Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BH9385

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2008
Datum publicatie
01-04-2009
Zaaknummer
K05/1193
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het hof acht beklag tegen niet verdere vervolging ontvankelijk, ondanks een inmiddels gewezen beschikking van de rechtbank dat de zaak geëindigd is, nu de klacht ingevolge art. 12 Sv. reeds voordat de beschikking ingevolge art. 36 Sv. door de rechtbank was gegeven en was betekend bij het hof is binnengekomen. Art. 12l, eerste lid, Sv. is niet van toepassing, nu dit niet ziet op de beschikking ingevolge art. 12 Sv. maar op de toelaatbaarheid van het beklag ingevolge art. 12 Sv. en derhalve op de ontvankelijkheid daarvan.

Voorts acht het hof het verzuim van de rechtbank om de hem bekende belanghebbende ingevolge 36, derde lid, Sv. op te roepen om te worden gehoord in het licht van de recente wetsgeschiedenis van art. 12l en art. 36 Sv. van dien aard dat dit niet zonder consequenties kan blijven.

Anders dan Rechtbank Amsterdam 12 februari 2008 (NbSr 2008, 132)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE STRAFKAMER

Beschikking van 20 december 2008 in de zaak met rekestnummer K05/1193 naar aanleiding van de mededeling van:

hoofdofficier van justitie te Amsterdam,

Postbus 84500,

1080 BN Amsterdam,

gedaan na beëindiging ingevolge diens schriftelijke mededeling op grond van artikel 238 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.) aan de rechter-commissaris van het gerechtelijk vooronderzoek tegen [beklaagde], dat door de officier van justitie werd gevorderd op 22 mei 2007 ingevolge het bevel daartoe van het hof van 30 maart 2007 naar aanleiding van het beklag van [klager], klager, voor deze gelegenheid woonplaats gekozen hebbend ten kantore van zijn gemachtigde: mr. V., advocaat te Amsterdam.

1. De gang van zaken na de beschikking van het hof van 30 maart 2007

Bij voormelde beschikking heeft het hof de officier van justitie gelast een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen tegen [beklaagde]. Dit gerechtelijk vooronderzoek is op 22 mei 2007 door de officier van justitie gevorderd. Door de rechter-commissaris is een medisch deskundige benoemd die op 22 oktober 2007 heeft gerapporteerd. Bij brief van 10 maart 2008 heeft de rechter-commissaris onder verwijzing naar beschikkingen van de rechtbank van 24 mei 2006 en 12 februari 2008 het hof bericht geen ruimte te zien voor nadere werkzaamheden in deze zaak.

De beschikking van 24 mei 2006 houdt onder meer in dat de zaak tegen [beklaagde] is geëindigd ingevolge artikel 36 Sv. Bij de beschikking van 12 februari 2008 wordt [beklaagde] niet ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot beëindiging van de zaak ingevolge artikel 36 Sv. nu deze reeds geëindigd is verklaard bij de beschikking van 24 mei 2006.

Voormelde beschikkingen waren het hof tot dan toe niet bekend. Het hof heeft de hoofdofficier van justitie bij brief van 25 maart 2008 om informatie over de gang van zaken verzocht, waaraan deze bij brief van 19 mei 2008 gevolg heeft gegeven. De hoofdofficier van justitie acht het zeer betreurenswaardig dat rechtbank en hof niet van de elkaar doorkruisende procedures op de hoogte zijn gesteld en bericht dat hij op grond van 238 Sv. de rechter-commisaris schriftelijk heeft medegedeeld dat van verdere vervolging wordt afgezien.

Op 23 juli 2008 heeft het hof een verslag van de advocaat-generaal ontvangen, waarin deze onder verwijzing naar voormelde mededeling van de hoofdofficier van justitie concludeert dat een bewilliging door het hof niet meer mogelijk en/of nodig is.

Uit het dossier valt de volgende tijdlijn te reconstrueren:

25.08.05: mededeling sepot door officier van justitie aan [klager]

21.09.05: mededeling sepotbeslissing aan [beklaagde]

16.11.05: klacht ingevolge 12 Sv. van [klager] binnengekomen bij hof

22.11.05: indiening verzoek ingevolge 89 en 591a Sv. door mr. J. namens

[beklaagde]

24.05.06: beschikking rechtbank op dat verzoek, waarbij de rechtbank ambtshalve

ingevolge 36 Sv. verklaart dat de zaak is geëindigd

30.05.06: betekening beschikking aan [beklaagde]

02.06.06: [beklaagde] wordt bekend met de klacht 12 Sv. van [klager]

01.12.06: behandeling klacht 12 Sv. in raadkamer hof:

horen [klager] en diens gemachtigde mr. V.

02.02.07: behandeling klacht 12 Sv. in raadkamer hof:

horen [beklaagde] en diens gemachtigde mr. J.

30.03.07: beschikking hof met opdracht aan de officier van justitie een gerechtelijk

vooronderzoek te vorderen

22.10.07: rapport van medisch deskundige

02.11.07: indiening verzoek ingevolge 36 Sv. door mr. J. namens [beklaagde]

12.02.08: beschikking rechtbank op dat verzoek, waarbij de rechtbank [beklaagde]

niet ontvankelijk verklaart in zijn verzoek nu de zaak door betekening van de

beschikking van 24.05.06 reeds geëindigd is

Allereerst valt op dat mr. J., die naar verondersteld mag worden in juni 2006 door [beklaagde] is geïnformeerd over de door [klager] ingediende klacht ingevolge 12 Sv., zich niet onmiddellijk tot het hof heeft gewend met de mededeling dat de zaak reeds geëindigd was verklaard door de rechtbank op 24 mei 2006. Ronduit verbazingwekkend is het ontbreken van enige opmerking dienaangaande van mr. J. wanneer deze in raadkamer van het hof op 2 februari 2007 een uitvoerig betoog houdt aan de hand van een schriftelijke pleitnota. Pas nadat mr. J. op 10 november 2008 verneemt van de geplande zitting van het hof op 9 december 2008 laat hij zich uit over de gang van zaken, aanvankelijk per mailbericht aan de griffier van 10 november 2008 en later per brief met bijlage aan de voorzitter van 21 november 2008. Mr. J. adviseert het hof een herstelbeschikking te maken, waarin wordt aangegeven dat de beschikking van 30 maart 2007 haar kracht heeft verloren. Voorts deelt hij mede op 9 december 2008 niet te zullen verschijnen bij gebrek aan inzicht in welke punten nader ter discussie zouden kunnen staan. Ondanks de telefonische mededeling van de griffier aan mr. J. dat het hof zijn opvattingen zoals weergegeven in de brief van 21 november 2008 niet op voorhand deelt en de zaak in volle omvang ter discussie wil stellen ter zitting van 9 december 2008, alwaar zijn aanwezigheid derhalve dringend gewenst is, verschijnt mr. J. ook na herhaald verzoek niet ter zitting.

2. De behandeling in raadkamer

Het hof heeft de gemachtigde van [klager], mr. V., en de gemachtigde van [beklaagde], mr. J., in de gelegenheid gesteld op 9 december 2008 hun standpunt kenbaar te maken ten aanzien van de naar aanleiding van de beschikking van het hof van 30 maart 2007 binnengekomen stukken.

Mr. V. is verschenen en heeft pleitnotities overgelegd. Hij heeft -kort en zakelijk samengevat- het volgende standpunt ingenomen. Wat er ook zij van de beschikkingen van de rechtbank van 24 mei 2006 en 12 februari 2008, de beschikking van het hof van 30 maart 2007 moet prevaleren. De klacht ingevolge artikel 12 Sv. van [klager] is immers bij het hof binnengekomen op 16 november 2005, derhalve vóór de beschikking ingevolge artikel 36 Sv. van 24 mei 2006. Nu artikel 12 l, eerste lid Sv. ziet op de ontvankelijkheid van de klacht kan een nadien gegeven beschikking ingevolge artikel 36 Sv. daaraan niet in de weg staan. [Klager] wenst nog steeds dat [beklaagde] strafrechtelijk wordt vervolgd, zo niet terzake van zware mishandeling, dan toch in elk geval terzake van mishandeling. De conclusie van de medisch deskundige staat immers niet in de weg aan het leggen van een causaal verband tussen het optreden van [beklaagde] en het letsel van [klager].

Mr. J. is niet verschenen. In zijn eerder genoemde brief met bijlage aan het hof van 21 november 2008 heeft hij zijn standpunt uiteengezet. Dat komt -kort en zakelijk samengevat- op het volgende neer. Door de beschikking van 24 mei 2006 is de zaak onherroepelijk geëindigd, ondanks het verzuim, voor zover daarvan sprake zou zijn, de rechtstreeks belanghebbende op te roepen. Uitgaande van een gesloten stelsel van rechtsmiddelen is ingevolge artikel 12l Sv. na een dergelijke beschikking beklag ingevolge artikel 12 Sv. niet toegelaten. De beschikking van het hof van 30 maart 2007 heeft door het nadien bekend worden van de hiervoor genoemde beschikking van de rechtbank haar kracht verloren. Mr. J. heeft zich niet uitgelaten over de inhoudelijke kant van de zaak ondanks berichten zijdens het hof dat zijn standpunt ter discussie zou staan.

De advocaat-generaal is bij de behandeling in raadkamer aanwezig geweest. Na aanvankelijk het standpunt zoals weergegeven in het verslag van 23 juli 2008 te hebben gehandhaafd, heeft hij vervolgens het hof in overweging gegeven te bewilligen in het doen uitgaan van een kennisgeving van niet verdere vervolging.

3. De voorhanden stukken

Het hof heeft, behalve van de in copie aan deze beschikking gehechte beschikking van het hof van 30 maart 2007 en de daarin genoemde stukken, onder meer kennis genomen van alle hiervoor genoemde stukken en in het bijzonder van het door D. Botter, forensisch arts bij het Nederlands Forensisch Instituut opgemaakte medische rapport van 22 oktober 2007 betreffende de “Beoordeling medische status inzake de heer [klager], geboren [geboortedatum]”.

4. De beoordeling

Op 24 mei 2006 heeft de rechtbank verklaard dat de zaak geëindigd is zonder een daartoe strekkend verzoek van de verdachte. De wet voorziet daarin niet. Artikel 36, eerste lid Sv. bepaalt uitdrukkelijk: “op het verzoek van de verdachte”. De rechtbank heeft in casu bepaald, zoals wel vaker gebeurt, dat het verzoek van [beklaagde] ingevolge 89 en 591a Sv. er impliciet toe strekt dat de rechtbank zal verklaren dat de zaak is geëindigd.

De rechtbank heeft verzuimd de rechtstreeks belanghebbende op te roepen om te worden gehoord over het verzoek van [beklaagde]. Daartoe was de rechtbank verplicht ingevolge artikel 36, derde lid Sv. Dat er een rechtstreeks belanghebbende was, namelijk [klager], moet voor de rechtbank duidelijk zijn geweest gelet op de aard van de zaak, te weten zware mishandeling. Dit verzuim is wellicht te verklaren uit het ontbreken van een verzoek ingevolge artikel 36 Sv. van [beklaagde].

Uit de kamerstukken blijkt dat bij de verruiming van de beklagmogelijkheden voor slachtoffers en andere rechtstreeks belanghebbenden aanvankelijk is voorgesteld een mogelijkheid te bieden de verklaring dat de zaak geëindigd is te laten doorkruisen door een later vervolgingsbevel van het hof, mits het beklag was gedaan binnen drie maanden nadat de belanghebbende met de beschikking van de rechtbank bekend was geworden. Dit voorstel heeft het niet gehaald vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. In plaats daarvan is gekozen voor een systeem waarin de zaak pas geëindigd wordt verklaard nadat de rechter de hem bekende belanghebbenden heeft opgeroepen om dienaangaande te worden gehoord. Hieruit blijkt hoe belangrijk deze bepaling is. Het verzuim van de rechtbank kan dan ook niet zonder consequenties blijven.

Afgezien van de hiervoor beschreven gebreken die kleven aan de beschikking ingevolge artikel 36 Sv. was in casu de klacht ingevolge artikel 12 Sv. al binnengekomen bij het hof op 16 november 2005, derhalve ruim een half jaar vóór de beschikking ingevolge artikel 36 Sv. Artikel 12l, eerste lid Sv. is dan ook niet van toepassing, nu dit niet ziet op de beschikking ingevolge artikel 12 Sv. maar op de toelaatbaarheid van het beklag ingevolge artikel 12 Sv., derhalve op de ontvankelijkheid van het beklag. Aan de ontvankelijkheid van het op 16 november 2006 bij het hof binnengekomen beklag stond en staat niets in de weg.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beschikkingen van de rechtbank van 24 mei 2006 en 12 februari 2008 niet gegeven hadden mogen worden.

Ten aanzien van de vraag of kan worden bewilligd in het doen uitgaan van een kennisgeving van niet verdere vervolging overweegt het hof als volgt, met verwijzing naar zijn overwegingen dienaangaande onder punt 5 van zijn beschikking van 30 maart 2007.

Cruciaal in de redenering van [klager], die zich het voorval niet kan herinneren, is diens stelling, gebaseerd op de zich in het dossier bevindende letselverklaring d.d. 23 april 2005 van A. Smets en L.J. Bos, respectievelijk radioloog en assistent radioloog in het AMC te Amsterdam, dat zijn letsel niet kan zijn ontstaan door de val achterover met zijn hoofd op de grond, maar het direkte gevolg moet zijn geweest van een klap van [beklaagde]. Daaraan verbindt [klager] de conclusie dat die klap doelgericht en erg hard moet zijn geweest, hetgeen niet te verenigen is met de lezing van het gebeurde van [beklaagde]. Diens stelling is dat hij in een reflex [klager], die hem “in de nek sprong”, van zich af heeft geschud door met zijn rechterschouder achterwaarts een afwerende beweging te maken, waardoor [klager] werd geraakt en op de grond viel. Hij heeft [klager] niet zien maar wel horen vallen en op dat moment heeft hij iets horen breken. Hij is ervan overtuigd dat het letsel niet is ontstaan op het moment dat hij [klager] heeft geraakt, maar pas op het moment dat [klager] met zijn hoofd de grond raakte.

Om meer duidelijkheid te krijgen op dit essentiële punt heeft het hof een deskundigenrapport noodzakelijk geacht. Dat deskundigenrapport is in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek uitgebracht door D. Botter, forensisch arts, op 22 oktober 2007.

Door Botter wordt het volgende overwogen:

“De letsels die de heer [klager] na genoemd incident had, zijn allen het gevolg van uitwendige inwerking van krachtig stomp botsend mechanisch geweld op het hoofd: breuk van de schedel, alsmede bloedingen en kneuzingen van de hersenen en weke delen. Deze categorie van letsels ontstaat door actieve uitoefening van stomp geweld op het hoofd en/of door een val van het hoofd tegen een harde ondergrond. De schedel/hersenletsels van de heer [klager] zijn volledig verklaarbaar door de val van het hoofd op straat, waarbij hij zeer waarschijnlijk met het voorhoofd tegen de harde ondergrond is gebotst. Uit de aard van de letsels is niet herleidbaar wat de oorzaak van de val is geweest; er is dus ook niet te differentiëren tussen een elleboogstoot of een schouderbeweging als oorzaak va n de valbeweging. Het is zeer onwaarschijnlijk dat door de afweerbeweging reeds dusdanig hersenletsel zou zijn ontstaan dat daardoor acuut bewustzijnsverlies zou kunnen zijn opgetreden. De alkoholintoxicatie bij het slachtoffer heeft mogelijk een negatieve invloed gehad op het evenwicht en het reactievermogen om de val tijdig en adequaat te breken.

Conclusie en beoordeling vraagstelling

De schedel/hersenletsels die op 22 april 2005 bij de heer [klager] zijn ontstaan zijn allen te verklaren door de val op straat, waarbij het (voor)hoofd van het slachtoffer in krachtig contact is gekomen met een harde ondergrond. De fractuur kan vrijwel zeker niet zijn veroorzaakt door een achterwaartse klap, slag of stoot met een schouder, arm of elleboog.”

Uit het rapport van de deskundige Botter volgt dat in ieder geval niet bewezen zal kunnen worden dat het letsel van [klager] rechtstreeks is veroorzaakt door een klap, slag of stoot met een schouder, arm of elleboog van [beklaagde]. Het nogmaals horen van de reeds gehoorde getuigen op dat punt acht het hof derhalve niet langer zinvol. Wel zijn er aanwijzingen dat de val van [klager] is veroorzaakt door een onverhoedse beweging van [beklaagde]. Echter voor het aannemen van opzet bij [beklaagde], al dan niet in voorwaardelijke zin, op het ten val brengen van [klager], dan wel voor grove schuld aan de val van [klager] biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten om strafvervolging te rechtvaardigen.

Het hof komt, alles afwegende, tot de slotsom dat verdere vervolging van [beklaagde] niet is aangewezen en derhalve kan worden bewilligd in het doen uitgaan van een kennisgeving niet verdere vervolging.

5. De beslissing

Het hof:

bewilligt in het doen uitgaan van een kennisgeving niet verdere vervolging van [beklaagde].

Deze beschikking, waartegen geen gewoon rechtsmiddel openstaat, is gegeven op 20 december 2008 door mrs. Van Asperen de Boer-Delescen, voorzitter, Splint en Hartsuiker, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. Westerhout, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.