Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BM4525

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
106.006.149/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2006:BA1268, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging splitsingsakte alleen vereist voor wijziging in constructie of omgrenzing van (delen van) appartementengebouw die gevolgen heeft voor de goederenrechtelijke situatie. Oorspronkelijke bestemming niet verloren, noch het genot daarvan beperkt, door exclusief gebruik als dakterras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

1. [A], wonend te [woonplaats], en

2. [B], wonend te [woonplaats],

gem. Aalsmeer,

APPELLANTEN,

procureur: mr. B. Külbs,

t e g e n

1. de vereniging VERENIGING VAN EIGENAARS ZOCHERSTRAAT 59 EN 61 TE AMSTERDAM, gevestigd te Amsterdam,

procureur: mr. H.G. Tienstra, en

2. [C], wonend te Amsterdam,

procureur: mr. A.C. Zweedijk,

GEINTIMEERDEN.

1. Het geding in hoger beroep

De partijen worden hierna (ook) [A] c.s. en De Vereniging respectievelijk [C] genoemd.

Bij dagvaarding van 3 januari 2007 zijn [A] c.s. in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 18 oktober 2006 in deze zaak onder rolnummer HA ZA 06-681 gewezen tussen [A] c.s. als eisers in conventie/verweerders in reconventie enerzijds en De Vereniging en [C] als gedaagden in conventie/eisers in reconventie anderzijds.

[A] c.s. hebben van grieven gediend en bewijs aangeboden met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, alsnog, in conventie de vorderingen van [A] c.s. zal toewijzen en in (voorwaardelijke) reconventie de vorderingen van De Vereniging en [C] zal afwijzen met veroordeling van De Vereniging en [C] in de kosten van de beide instanties.

Daarop hebben zowel De Vereniging als [C] een memorie van antwoord genomen, met conclusies, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met kosten.

Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van de beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.

2. Grieven

[A] c.s. hebben zes grieven voorgesteld, waarvoor wordt verwezen naar de desbetreffende memo¬rie.

3. Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Beoordeling

4.1 Uit de notulen van de vergadering van eigenaars van 19 april 2004 blijkt dat de vergadering unaniem instemt met de plannen van [C] om, kort weergegeven, het platte dak boven Zocherstraat 59 hs beloopbaar te maken, met dien verstande dat er een goed huishoudelijk reglement moet komen voor het gebruik van platte daken. Tegen dit door de rechtbank vastgestelde feit, is geen grief gericht.

Volgens [A] c.s. betekent dit dat aan de instemming met de plannen een voorwaarde is verbonden. Zonder goedgekeurd huishoudelijk reglement kan geen uitvoering worden gegeven aan de aanleg en het gebruik van het dakterras.

De Vereniging en [C] hebben deze interpretatie bestreden.

4.2 De rechtbank heeft overwogen dat uit de bewoordingen (“met dien verstande …”) niet zonder meer kan worden afgeleid dat aan de instemming met de plannen van [C] de door [A] c.s. bedoelde voorwaarde is verbonden en dat omstandigheden die dit anders zouden kunnen of moeten maken, niet door [A] c.s. naar voren zijn gebracht.

4.3 Het hof deelt het oordeel van de rechtbank. Uit de formulering in de notulen omtrent de instemming met de plannen van [C] (zie: hierboven) valt niet op te maken dat de vergadering van eigenaars heeft bedoeld deze instemming afhankelijk te maken van een goed te keuren huishoudelijk reglement. Door [A] c.s. zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven.

Daarenboven is door [A] c.s. niet gesteld, noch is anderszins gebleken, dat [C] niet zal meewerken aan de uitvoering van bepalingen in het huishoudelijk reglement met betrekking tot het gebruik van het platte dak.

De eerste grief faalt derhalve.

4.4 De tweede grief heeft betrekking op de vraag of er door realisatie van het dakterras een wijziging/uitbreiding van de bestemming “dak” heeft plaatsgevonden.

In de derde grief stellen [A] c.s. dat voor een wijziging/uitbreiding van bestemming als in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden -in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen- een wijziging van de splitsingsakte is vereist.

Het hof zal de tweede en derde grief gezamenlijk bespreken.

4.5 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit niets blijkt dat de bestemming van de gemeenschappelijke eigendom waarop het dakterras is gebouwd, is beperkt tot “dak”.

[A] c.s. hebben er op gewezen dat volgens artikel 4, eerste zin, van het Splitsingsreglement de eigenaar of gebruiker het genot van de gemeenschappelijke zaken heeft “volgens de bestemming” daarvan.

Volgens [A] c.s. betekent dit dat het dak niet als dakterras mag worden gebruikt.

Het hof deelt deze visie niet. Uit genoemd artikel valt toch niet af te leiden dat artikel 4, eerste lid, van het Splitsingsreglement beoogt exclusiviteit van de bestemming “dak” in het leven te roepen.

4.6 Daarenboven is het niet zo, zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, dat door het aanbrengen van het dakterras de bestemming “dak” verloren gaat. Het tegendeel is het geval. Het desbetreffende gedeelte van de gemeenschappelijke eigendom oefent nog steeds de functie “dak” uit en geen van de eigenaren is in het genot van die functie beperkt door het aanbrengen van het dakterras.

[A] c.s. doen een beroep op voornoemd artikel 4, waarin is bepaald dat de eigenaar of gebruiker bij het gebruik van een gemeenschappelijk gedeelte of een gemeenschappelijke zaak geen inbreuk mag maken op het recht van mede-genot van de andere eigenaars of gebruikers.

Deze bepaling ziet er op dat [C], bij het gebruik van het dakterras, geen inbreuk mag maken op het genot van de functie “dak” van de overige eigenaars. Dat [C] zodanige inbreuk zou maken, is gesteld noch gebleken.

4.7 Met betrekking tot de vraag of in casu een wijziging van de splitsingsakte noodzakelijk is, heeft de rechtbank het juiste criterium aangelegd.

Alleen voor een wijziging in de constructie of omgrenzing van (delen van) het appartementengebouw die gevolgen heeft voor de goederenrechtelijke situatie, is een wijziging van de akte van splitsing vereist.

In een geval als het onderhavige, waarin aan een huurder van een appartement een persoonlijk recht wordt toegekend om een gedeelte van een gemeenschappelijke zaak te mogen gebruiken, zonder dat de oorspronkelijke bestemming verloren gaat en zonder dat de eigenaars worden beperkt in het genot van de “oorspronkelijke bestemming”, is een wijziging van de akte van splitsing niet noodzakelijk. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verandering, dat wil zeggen: de aanleg van het dakterras, op zichzelf van tijdelijke aard is en zich leent voor herstel.

4.8 Indien al zou moeten worden aangenomen dat in het onderhavige geval toch sprake is van een wijziging van bestemming, dient geoordeeld te worden dat deze wijziging van zodanig geringe betekenis is dat deze bij huishoudelijk reglement kan geschieden.

4.9. Het voorgaande betekent dat ook de grieven 2 en 3 geen doel treffen.

De grieven 4,5 en 6 hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven derhalve, gelet op het voorgaande, geen bespreking.

4.10 Al hetgeen [A] voorts nog hebben aangevoerd, kan niet tot een andere beslissing leiden. Het algemene bewijsaanbod wordt gepasseerd nu [A] c.s. hebben nagelaten voldoende feiten en omstandigheden te stellen en te bewijzen aan te bieden die, bewezen zijnde, tot een andere uitkomst kunnen leiden.

De slotsom is dat het vonnis dient te worden bekrachtigd en dat [A] c.s. de kosten van het appel dienen te dragen.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep zowel in conventie als in reconventie gewezen;

verwijst [A] c.s. in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van zowel De Vereniging als [C] gevallen, op totaal (voor ieder) € 1.190,-, waarvan telkens € 894,- voor salaris procureur en € 296,- voor verschotten;

Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, A.H.A. Scholten en W. Konijnenbelt en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2008.