Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2008:BH6508

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
19-03-2009
Zaaknummer
200.009.135/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefte aan uitkering tot levensonderhoud, verdiencapaciteit alimentatiegerechtigde, aftrek hypotheekrente na twee jaar, levensonderhoud ex-echtgenote

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 30 december 2008 in de zaak met landelijk zaaknummer […] van:

[de vrouw],

wonende te [plaats],

APPELLANTE,

advocaat: mr. F.B. Falkena te Amsterdam,

t e g e n

[de man],

wonende te [plaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. N. van ’t Hoogerhuijs te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 3 juli 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 juni 2008 van de rechtbank te Haarlem met kenmerk […].

1.3. De man heeft op 7 augustus 2008 een verweerschrift ingediend.

1.4. De zaak is op 11 september 2008 ter terechtzitting behandeld.

1.5. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. A.G. Moeijes, advocaat te IJmuiden, en

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2. De feiten

2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Partijen zijn op [datum] 1988 gehuwd. Hun huwelijk is op [datum] 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum] 2007 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [zoon 1] op [geboortedatum] en [zoon 2] op [geboortedatum].

2.3. Bij tussenbeschikking van 27 februari 2007 is bepaald dat de man aan de vrouw, in afwachting van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen, een tijdelijke uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 1.000,- per maand.

2.4. Partijen hebben 13 juli 2007 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij onder meer zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2007 tot en met 31 december 2007 aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 3.000,- bruto per maand. Tevens zijn partijen overeengekomen dat de man de hypotheekrente en de vaste lasten van de echtelijke woning, als ware hij verhuurder, zal betalen en dat de vrouw de overige lasten van de echtelijke woning zal betalen, als ware zij de huurster.

Na 31 december 2007 tot de datum van de bestreden beschikking is de man voornoemde uitkering aan de vrouw blijven betalen.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren op [geboortedatum]. [zoon 1] woont bij hem.

Hij is werkzaam in loondienst bij [naam] B.V.

Zijn fiscaal loon bedroeg volgens zijn jaaropgave over 2007 € 113.066,-.

Hij laat zijn loon uitbetalen via [naam] B.V. Hij is directeur-grootaandeelhouder van deze vennootschap. De vennootschap leed in 2002 een verlies van € 11.361,-. In 2003 tot en met 2006 had de vennootschap een winst van respectievelijk

€ 451.687,-, € 7.574,-, € 12.694,- en € 6.520,-

Zijn schuld in rekening courant aan deze vennootschap bedroeg in 2002 tot en met 2006 respectievelijk € 16.620,-,

€ 135.167,-, € 197.610,-, € 297.247,- en € 406.557,-.

Aan huur betaalt hij € 900,- per maand.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw bewoonde woning betaalt hij € 685,- per maand aan rente.

Aan premie zorgverzekeringswet betaalt hij € 143,- per maand voor hemzelf en € 126,- per maand ten behoeve van [zoon 1] en € 126,- per maand ten behoeve van [zoon 2].

Aan zijn ex-echtgenote, mevrouw [ex-echtgenote], betaalt hij € 454,- per maand als uitkering tot haar levensonderhoud.

Aan premie begrafenisverzekering betaalt hij € 16,- per maand.

2.6. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op [geboortedatum]. [zoon 2] woont bij haar.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van:

- in de periode van 1 januari 2008 tot 1 maart 2008 € 2.740,- per maand;

- in de periode van 1 maart 2008 tot 1 maart 2009 € 2.657,- per maand en

- met ingang van 1 maart 2009 € 2.044,- per maand.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de uitkering te bepalen op € 5.000,- met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en op het verzoek van de man om, indien de rechtbank van oordeel is dat de man een uitkering aan de vrouw dient te betalen, daaraan een beperking in tijd te verbinden aangezien de vrouw in staat geacht moet worden in eigen levensonderhoud te kunnen gaan voorzien, waarbij de man een termijn van vijf jaren redelijk acht.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de man aan de vrouw, in afwachting van de verdeling of verkoop van de voormalig echtelijke woning, een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van

€ 4.000,- per maand, ingaande 1 januari 2008 en te bepalen dat de man aan de vrouw, vanaf verdeling of verkoop en levering van de voormalig echtelijke woning, een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van € 4.500,- per maand.

3.3. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans deze af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

Behoefte vrouw

4.1. De vrouw stelt dat de rechtbank haar behoefte aan een uitkering tot levensonderhoud te laag heeft vastgesteld en dat haar behoefte aan een uitkering € 4.500,- bruto per maand bedraagt. Het gebruikelijke uitgangspunt waarbij de behoefte van een alimentatiegerechtigde wordt vastgesteld aan de hand van 60 % van het besteedbaar gezinsinkomen kan niet worden gehanteerd omdat partijen tijdens hun huwelijk meer hebben geconsumeerd en meer konden consumeren dan mogelijk was op basis van alleen het inkomen van de man, doordat de man structureel geld opnam uit zijn vennootschap en daarnaast nevenwerkzaamheden heeft verricht.

De vrouw stelt ten aanzien van haar behoefte tevens dat de rechtbank haar verdiencapaciteit ten onrechte heeft begroot

€ 1.200,- bruto per maand. De vrouw stelt geen verdiencapaciteit te hebben omdat zij inmiddels 50 jaar is, geen noemenswaardige opleiding heeft, niet met computers overweg kan en tot op heden zonder succes heeft gesolliciteerd.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

4.2. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de man naast zijn salaris structureel aanzienlijke bedragen heeft opgenomen uit zijn vennootschap. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat deze opnames grotendeels besteed zijn ter bestrijding van de kosten van het huishouden van partijen. Onder deze omstandigheden dient bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot haar levensonderhoud tevens rekening te worden gehouden met genoemde opnames. Voor het bepalen van de hoogte van de opnames acht het hof het redelijk uit te gaan van de opnames in het jaar 2005 nu dit het laatste jaar was dat partijen samenwoonden. De opnames bedroegen in dit jaar ongeveer € 100.000,- boven het salaris van de man dat via de vennootschap werd uitbetaald.

Bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ten tijde van het huwelijk kan ervan worden uit gegaan dat haar behoefte 60 % van het netto gezinsinkomen na aftrek van de kosten kinderen bedraagt. Het hof neemt voor het inkomen van de man uit loondienst hetzelfde inkomen als de rechtbank, te weten € 4.075,- per maand, omdat hiertegen geen grief is gericht.

Uitgaande van bovengenoemd inkomen van de man en de zijn opnames in zijn besloten vennootschap bedraagt de behoefte van de vrouw in ieder geval € 4.500,- bruto per maand zodat het hof van deze behoefte uit zal gaan.

4.3. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw haar werkzaamheden tracht uit te breiden. Het hof onderschrijft daarom het oordeel van de rechtbank dat de vrouw enige verdiencapaciteit niet kan worden ontzegd. De omstandigheid dat de sollicitaties van de vrouw tot op heden nog geen resultaat hebben opgeleverd maakt dit niet anders. De rechtbank heeft in verband met het arbeidsverleden van de vrouw het redelijk geacht een getrapte beslissing te geven om de vrouw zodoende in staat te stellen de haar toegedichte verdiencapaciteit daadwerkelijk te gaan benutten.

Voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 maart 2008 heeft de rechtbank de vrouw geen inkomen toegerekend. Nu tegen deze overweging geen grief is gericht zal het hof voor deze periode van een zelfde inkomen uit gaan.

De rechtbank heeft de verdiencapaciteit van de vrouw met ingang van maart 2008 op € 600,- bruto per maand gesteld. Het huidige inkomen van de vrouw bedraagt thans € 660,- netto voor twee werkdagen per week. De vrouw voldoet met dit inkomen aan de verwachtingen van de rechtbank zodat het hof van eenzelfde verdiencapaciteit als de rechtbank zal uitgaan.

Het hof leest in de bestreden beschikking daar waar wordt aangegeven dat de vrouw per 1 maart 2008 een verdiencapaciteit heeft van € 1.200,- bruto per maand de rechtbank bedoeld heeft een verdiencapaciteit per 1 maart 2009. Dit komt ook overeen met het dictum van de bestreden beschikking. Gelet op het vorenstaande acht het hof het redelijk van eenzelfde verdiencapaciteit per deze datum uit te gaan.

4.4. Voorgaande leidt ertoe dat de vrouw van 1 januari 2008 tot 1 maart 2008 behoefte heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud van € 4.500,- bruto per maand, in de periode van 1 maart 2008 tot 1 maart 2009 behoefte heeft aan een uitkering van € 3.900,- bruto per maand en vanaf 1 maart 2009 behoefte heeft aan een uitkering van € 3.300,- bruto per maand.

Draagkracht man

4.5. Bij het bepalen van het inkomen van de man voor het kunnen vaststellen van zijn draagkracht gaat het hof uit van zijn inkomen in loondienst zoals dat blijkt uit zijn jaaropgaaf van 2007.

Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het pensioen van € 625,- per maand dat de man via zijn werkgever op vrijwillige basis afdraagt, omdat de man ook in hoger beroep niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een pensioentekort heeft. Het hof verhoogt het inkomen van de man derhalve met € 7.500,- bruto per jaar.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man en de overgelegde stukken acht het hof onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man thans nog inkomsten ontvangt uit commissariaten zoals de vrouw stelt. Aangezien de man een 40-urige werkweek heeft, acht het hof het niet redelijk met deze vermeende inkomsten rekening te houden.

4.6. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met zijn huur, zijn premie Zorgverzekeringswet en zijn begrafenisverzekeringspremie zoals in het voorgaande onder 2.5 vermeld. Tevens houdt het hof rekening met het verplichte eigen risico en met de inkomensafhankelijke bijdrage die de man terzake van de Zorgverzekeringswet dient te betalen.

4.7. Het hof acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de man de hypotheekrente voor de voormalige echtelijke woning waar de vrouw thans nog woont, ook na verloop van twee jaren nadat hij de woning heeft verlaten, fiscaal kan aftrekken. Het hof zal dan ook de hypotheekrente zoals in het voorgaande vermeld onder 2.5 met ingang van 1 januari 2008 netto meenemen bij het bepalen van de draagkracht van de man.

4.8. In tegenstelling tot wat de vrouw heeft verzocht, houdt het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man rekening met de uitkering die de man tot het levensonderhoud van mevrouw [ex-echtgenote] betaalt. Het hof acht de verwachting van de man gerechtvaardigd dat zijn verplichting een uitkering te betalen niet zal worden beëindigd indien de man een procedure daartoe zal opstarten. Daar komt bij dat de man gedurende het huwelijk deze uitkering ook altijd heeft betaald. Het hof houdt rekening met de fiscale aftrekbaarheid van deze uitkering.

4.9. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen blijkt dat de man de kosten van studie en levensonderhoud van [zoon 1] voor zijn rekening neemt. Ter terechtzitting in hoger beroep is daarnaast gebleken dat [zoon 1] naar verwachting begin 2009 stage zal gaan lopen en enige eigen inkomsten zal verwerven. Het hof acht het bij het bepalen van de draagkracht van de man onder deze omstandigheden redelijk tot het moment waarop [zoon 1] stage gaat lopen rekening te houden met de alleenstaande oudernorm en het daarbij behorende beschikbare draagkrachtpercentage van 45 %. Vanaf het moment dat [zoon 1] stage loopt acht het hof het redelijk rekening te houden met de alleenstaandennorm met het daarbij behorende percentage van de beschikbare draagkrachtruimte van 60 %. Gelet op de mededelingen van partijen ter terechtzitting in hoger beroep gaat het hof uit van 1 januari 2009 als datum waarop [zoon 1] stage zal gaan lopen. Het hof acht het voor het overige niet redelijk rekening te houden met de kosten, zoals ziektekosten of studiekosten, van [zoon 1] en [zoon 2] nu zij beiden deze kosten kunnen betalen uit hun eigen inkomsten vanuit de studiefinanciering of anderszins en de betaling van deze kosten niet voorgaat op de betaling van het levensonderhoud van de vrouw.

4.10. Het hof houdt bij het bepalen van de draagkracht van de man geen rekening met de schulden die hij stelt te hebben nu onduidelijk is hoe hoog deze schulden zijn, de man op deze schulden nog niet aflost en onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de aflossing van deze schulden vóór de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw behoren te gaan.

Ingangsdatum

4.11. De vrouw heeft gesteld dat de rechtbank de ingangsdatum van de door de man te betalen uitkering tot haar levensonderhoud ten onrechte op 1 januari 2008 heeft bepaald. De vrouw kan niet voldoen aan de terugbetalingsverplichting die deze ingangsdatum met zich brengt.

De man stelt dat de ingangsdatum terecht op 1 januari 2008 is gesteld omdat hij met ingang van deze datum de hypotheekrente van de voormalig echtelijke woning niet meer fiscaal kan aftrekken.

4.12. Het hof stelt de ingangsdatum evenals de rechtbank op 1 januari 2008 nu gebleken is dat partijen nadien geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de hoogte van de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw en er tussen partijen nog een afrekening dient plaats te vinden in verband met het verdelen van vermogensbestanddelen.

Slotsom

4.13. Gelet op de behoefte van de vrouw enerzijds en de draagkracht van de man anderzijds en na een vergelijking van het besteedbaar inkomen is een door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw, zolang de voormalige echtelijke woning nog niet is verdeeld of verkocht en geleverd, van 1 januari 2008 tot 1 maart 2008 van € 2.740,- per maand, van 1 maart 2008 tot 1 januari 2009 van € 2.657,- per maand, van 1 januari 2009 tot 1 maart 2009 van € 3.220,- per maand en vanaf 1 maart 2009 van € 2.875,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Zodra de voormalige echtelijke woning is verdeeld of verkocht en geleverd, is een door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 van € 3.035,- per maand, van 1 januari 2009 tot 1 maart 2009 € 3.900,- per maand en vanaf 1 maart 2009 van € 3.300,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Omdat volgens de aan het Hof beschikbare informatie de woning tot op heden niet is verkocht wordt een termijn vastgesteld voor de periode tussen 1 januari 2008 en 1 januari 2009.

4.14. Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man voor wat betreft de periode na deze beschikking bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, zolang de voormalige echtelijke woning nog niet is verdeeld of verkocht en geleverd, van

1 januari 2008 tot 1 maart 2008 op € 2.740,-, van 1 maart 2008 tot 1 januari 2009 op € 2.657,-, van 1 januari 2009 tot 1 maart 2009 op € 3.220,- per maand en vanaf 1 maart 2009 op € 2.875,- per maand;

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, zodra de voormalige echtelijke woning is verdeeld of verkocht en geleverd, van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 op € 3.035,-, per maand van

1 januari 2009 tot 1 maart 2009 op € 3.900,- per maand en vanaf 1 maart 2009 op € 3.300,- per maand;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, J.A. van Keulen en F.A.A. Duynstee in tegenwoordigheid van mr. M. Knoop-Gerritsen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 december 2008.