan wel zullen worden teruggegeven aan [slachtoffer] dan wel aan de verdachte.

Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de in de zaak met parketnummer 14.010150.04 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde (poging tot moord) zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregelen als in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van zijn broer - met wie de verdachte reeds lange tijd een problematische verstandhouding had - door deze tijdens een gesprek op straat onverhoeds met een mes in de buikstreek te steken.

Slechts een directe en adequate reactie van het slachtoffer heeft kunnen voorkomen dat hem mogelijk ernstiger verwondingen werden toegebracht. Door de hulp van een andere broer is het slachtoffer onverwijld de benodigde medische hulp geboden.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 juni 2008 is de verdachte eerder ter zake van geweldsdelicten veroordeeld.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf voorts gelet op de inhoud van de navolgende over de verdachte uitgebrachte rapporten:

- een voorlichtingsrapport van de Brijder Verslavingszorg Reclassering Arrondissement Alkmaar van 29 juni 2006, opgemaakt door T. van der Molen, reclasseringswerker;

- een psychologisch rapport van 29 juni 2006, opgemaakt door D. Breuker, gezondheids- en forensisch psycholoog;

- een psychiatrisch rapport van 27 juni 2006, opgemaakt door M.D. van Ekeren, psychiater en vast gerechtelijk deskundige;

- een psychologisch rapport van 21 december 2007, opgemaakt door H. Scharft, psycholoog;

- een aanvullend psychiatrisch rapport van 11 september 2008, opgemaakt door M.D. van Ekeren voornoemd.

Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer

Namens de verdachte heeft de raadsman gesteld dat het rapport van M.D. van Ekeren van

11 september 2008 ondeugdelijk is, nu het onderzoek van deze deskundige heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van een tolk [-].

Tevens heeft de raadsman medegedeeld dat hij zijn cliënt heeft geadviseerd aan de totstandkoming van de rapporten volledig zijn medewerking te verlenen en dat dat advies voor hem de reden is geweest in te stemmen met het onderzoek buiten aanwezigheid van een tolk om de voortgang van de onderzoeken te bevorderen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat, bij een onderzoek door een (gedrags)deskundige, het vooraleerst aan de deskundige is voorbehouden te bepalen of bijstand van een tolk nodig is. In zijn rapport van 29 juni 2006 vermeldt de deskundige Breuker (pagina 3): “er werd geen gebruik gemaakt van een tolk bij het vervolggesprek, omdat er goed met betrokkene gecommuniceerd kon worden”. In zijn rapport van 11 september 2008 vermeldt de deskundige Van Ekeren (pagina 3): “betrokkene bleek het gesprek op 28 augustus 2008, dat anderhalf uur duurde, goed te volgen. Betrokkene zelf bleek er desgevraagd geen probleem mee te hebben dat de tolk niet aanwezig was”.

Daarnaast heeft de verdachte zelf bij zijn verhoor op 21 maart 2006 tegenover de politie (dossierpagina 79) verklaard dat hij de Nederlandse taal vrij goed beheerst en dat hij ermee instemt dat dat verhoor in beginsel in de Nederlandse taal plaatsvindt.

Bij deze stand van zaken heeft het hof geen aanleiding te veronderstellen dat de rapportage van M.D. van Ekeren als gevolg van het ontbreken van een tolk tijdens het onderzoek ondeugdelijk is en wordt het verweer mitsdien verworpen.

Het rapport van 11 september 2008 van M.D. van Ekeren houdt onder meer het volgende in:

De stukken beziend en eerdere rapportage in acht nemend komt onderzoeker tot de conclusie dat de bevindingen in eerder onderzoek nog onverkort gelden. Weliswaar heeft de door de detentie gedwongen remissie van het alcoholgebruik tot een afname van psychische klachten - de pseudo-hallucinaties en de slaapstoornissen - geleid, de persoonlijkheidsdynamiek is nog onverminderd aanwezig: vooral de spanningen en afgeweerde, niet tot het bewustzijn doordringende, gekrenkte woedegevoelens ten aanzien van de oudste broer, slachtoffer in onderhavig tenlastegelegde, komen onverminderd, en ook onverminderd heftig, in het onderzoeksgesprek naar voren. Daarbij valt opnieuw op dat het zelfgevoel van betrokkene uiterst laag is, waardoor hij extra gevoelig is voor krenkingen of teleurstellingen. De problemen in zijn leven zijn enorm heftig voor betrokkene, maar hij is niet in staat ook maar enige oorzaak van welk probleem dan ook bij zichzelf te leggen: hij stelt slechts zijn broer onverminderd verantwoordelijk. Onderzoeker is van mening dat de negatieve gevoelens en gevoelens van boosheid nog dusdanig sterk zijn dat een hernieuwde demping door middel van alcohol zeer waarschijnlijk is, mede gezien het ontbreken van enig ziektebesef en ziekte-inzicht en bovendien het ontbreken van wezenlijk inzicht in de gevaren die alcoholgebruik voor hem betekenen. Een verlaging van de impulsdrempel in verder zelfdestructief gedrag, maar ook het naar buiten komen van de nog steeds gestapelde woede op het slachtoffer is dan naar de mening van onderzoeker opnieuw onvermijdelijk. De zwakbegaafdheid van betrokkene draagt dan bij aan de beperkte mate van zicht die hij heeft op zijn handelen en de gevolgen daarvan.

Gezien het nog immer ontbreken van enige klinische behandelmotivatie die noodzakelijk is om behandeling te laten welslagen, ziet onderzoeker op grond van het bovenstaande ook in dit aanvullende onderzoek geen andere mogelijkheid dan Uw college te adviseren om betrokkene behandeling op te leggen in het kader van ter beschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

Het rapport van 21 december 2007 van H. Scharft houdt onder meer het volgende in:

Duidelijk is dat betrokkene langdurige woedegevoelens koestert richting de aangever en diens partner. De indruk rijst dat betrokkene in de periode voorafgaande aan het tenlastegelegde, naast ernstige verslavingsproblemen, tevens depressieve klachten kende. Bij het plegen van het tenlastegelegde - indien bewezen - lijkt er dan ook sprake geweest te zijn van een doorbraak van langer bestaande agressieve gevoelens richting aangever, die versterkt werden door het feit dat betrokkene onder invloed van alcohol was en tevens wanhopig was over de toekomst tengevolge van de depressieve klachten. Het alcoholgebruik was dermate verweven met zijn persoonlijkheidsproblematiek, dat hij hierover slechts in beperkte mate controle had.

Hij had bij het plegen van het tenlastegelegde derhalve slechts in beperkte mate controle over zijn gedrag en op grond hiervan wordt geadviseerd hem het tenlastegelegde bij een bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen. Het recidivegevaar op korte termijn lijkt niet al te hoog, nu aangever inmiddels niet meer in Nederland woont. Op de langere termijn valt het recidivegevaar wat moeilijker in te schatten. Aangever, het directe onderwerp van betrokkenes boosheid, verblijft weliswaar niet in Nederland, maar de omstandigheden waarover betrokkene boos is zijn onveranderd. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat wanneer de boosheid hierover naar boven komt, betrokkene iemand of iets anders zal trachten te zoeken om zijn boosheid op te uiten. Met name onder invloed van drank komen de dingen waarover hij zich kwaad maakt boven. Na een vorige detentie is gebleken dat hij niet in staat is om zelf zonder gedwongen hulp abstinent te blijven. Voor het beperken van het recidivegevaar is dit wel noodzakelijk. Aangezien betrokkene vooralsnog weigert mee te werken aan een terbeschikkingstelling met voorwaarden, vervalt deze optie.

Dit houdt in dat, wanneer het hof het noodzakelijk acht dat de stoornis van betrokkene behandeld wordt, alleen de terbeschikkingstelling met verpleging als reële optie overblijft.

Op de terechtzitting in hoger beroep van 30 september 2008 heeft de deskundige Scharf voorts onder meer het volgende verklaard:

Er is sprake van een hevige alcoholverslaving en er is een kans dat de verdachte terugvalt. Alcohol is in het algemeen een risicofactor voor recidive. De motieven die aan het alcoholgebruik ten grondslag liggen zijn bijvoorbeeld stress, zaken die mis zijn gegaan in het leven en de schuld buiten zichzelf leggen. De verdachte is moeilijk te behandelen als hij zijn eigen problemen niet ziet. Het dringt niet tot hem door hoe ernstig zijn problemen zijn.

Het hof neemt voornoemde conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de zijne.

Omtrent de persoon van de verdachte overweegt het hof nog het volgende:

De verdachte is in 2004 eerder veroordeeld voor het steken met een mes in de rug van de partner van zijn broer, het slachtoffer in de onderhavige strafzaak.

Uit verklaringen van de familie van de verdachte en de vele mutaties van de politie, die zich in het dossier bevinden, komt naar voren dat de situatie rond de verdachte al geruime tijd als zodanig zorgelijk wordt ervaren, dat behandeling van zijn persoonlijke problematiek dringend gewenst wordt geacht.

Het hof acht gelet op het voorgaande de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Het hof zal, gelet op voornoemde rapporten van de gedragsdeskundigen omtrent de persoon van de verdachte, voorts de terbeschikkingstelling van de verdachte gelasten, nu op het door de verdachte begane feit een misdrijf is, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen het opleggen daarvan vereist.

Het hof zal voorts bevelen dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd, nu de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen die verpleging eist, een en ander overeenkomstig het in voornoemde rapportages uitgebrachte advies.

De hierna als zodanig te melden inbeslaggenomen voorwerpen,

te weten:

a. 1 stk mes, kleur zwart - diepvries

b. 1 stk mes, kleur bruin - vlees

dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Het bewezengeachte is met behulp van het voorwerp genoemd onder b. begaan.

De voorwerpen behoren voorts toe aan de verdachte en zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door de verdachte begane misdrijf aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.

Vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank te Alkmaar van 3 augustus 2004, parketnummer 14-010150-04, van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 37a, 37b, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezenverklaarde omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen vermeld op de beslaglijst, te weten:

a. 1 stk mes, kleur zwart - diepvries

b. 1 stk mes, kleur bruin - vlees.

Gelast de teruggave aan [Il van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen vermeld op de beslaglijst, te weten:

g. 2 stk sok, kleur zwart

h. 1 stk broek, kleur zwart - trainings

i. 1 stk ondergoed, kleur zwart - broek

j. 1 stk hemd, kleur wit - opschrift casa mia

k. 2 stk schoeisel, kleur grijs

l. 1 stk trui, kleur groen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

1 stk jas, kleur zwart.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Alkmaar van 3 augustus 2004, met parketnummer 14-010150-04, te weten:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Dit arrest is gewezen door de tweede meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. N.A. Schimmel en mr. D.J.M.W. Paridaens - van der Stoel, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Huizenga, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 december 2008.