Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BH8886

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
30-03-2009
Zaaknummer
106.007.099/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zonder toestemming geplaatste schotelantenne moet door huurder worden verwijderd. Directe horizontale werking van het recht op vrije informatiegaring. Belang woningcorporatie rechtvaardigt inbreuk. Regionale Turkse zender ook via internet te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 127
RVR 2009, 60
WR 2009, 39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

EERSTE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de stichting DE ALLIANTIE

(handelend onder de naam DE ALLIANTIE AMSTERDAM, voorheen DE DAGERAAD geheten),

gevestigd te Huizen,

APPELLANTE,

advocaat: mr. F.B. Falkena te Amsterdam,

t e g e n

1. [A],

2. [B],

beiden wonend te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. H.M. Meijerink te Amsterdam.

De partijen worden hierna De Alliantie en [A] c.s. genoemd.

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij exploit van 30 juli 2007 is De Alliantie in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), op 10 mei 2007 onder zaak-/rolnummer CV 06-27995 uitgesproken en gewezen tussen De Alliantie als eiseres en [A] c.s. als gedaagden, met dagvaarding van [A] c.s. voor dit hof.

1.2 De Alliantie heeft bij memorie vier grieven geformuleerd en toegelicht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad – [A] c.s. zal veroordelen een schotelantenne van het dak van de door hen gehuurde woning te verwijderen en verwijderd te houden, met machtiging aan De Alliantie om die antenne desnoods zelf te verwijderen en oplegging van een dwangsom, met kosten.

1.3 Daarop hebben [A] c.s. geantwoord en een grief in incidenteel appèl opgeworpen, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen (in het incidenteel appèl: met verbetering van gronden), met kosten.

1.4 Nadat De Alliantie bij memorie op de incidentele grief had geantwoord, hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.

2. De Feiten

2.1 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.13 feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Aangezien deze feiten niet in geschil zijn zal ook het hof daarvan uitgaan.

Die feiten komen op het volgende neer.

2.2 [A] c.s. huren een eengezinswoning van De Alliantie. Krachtens de huurovereenkomst zijn [A] c.s. gehouden niet alleen het in die overeenkomst bepaalde in acht te nemen, maar ook de voorschriften na te leven die voorvloeien uit een op het gehuurde toepasselijke splitsingsakte.

In (de algemene voorwaarden die deel uitmaken van) de huurovereenkomst is bepaald dat “veranderingen aan de buitenzijde van het gehuurde” alleen met schriftelijke toestemming van de verhuurder mogen worden aangebracht.

In art. 13 van het “Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten”, ingevolge de splitsingakte op het gehuurde toepasselijk, is bepaald dat uitstekende voorwerpen alleen aan de buitenzijde mogen worden aangebracht met toestemming van de vergadering van appartementseigenaren, of volgens de regels van het huishoudelijk reglement.

2.3 [A] c.s. hebben op het platte dak van een uitbouw aan de achterzijde van de woning een schotelantenne geplaatst. Daarvoor is noch door De Alliantie als verhuurder, noch door de Vereniging van Eigenaren toestemming verleend.

Bij brief van 14 februari 2005 heeft De Alliantie [A] c.s. erop gewezen dat de plaatsing van de schotelantenne zonder haar toestemming niet is toegestaan, en dat toestemming eveneens aan de Vereniging van Eigenaren moet worden gevraagd. Daarbij heeft De Alliantie verzocht die antenne te verwijderen.

Bij brief van 9 december 2005 heeft De Alliantie [A] c.s. doen weten dat hun inmiddels ingediende (volgens [A] c.s. herhaalde) verzoek tot het mogen plaatsen van de schotelantenne was afgewezen, onder mededeling voorts dat de Vereniging van Eigenaren inmiddels had besloten dat schotelantennes niet worden toegelaten.

Aan nadien gedane/herhaalde sommaties om de schotelantenne van het dak van (de uitbouw van) de woning te halen, hebben [A] c.s. geen gehoor gegeven.

3. Beoordeling

3.1 Naar de kern genomen gaat dit geschil over de verhouding tussen art. 10 EVRM en de voorschriften, wettelijk en contractueel, die de plaatsing van een schotelantenne onderwerpen aan toestemming van de verhuurder van woonruimte. Het in aanmerking komende wettelijk voorschrift is art. 7:215, eerste en zesde lid, BW, waarin wordt gesproken over toestemming van de verhuurder voor elke “verandering aan de buitenzijde van het gehuurde”. Hierboven, bij de samenvatting van de vaststaande feiten, werd reeds melding gemaakt van art. 11.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene voorwaarden, waarin dit toestemmingsvereiste is herhaald.

3.2 [A] c.s. erkennen dat zij hun schotelantenne (op het dak, dus aan de buitenzijde van de woning) hebben geplaatst zonder over deze vereiste toestemming te beschikken. Zij stellen zich evenwel op het standpunt dat dit toestemmingsvereiste geen belemmering kan vormen voor uitoefening van het door art. 10 EVRM gewaarborgde recht op vrije informatiegaring. Dit standpunt kent een primaire en een subsidiaire uitwerking.

3.3 Primair stellen [A] c.s. dat er in het geheel geen sprake is van “wijziging” of “verandering” van (de buitenzijde van) het gehuurde in de zin van art. 7:215 BW, aangezien de schotelantenne los, met een verzwaarde voet, op het dak van de woninguitbouw is geplaatst. Nu art. 7:215, eerste en zesde lid, BW geen betrekking heeft op de plaatsing van een losse, dat wil zeggen niet duurzaam met het gebouwde verbonden, schotelantenne, is er geen voorschrift aan te wijzen dat het oordeel kan dragen dat “bij wet is voorzien” in beperking van de vrijheid van nieuwsgaring, als bedoeld in het tweede lid van art. 10 EVRM, aldus [A] c.s.

3.4 Subsidiair stellen [A] c.s. zich op het standpunt dat, zo art. 7:215, eerste en zesde lid, BW al geacht kan worden betrekking te hebben op de ‘losse’ plaatsing van een schotelantenne op het dak van een woning, de toepassing van dit wettelijk voorschrift moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voordat kan worden vastgesteld dat de “bij wet voorziene” beperking een krachtens het tweede lid van art. 10 EVRM toegelaten inbreuk op de uitoefening van het in het eerste lid van die verdragsbepaling gewaarborgde vrijheidsrecht oplevert. [A] c.s. menen dat zij een zó zwaarwegend belang hebben bij het kunnen ontvangen van regionale Turkse zenders – naast de algemene Turkse (staats)zender die via de kabel worden aangeboden – dat deze vorm van vrije nieuwsgaring zwaarder moet wegen dan het belang van De Alliantie bij handhaving van het toestemmingsvereiste.

3.5 De kantonrechter heeft in aanmerking genomen dat het in art. 7:215, eerste lid BW opgenomen verbod op gehele of gedeeltelijke verandering van inrichting of gedaante van het gehuurde zonder voorafgaande toestemming van de verhuurder geen betrekking heeft op de veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de huur zonder noemenswaardige kosten ongedaan gemaakt en verwijderd kunnen worden. Ten aanzien van veranderingen aan de buitenzijde van verhuurde woonruimte staat het zesde lid van art. 7:215 BW evenwel een afwijking van dit in het eerste lid geformuleerde verbod toe, ook indien het gaat om veranderingen die zonder noemenswaardige kosten aangedaan gemaakt kunnen worden. De kantonrechter heeft uit de wetsgeschiedenis afgeleid dat bij het formuleren van dit in art. 7:215, zesde lid, BW opgenomen voorschrift nadrukkelijk onder ogen is gezien dat woningcorporaties ten aanzien van schotelantennes een eigen beleid moeten kunnen voeren.

Op deze grond heeft de kantonrechter geoordeeld dat de plaatsing van de schotelantenne door [A] c.s. een wijzing van het gehuurde in de zin van de zojuist genoemde wettelijke bepaling oplevert, waarbij geen belang toekomt aan de omstandigheid dat die antenne niet vast aan het gehuurde is bevestigd.

3.6 Daarvan uitgaande heeft de kantonrechter beoordeeld of [A] c.s. de vordering van De Alliantie met een beroep op art. 10 EVRM kunnen afhouden. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat De Alliantie haar stelling dat de schotelantenne lekkage of (andere) schade zou kunnen opleveren niet verder heeft onderbouwd, zodat aan die stelling voorbij gegaan moet worden. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat het belang van [A] c.s. bij gebruik van de op het dak van de woning opgestelde schotelantenne, in het licht van art. 10 EVRM, zwaarder moet wegen dan het belang van De Alliantie bij handhaving van het toestemmingsvereiste. Weliswaar, zo overwoog de kantonrechter, heeft De Alliantie een tastbaar belang bij handhaving van dat vereiste, gelet op het ontsierend effect van (wildgroei aan) schotelantennes aan haar woningen, ook in verband met de toekomstige verhuurbaarheid daarvan, maar dat belang is in dit geval beperkt omdat slechts een beperkte groep van omwonenden de schotelantenne, geplaatst aan de achterzijde van een gebouw dat deel uitmaakt van een gesloten blok, als ontsierend zal kunnen ervaren. Daartegenover heeft de kantonrechter aannemelijk bevonden dat [A] c.s. een bijzonder belang stellen in de ontvangst van bepaalde (Turkse) televisiezenders die zij alleen met behulp van de schotelantenne kunnen ontvangen, en dan nog slechts indien die antenne op het dak van (de uitbouw van) de woning is geplaatst.

3.7 Op grond van deze afweging van belangen, die de kantonrechter tot het oordeel voerde dat het belang van De Alliantie bij handhaving van het verbod om (zonder haar toestemming) schotelantennes aan de buitenzijde van haar huurwoningen te plaatsen niet opweegt tegen het belang van [A] c.s. bij de ontvangst van bepaalde televisiezenders, is de vordering van De Alliantie afgewezen.

3.8 Daartegen keert zich de tweede grief in het principale appèl met de klacht dat de kantonrechter een onjuiste afweging heeft gemaakt aangezien het belang van [A] beperkt is tot een “subjectieve belevenis” waartegenover De Alliantie de uitstraling van haar gehele woningbestand in het oog moet houden.

Het hof vindt aanleiding allereerst die klacht de bespreken, waarbij ook de grief in het incidentele appèl betrokken kan worden. Die grief bevat de klacht dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat de los geplaatste schotelantenne is aan te merken als een verandering van de buitenzijde van het gehuurde in de zin van art. 7:215, eerste en zesde lid, BW.

3.9 Het hof verenigt zich met de hiervóór, onder 3.5 samengevatte overwegingen van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. Ook de plaatsing van een schotelantenne op of aan de buitenzijde van gehuurde woonruimte zonder vaste, niet zonder beschadigingen ongedaan te maken verbinding, is aan te merken als een verandering van de buitenzijde van het gehuurde als bedoeld in art. 7:215, eerste en zesde lid BW. De grief in het incidentele appèl faalt derhalve.

3.10 Ten aanzien van de door [A] c.s. betrokken stelling dat De Alliantie, door vast te houden aan het vereiste van schriftelijke toestemming tot plaatsing van een schotelantenne, [A] c.s. in te vergaande mate beperkt in de uitoefening van hun recht op informatiegaring, overweegt het hof als volgt.

3.11 Terecht heeft De Alliantie niet gesteld dat art. 10, eerste lid, EVRM, waarin de vrijheid van informatiegaring is gewaarborgd, geen invloed kan hebben op de verhouding tussen haarzelf en [A] cs als haar huurders. Aangezien te voorzien valt dat niet alleen de toepassing van publiekrechtelijke bevoegdheden, maar het benutten van aan privaatrechtelijke verhoudingen ontleende bevoegdheden tot inbreuken op dit vrijheidsrecht kunnen leiden, is het aangewezen aan deze verdragsbepaling binnen de Nederlandse rechtsorde directe horizontale werking toe te kennen.

Dit roept evenwel de vraag op hoe de uitoefening van dit vrijheidsrecht zich tot zulke privaatrechtelijke bevoegdheden verhoudt in die gevallen waarin – zoals hier – het benutten van die bevoegdheden feitelijk tot gevolg heeft dat de vrijheid van informatiegaring wordt beperkt. Aansluiting zoekend bij het tweede lid van art. 10 EVRM, waarin de algemene belangen zijn opgesomd die onder omstandigheden een inbreuk op dit vrijheidsrecht kunnen rechtvaardigen, beantwoordt het hof die vraag als volgt.

3.12 Gedragingen van derden waardoor de ontvangst van informatie wordt beperkt kunnen naar ’s hofs oordeel als een toelaatbare beperking in de uitoefening van het in art. 10, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht worden beschouwd indien die gedragingen op een wettelijk erkende bevoegdheid tot bescherming van eigen belangen berusten, de wettelijke grenzen aan de uitoefening van zo een bevoegdheid niet worden overschreden, die gedragingen daadwerkelijk geëigend zijn de eigen (private) belangen te beschermen, en – in de concrete omstandigheden van het geval – niet onevenredig diep ingrijpen in eens anders belang bij het ontvangen van elke gewenste informatie. Als aan deze voorwaarden is voldaan kan worden aangenomen dat zulke de vrije ontvangst van informatie beperkende feitelijke of rechtshandelingen in de zin van art. 10, tweede lid, EVRM bij wet zijn voorzien, en in een democratische samenleving noodzakelijk ter bescherming van de rechten van anderen.

3.13 In deze zin kan het samenstel van de in het eerste en zesde lid van art. 7:215 BW opgenomen voorschriften, hierop neerkomend dat de verhuurder van woonruimte kan bedingen dat zonder diens schriftelijke toestemming geen enkele verandering aan de buitenzijde van het gehuurde mag worden aangebracht, ten aanzien van (de plaatsing van) schotelantennes worden aangemerkt als een bij wet voorziene bevoegdheid tot bescherming van eigen belangen waardoor de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting beperkingen kan ondervinden.

3.14 Dientengevolge staat te bezien of de wijze waarop De Alliantie toepassing geeft aan de bevoegdheid die zij zich heeft voorbehouden in art. 11.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene voorwaarden (en die zij heeft ontleend aan art. 7:215, eerste en zesde lid BW), wat de schotelantenne van [A] c.s. betreft, de toets aan de zojuist, onder 3.12, genoemde criteria doorstaat.

3.15 De stelling van De Alliantie dat schotelantennes aan de buitenzijde van haar woningen als ontsierend beschouwd kunnen worden hebben [A] c.s. in wezen niet weersproken, doch zij hebben daar tegenover gesteld dat het ontsierend effect in dit geval uitermate gering is, met name omdat de plaatsing van de schotelantenne meebrengt dat die antenne slechts voor een beperkte groep van omwonenden zichtbaar is.

3.16 Daarmee hebben [A] c.s. een waardering van subjectieve aard binnen het debat gebracht. Zij onderstrepen dat zelf door in de conclusie van dupliek de retorische vraag te stellen waarom hun schotelantenne wél lelijk genoemd moet worden en de naburige tuinparafernalia, zoals hekwerk en parasols, niet.

Het hof begrijpt de stellingen van De Alliantie aldus dat haar belang erin is gelegen dat het in art. 11.1 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene voorwaarden gestelde toestemmingsvereiste kan worden gehandhaafd zonder dat De Alliantie gedwongen is deze subjectieve discussie over de mate van ontsierendheid, ook in verband met het aantal personen dat de schotelantenne zal kunnen zien en daar aanstoot aan zal kunnen nemen, te voeren met elke huurder die een schotelantenne wenst te plaatsen.

3.17 Naar ’s hofs oordeel verdient dit aldus te verstane belang erkenning, terwijl het ook zwaar moet wegen. Als beheerder van een – naar het hof uit de gedingstukken opmaakt tamelijk omvangrijk – woningbestand zal De Alliantie bij de beslissing op het verzoek om toestemming tot plaatsing van een schotelantenne de vrijheid gelaten moeten worden om als uitgangspunt te nemen dat elke aan de buitenzijde van één van haar woningen geplaatste schotelantenne voor anderen zichtbaar zal zijn en ook als ontsierend kan worden beschouwd, zodat elke uitwendig geplaatste schotelantenne door omwonenden als een vorm van overlast kan worden ervaren.

3.18 Dit uitgangspunt kan als een zwaarwegend belang van De Alliantie worden beschouwd, mede omdat De Alliantie van rechtswege gehouden is haar huurders zoveel mogelijk te vrijwaren van overlast door het gedrag van andere huurders. Daaraan doet niet af dat [A] c.s. in deze zaak hebben aangevoerd dat naaste buren geen bezwaar tegen de plaatsing van de schotelantenne koesteren. Die stelling kan aan het belang van De Alliantie niet afdoen, reeds omdat daarmee niet vaststaat dat geen enkele (huidige of toekomstige) omwonende de schotelantenne als ontsierend ervaart, en overigens omdat [A] c.s. de schotelantenne hebben geplaatst terwijl zij wisten dat de vereiste toestemming niet was gegeven. Daarom gaat het in dit geding niet in de eerste plaats om de gronden waarop die toestemming in dit geval kon worden onthouden, maar om het belang dat De Alliantie heeft bij de handhaving van de uitgangspunten voor de beslissing die zij zichzelf heeft voorbehouden.

3.19 Daarbij komt bovendien dat in art. 16.2 van de bij de huurovereenkomst behorende algemene voorwaarden voor het geval het gehuurde in appartementsrechten is of wordt gesplitst is bepaald dat de huurder zich tevens zal moeten houden aan de voorschriften in de splitsingsakte, de statuten en de reglementen, terwijl van de huurovereenkomst met [A] c.s. tegens deel uitmaakt een “Aanhangsel bij huurovereenkomst [IJ] [C] Blok 35”, waarin is bepaald dat de huurder zich dient te houden aan het door de Vereniging van Eigenaren vastgestelde huishoudelijk reglement.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bedoelde Vereniging van eigenaren heeft besloten geen schotelantennes toe te staan. Nu de naleving van het huishoudelijk reglement van de Vereniging van Eigenaren verplicht is gesteld in de huurovereenkomst, kan worden aangenomen dat De Alliantie ook jegens de huurders van andere appartementen in hetzelfde complex gehouden is het redelijkerwijs mogelijk te doen om overtredingen van dat huishoudelijk reglement tegen te gaan of te doen beëindigen. Ook in dit opzicht heeft De Alliantie een tastbaar belang bij handhaving van het in de huurovereenkomst opgenomen toestemmingsvereiste. Hieraan doet niet af dat het besluit van de Vereniging van Eigenaren is genomen op een moment (in december 2005) waarop de huurovereenkomst met [A] c.s. (aangegaan in december 2004) reeds van kracht was en De Alliantie [A] c.s. reeds had aangemaand de schotelantenne van het dak van de woning te verwijderen.

3.20 Tegenover de aldus te waarderen belangen van De Alliante acht het hof het belang van [A] c.s. bij gebruik van hun schotelantenne zoals die thans is opgesteld beperkter dan de kantonrechter heeft aangenomen.

3.21 Het hof stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat iemand door verbondenheid met een specifiek gebied of bepaalde (bevolkings)groep een bijzonder belang stelt bij de ontvangst van (een) televisiezender(s) die slechts met een eigen installatie ontvangen kan/kunnen worden, niet automatisch meebrengt dat contractuele beperkingen ten aanzien van de plaatsing van die installatie minder zwaar wegen. De in art. 10 EVRM gewaarborgde vrijheid informatie te ontvangen kan in de verhouding tussen justitiabelen niet aldus worden uitgelegd dat contractuele bedingen nimmer een beperking mogen meebrengen in de ontvangst, op de verkozen wijze, van informatie uit elke gewenste bron.

Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal van de huurder die met zulke bedingen of bepalingen wordt geconfronteerd verlangd kunnen worden, ook in het licht van art. 10 EVRM, dat hij genoegen neemt met alternatieve vormen van informatiegaring die minder goed aan zijn wensen voldoen, zoals (informatie van) een televisiezender die minder sterk op het betreffende gebied of de bijzondere groep is geöriënteerd, of ontvangst via internet.

3.22 De Alliantie heeft in hoger beroep gesteld dat in elk geval één van de door [A] c.s. genoemde regionale zenders via internet is te volgen. Die stelling is niet weersproken zodat het hof kan aannemen dat handhaving van het door De Alliantie ingeroepen toestemmingsvereiste niet meebrengt dat [A] c.s. geheel verstoken zullen zijn van alternatieven voor de zonder die vereiste toestemming opgestelde schotelantenne. Daarmee staat vast dat het door [A] c.s. gestelde belang beperkt is, waaraan niet afdoet dat de alternatieve vorm van ontvangst kwalitatief of kwantitatief slechter is.

3.23 Het voorgaande voert het hof tot het oordeel dat De Alliantie heeft bewezen dat haar vordering steunt op een contractueel voorbehouden bevoegdheid die aan een wettelijk voorschrift kan worden ontleend, de uitoefening van die bevoegdheid de wettelijke grenzen niet te buiten gaat en daadwerkelijk de belangen van De Alliantie kan dienen, terwijl niet gezegd kan worden dat daardoor onevenredig diep wordt ingegrepen in het belang van [A] c.s. bij ontvangst van de door hen gewenste informatie.

De tweede grief in het principale appèl is derhalve terecht voorgesteld, waaruit onmiddellijk voortvloeit dat de door De Alliantie ingestelde vordering voor toewijzing gereed ligt. Bij deze stand van zaken behoeven haar overige grieven geen bespreking meer.

3.24 Het hof merkt nog op dat er onvoldoende grond is voor een verbod (onder dwangsom) op een toekomstige plaatsing, zonder toestemming van De Alliantie, van een schotelantenne aan de buitenzijde van de door [A] c.s. gehuurde woning. De Alliantie heeft niets specifieks aangevoerd aangaande de waarschijnlijkheid van zulke toekomstige overtreding van de huurovereenkomst, terwijl [A] c.s. zich daar (dus) ook niet over hebben uitgelaten.

3.25 Tenslotte merkt het hof op dat de grief in het incidenteel appèl voortbouwt op stellingen die reeds in eerste aanleg zijn geponeerd, maar dat [A] c.s. in dit onvoorwaardelijk ingestelde incidentele appèl geen ander dictum vorderen dan in de bestreden uitspraak is te vinden.

4. Slotsom en kosten

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de vorderingen van De Alliantie alsnog op na te noemen wijze moeten worden toegewezen en [A] c.s. moeten worden veroordeeld in de proceskosten van de beide instanties, wat het hoger beroep betreft zowel het principale als het incidentele appèl.

5. Beslissing

Het hof:

in het principale en het incidentele appèl:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

wijst de door De Alliantie ingestelde vorderingen toe, met dien verstande dat

a) [A] c.s. binnen vijf dagen na betekening van dit arrest de schotelantenne geplaatst op het dak van de uitbouw aan de achterzijde van de door hen gehuurde woning [D]straat 26 te Amsterdam dienen te verwijderen en daarvan verwijderd dienen te houden;

b) De Alliantie voor geval [A] c.s. in gebreke blijven hieraan te voldoen, wordt gemachtigd de schotelantenne op kosten van [A] c.s. te verwijderen, in welk geval [A] c.s. dienen te gedogen dat De Alliantie zonodig de door [A] c.s. gehuurde woning betreedt, met machtiging van De Alliantie voorts om werkzaamheden met behulp van de sterke arm te doen uitvoeren in geval [A] c.s. de verwijdering van de schotelantenne verhinderen;

c) [A] c.s. een dwangsom van € 150,= aan De Alliantie verschuldigd zullen zijn voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke zullen blijven te voldoen aan het onder a) en b) omschrevene, met een maximum van € 5.000,=;

verwijst [A] c.s. in de proceskosten van de beide instanties, en begroot die kosten, voor zover in eerste aanleg aan de kant van De Alliantie gevallen op € 365,87 voor verschotten en € 300,= voor salaris van de advocaat, voor zover in het principale hoger beroep aan de kant van De Alliantie gevallen, op € 335,31 voor verschotten en € 894 voor salaris van de advocaat, en voor zover in het incidentele hoger beroep aan de kant van De Alliantie gevallen op € 447,= voor salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Wortel, mr. D.J. van der Kwaak en mr. F.A.W. Bannier en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 december 2008.