Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BX5121

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-01-2008
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
23-000069-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

poging tot doodslag (snijden en steken met mes)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-000069-07

datum uitspraak: 2 januari 2008

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13-447450-06 van het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 8 december 2006 en op de terechtzitting in hoger beroep van 19 december 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

op 26 mei 2006 te Amsterdam ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de hals en in het gezicht heeft gesneden en in de borst heeft gestoken.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde, nu hij geen opzet had op de dood van [slachtoffer].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Toen de verdachte op 26 mei 2006 hoorde dat [slachtoffer] buiten stond is hij de woning van de ouders van zijn (toenmalige) vriendin uitgelopen in de richting van die [slachtoffer]. Met een mes, dat de verdachte bij zich droeg, heeft hij het slachtoffer vervolgens meerdere malen in het gezicht, de hals en de borst geraakt. Uit de medische informatie omtrent het slachtoffer blijkt dat het slachtoffer is gestoken in zijn hals en thorax en dat hij achter zijn oor en op zijn wang een forse snee had. Naar algemene ervaring is dit gedeelte van het menselijk lichaam zeer kwetsbaar, nu zich daar vitale organen bevinden. Het hof acht de kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden als gevolg van de toegebrachte messteken aanmerkelijk. Bij deze stand van zaken acht het hof bewezen dat de verdachte deze aanmerkelijke kans willens en wetens heeft aanvaard. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts aangevoerd dat sprake was van noodweer. Zij stelt dat, nu de verdachte meer dan éénmaal met een bevroren fles door het latere slachtoffer is aangevallen, sprake was van een wederrechtelijke aanranding. Nu niet is gebleken dat het latere slachtoffer voornemens was zijn aanval op de verdachte te staken, terwijl vluchten op dat moment geen optie meer was, was het optreden van de verdachte op dat moment noodzakelijk.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Hoewel zich verklaringen in het dossier bevinden dat het slachtoffer het initiatief tot geweld zou hebben genomen en daartoe verdachte met een fles bevroren drank heeft geslagen acht het hof dit niet voldoende aannemelijk geworden.

De verklaringen van de getuigen die daarover reppen zijn van verdachte en zijn (toenmalige) vriendin [getuige 1] en van [getuige 2] en [getuige 3], respectievelijk vader en moeder van die [getuige 1]. De verklaringen van verdachte en zijn vriendin komen op hoofdlijnen niet overeen met de verklaringen van bedoelde vader en moeder. Zo verklaren eerstgenoemden dat het slachtoffer verdachte op zijn hoofd sloeg en raakte en verklaren laatstgenoemden dat het slachtoffer wel richting verdachte sloeg maar [getuige 2] op de neus raakte.

Ook komen deze verklaringen niet overeen met de verklaringen zoals deze door het slachtoffer en twee van zijn vrienden, te weten [naam 1] en [naam 2], zijn afgelegd en die erop duiden dat juist verdachte (samen met [getuige 2]) de confrontatie heeft gezocht met het slachtoffer en in welke verklaringen geen sprake is van een bevroren fles drank.

Het hof neemt daarbij tevens in aanmerking dat uit het dossier valt af te leiden dat het slachtoffer en zijn vrienden naar de woning van de vriendin van verdachte zijn toegegaan om de problemen die waren ontstaan uit te praten. Aannemelijk is geworden dat [naam 2] met dat doel bij [getuige 2] en [getuige 3] binnen was en met hen een gesprek voerde. Echter, vrijwel onmiddellijk nadat laatstgenoemden en de overige in de woning aanwezigen hoorden dat het slachtoffer buiten stond zijn onder meer verdachte en [getuige 2] de woning uitgelopen richting het slachtoffer. Verdachte had daarbij een mes bij zich dat hij eerder in die woning bij zich had gestoken.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het slachtoffer als eerste zijn toevlucht tot geweld heeft gezocht en acht dus niet aannemelijk geworden dat verdachte in de door de raadsvrouw beschreven situatie terecht is gekomen, te weten één waarin het noodzakelijk was zich tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding te verdedigen. Het verweer wordt verworpen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

poging tot doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld als hierboven vermeld bij de beoordeling van het beroep op noodweer en daarop subsidiair een beroep op noodweerexces gegrond.

Nu gezien het vooroverwogene geen sprake is geweest van een noodweersituatie, faalt het beroep op noodweerexces eveneens. Het verweer van de raadsvrouw wordt mitsdien verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis, met als bijzondere voorwaarde dat hij zich na zijn detentie onverwijld stelt en dat gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van het Leger des Heils, afdeling reclassering, en zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook indien dat inhoudt het volgen van een Training Agressie Beheersing. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van EUR 1.500,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige is de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de eerste rechter zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de in dat vonnis vermelde toewijzing vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel. Zij vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van EUR 2.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging doodslag door op straat [slachtoffer] meerdere malen met een mes in zijn gezicht, hals en borst te raken, waardoor het slachtoffer ernstig (gezichts)letsel heeft opgelopen. Door deze handelwijze heeft de verdachte de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer ernstig geschonden. De verdachte heeft door zijn gedrag tevens gevoelens van onveiligheid in de maatschappij in het algemeen en bij het slachtoffer in het bijzonder veroorzaakt.

Hoewel bij ernstige feiten als deze een vrijheidsbenemende straf van lange duur geïndiceerd is, komt het hof in casu tot een andere strafmodaliteit, die inhoudt dat de verdachte niet hernieuwd gedetineerd raakt. Het hof houdt daarbij rekening met het volgende:

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals weergegeven in het adviesrapport van het Leger des Heils van 10 december 2007;

  • -

    een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 24 september 2007 waaruit blijkt dat hij niet eerder met justitie in aanraking is geweest wegens strafbare feiten;

  • -

    de korte duur die door de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, waarna hij is geschorst en de tijd die inmiddels sinds 26 mei 2006 is verstreken;

  • -

    de indruk van het hof dat sprake was van een éénmalige ontsporing.

Alles afwegend het hof na te melden straffen passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte primair tenlastegelegde.

Een gedeelte van de vordering is in eerste aanleg toegewezen. De benadeelde partij is voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 10.000,- zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd.

De verdachte heeft de hoogte van de vordering betwist.

Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezengeachte rechtstreeks schade heeft geleden. De vordering van de benadeelde partij zal dan ook tot na te melden bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.

Het hof acht voorts termen aanwezig om, als extra waarborg voor betaling van (het toegewezen gedeelte van) de vordering van de benadeelde partij, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich stelt en dat gedurende de proeftijd blijft onder toezicht en leiding van het Leger des Heils, afdeling reclassering, en zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat noodzakelijk oordeelt, ook indien dat inhoudt het volgen van een Training Agressie Beheersing .

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Beveelt dat bij niet naar behoren verrichten van de taakstraf, deze wordt vervangen door hechtenis voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer]:

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], wonende te Amsterdam, rekeningnummer [rekeningnummer], een bedrag van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat deze benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de Staat van een som geld, groot EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), zulks ten behoeve van [slachtoffer].

Beveelt voor het geval dat noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de 5e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.A.J. Dun, mr. A.H.A. Scholten en mr. J. Bevaart, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 januari 2008.

Mr. Bevaart is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen