Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BX5607

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-03-2008
Datum publicatie
24-08-2012
Zaaknummer
23-000631-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2007:AZ8245, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen van poging tot doodslag (steken met mes)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000631-07

datum uitspraak: 11 maart 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 18 januari 2007 in de strafzaak onder parketnummer 15-630762-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende op het adres [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 4 januari 2007 en op de terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2008.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte (hierna ook [verdachte] te noemen) is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, overeenkomstig de op de terechtzitting in eerste aanleg 4 januari 2007 op vordering van de officier van justitie toegestane wijziging tenlastelegging.

Van die dagvaarding en vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

op 10 september 2006 te Zaandam, gemeente Zaanstad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk D. [slachtoffer] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met anderen met dat opzet meermalen met een mes in de flank, borst en arm van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van de ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het in casu voorgevallene zich niet laat kwalificeren als een poging tot moord.

Het hof leidt uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, in onderling verband en samenhang beschouwd, het volgende af.

[mededader 1] is er eind augustus 2006 achter gekomen dat zijn toenmalige vriendin [vriendin] ook een relatie onderhield met het latere slachtoffer [slachtoffer]. Naar aanleiding van die ontdekking zijn door [mededader 1] en [slachtoffer] via de MSN over en weer bedreigingen geuit. Op initiatief van [mededader 1] (en mogelijk ook van de moeder van [vriendin]) is daarop het plan ontstaan om [slachtoffer] een "lesje te leren". [mededader 1] en [verdachte] hebben in de week voorafgaand aan de steekpartij hierover via de MSN contact gehad. [mededader 2] is pas later, door [mededader 1], bij het plan betrokken.

Op 9 september 2006 zijn [mededader 1], [mededader 2] en [verdachte] bij [moeder van vriendin] op bezoek geweest. [moeder van vriendin] heeft hen daar foto's van [vriendin] getoond. Daarna zijn zij naar de McDonald's in Haarlem gereden, alwaar [mededader 2] op de hoogte is gebracht van de bedoelingen met [slachtoffer]. Afgesproken werd dat [mededader 1] hen - [mededader 2] en [verdachte] - in Zaandam zou afzetten en dan zou doorrijden naar Hoorn.

In de auto onderweg naar Zaandam had [mededader 2] een met zwart tape omwikkelde stok bij zich en [verdachte] een mes. [mededader 1] en [mededader 2] wisten dat [verdachte] dit mes bij zich had. [verdachte] had dit mes ongeveer een week voor de steekpartij van een vriend geleend. [verdachte] had ook handschoenen bij zich. Dat hij die handschoenen bij zich had om sporen te voorkomen, zoals door hem op 28 september 2006 verklaard, betwist hij ter terechtzitting in hoger beroep.

[mededader 2] en [verdachte] kregen [vriendin] en [slachtoffer] op de kermis al snel in het oog. [verdachte], die door alcoholgebruik erg agressief en opgefokt was, wilde direct op [slachtoffer] af. Aangezien er veel mensen om [vriendin] en [slachtoffer] heen stonden, heeft [mededader 2] hem toen tegengehouden. Wel hebben zij [vriendin] en [slachtoffer] in de gaten gehouden en zijn zij hen bij het verlaten van de kermis gevolgd. Toen [vriendin] en [slachtoffer] een (rustig) steegje inliepen, is [mededader 2] naar [slachtoffer] gerend en heeft hij hem met die knuppel tegen zijn knie geslagen. Vervolgens heeft [verdachte] [slachtoffer] met het mes gestoken.

Na de steekpartij zijn [mededader 2] en [verdachte] weggerend. [mededader 1] heeft hen, na telefonisch contact, opgehaald.

Dat aldus sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [mededader 1], [mededader 2] en [verdachte] om [slachtoffer] "een lesje te leren", is evident. Dan rijst de vraag of [mededader 1] en [mededader 2] er rekening mee hadden moeten houden dat de verdachte toen en daar dat mes zou gebruiken? Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Het hof acht in dit verband redengevend dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] in elkaar te slaan, dat [mededader 2] en [verdachte] op dat moment een wapen bij zich droegen ([mededader 2] een geprepareerde knuppel en [verdachte] een mes), dat [mededader 1], [mededader 2] en [verdachte] dat van elkaar wisten en dat [verdachte] bij aankomst op de kermis zeer agressief reageerde. Dat [mededader 2] en niet [verdachte] uiteindelijk de eerst 'klap' aan [slachtoffer] heeft uitgedeeld doet hieraan niet af.

[verdachte] heeft [slachtoffer] vervolgens met een mes in de kwetsbare delen van het lichaam gestoken, te weten in de linkerarm, de linkerborst en de linkerflank. [slachtoffer] heeft daarbij ook een klaplong opgelopen. De stelling dat [verdachte] slechts eenmaal heeft gestoken, vindt geen steun in de bewijsmiddelen. [verdachte] - en derhalve ook [mededader 1] en [mededader 2] als medeplegers - heeft door [slachtoffer] op die plekken met een mes te steken, naar het oordeel van het hof, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] ten gevolge van dat steken zou komen te overlijden. Dat hij [slachtoffer] slechts oppervlakkig heeft verwond doet daaraan niet af.

Het hof acht derhalve bewezen dat het opzet van [mededader 1], [verdachte] en [mededader 2] - in de zin van voorwaardelijk opzet - was gericht op het van het leven beroven van [slachtoffer].

Het hof heeft, anders dan de rechtbank, niet de overtuiging gekregen dat er voorafgaande aan het slaan en steken van [slachtoffer] zodanig kalm en rustig beraad heeft plaatsgevonden tussen de drie daders, dat sprake is van poging tot moord. De gebeurtenissen die direct voorafgingen aan het slaan en steken van [slachtoffer] en de tijdsduur tussen die gebeurtenissen zijn niet precies komen vast te staan. Mede tegen de achtergrond van de intenties van de daders, zoals het hof deze hiervoor heeft gekwalificeerd, kan voorbedachte rade niet worden bewezen.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte ter zake van het medeplegen van poging tot moord veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het medeplegen van poging tot moord zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 6 maanden met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met [mededader 1] en [mededader 2] schuldig gemaakt aan de poging tot doodslag van [slachtoffer] door - op initiatief van [mededader 1] - in de nacht van 9 op 10 september 2006 met [mededader 2] naar de kermis in Zaandam te gaan om [slachtoffer] een lesje te leren. Verdachte, die zich agressief gedroeg, had een mes bij zich, [mededader 2] een geprepareerde stok. Zij hebben [slachtoffer] en [vriendin] in de gaten gehouden en, toen zij zich nadat geruime tijd was verstreken, op een rustige plek bevonden, heeft [mededader 2] die [slachtoffer] met de stok tegen de knie geslagen en heeft verdachte [slachtoffer] meerdere malen met een mes in het lichaam gestoken.

Verdachte heeft aldus een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer], hetgeen voor laatstgenoemde nadelige psychische gevolgen van mogelijk langere duur met zich kan brengen, hetgeen ook blijkt uit zijn slachtofferverklaring. Daarenboven worden door een feit als het onderhavige in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeggebracht en aangewakkerd.

Het hof heeft kennis genomen van de voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland van 1 november 2006 en een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 februari 2008, waaruit blijkt dat hij niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Alles afwegende en rekening houdend met de jonge leeftijd van de verdachte acht hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van de Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door die instelling.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde.

Dit arrest is gewezen door de 2e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens, mr. M.J.L. Mastboom en mr. B.W.M. van der Lugt, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 maart 2008.

Mr. Van der Lugt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.